ECLI:NL:RBMNE:2026:4165

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
12156555 \ ME VERZ 26-45
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:679 lid 2 sub c BWArt. 7:673 lid 1 onderdeel b BWWet verbetering Poortwachter
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomsten wegens ernstig verwijtbaar handelen werkgever en toekenning billijke en transitievergoedingen

Twee werknemers, beiden maatschappelijk werksters, hebben de kantonrechter verzocht hun arbeidsovereenkomsten met hun werkgever te ontbinden vanwege ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. De werkgever betaalde sinds november 2025 het loon niet en ondernam geen re-integratie-inspanningen, ondanks een eerdere kortgedingvonnis. De werknemers zijn sinds september en oktober 2025 ziek.

De werkgever is niet verschenen bij de mondelinge behandeling, hoewel zij de oproeping ontvingen. De kantonrechter gaat daarom uit van de onweerlegde stellingen van de werknemers. De arbeidsovereenkomsten worden ontbonden per direct vanwege de ernstige tekortkomingen van de werkgever, waaronder het niet betalen van loon en het nalaten van re-integratie.

De kantonrechter kent aan beide werknemers een billijke vergoeding toe vanwege het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, waarbij rekening is gehouden met de ziekte en de problematische werksituatie. Daarnaast worden transitievergoedingen toegekend. De werkgever wordt veroordeeld binnen 14 dagen een financiële eindafrekening te maken en achterstallige vakantiedagen, verlofuren en vakantiegeld te betalen, vermeerderd met wettelijke rente. Ook worden de proceskosten aan de zijde van de werknemers toegewezen.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomsten van de zieke werknemers worden ontbonden wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, met toekenning van billijke en transitievergoedingen en betaling van achterstallig loon.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer / rekestnummer: 12156555 \ ME VERZ 26-45
Beschikking van 29 juni 2026
in de zaak van

1.[verzoeker sub 1] ,

2.
[verzoeker sub 2],
allebei wonend in [woonplaats] ,
verzoekende partijen,
hierna te noemen: [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] ,
gemachtigde: mr. I. Atay, advocaat te Den Haag,
tegen

1.[verweerder sub 1] ,

handelend onder de naam [handelsnaam] ,
wonend in [woonplaats] ,
2.
[verweerder sub 2],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verwerende partijen,
hierna te noemen: [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1
[verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] hebben op 25 maart 2026 een verzoekschrift ingediend met 8 producties. Later hebben zij nog de producties 9 tot en met 12 ingediend.
1.2
Op 1 juni 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] zijn verschenen, bijgestaan door mr. Atay. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] zijn niet verschenen. [verzoeker sub 1] , [verzoeker sub 2] en mr. Atay hebben hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt.
1.3
De kantonrechter heeft bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

2.De zaak in het kort

In deze zaak verzoeken [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] om ontbinding van hun arbeidsovereenkomsten. Ook verzoeken zij onder andere om toekenning van een billijke vergoeding en de transitievergoeding. De kantonrechter wijst de verzoeken toe voor zover die zijn ingesteld tegen [verweerder sub 2] .

3.De beoordeling

[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] zijn niet verschenen
3.1
[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] zijn niet verschenen op de mondelinge behandeling. De kantonrechter overweegt dat zij deugdelijk zijn opgeroepen. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] moesten eigenlijk daarna nog eens worden opgeroepen voor een nieuwe mondelinge behandeling (artikel 3.3.7 van het Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken kanton handel en voorzieningenrechter). In dit specifieke geval heeft de kantonrechter echter aanleiding gezien om hiervan af te wijken en heeft zij de zaak inhoudelijk behandeld op 1 juni 2026. Zij legt hierna uit waarom. Na ontvangst van het verzoekschrift hebben [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] op 25 maart 2026 via een gemachtigde richting de gemachtigde van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] gereageerd. Toen waren zij dus al op de hoogte van de procedure, maar aan de kantonrechter hebben zij of hun gemachtigde niets laten weten. De oproeping voor de mondelinge behandeling van 1 juni 2026 is op 14 april 2026 naar twee verschillende adressen gestuurd: het woonadres van [verweerder sub 1] en het zakelijke adres van [verweerder sub 2] , waarvan [verweerder sub 1] bestuurster is. Dit is per gewone post en per aangetekende post gebeurd. De per aangetekende post aan [verweerder sub 1] verzonden oproeping is op 17 april 2026 afgehaald bij een PostNL-punt. De per aangetekend post aan [verweerder sub 2] verzonden oproeping is op 16 april 2026 aangenomen. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat zowel [verweerder sub 1] als [verweerder sub 2] op de hoogte waren van de mondelinge behandeling, maar dat zij er voor hebben gekozen om niet te verschijnen. In een door [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] opgestarte kortgedingprocedure eerder dit jaar zijn zij ook niet verschenen.
3.2
Het niet verschijnen van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] brengt mee dat van de (feitelijke) stellingen van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] zal worden uitgegaan omdat deze niet zijn weersproken. Dit geldt in de verdere beoordeling als uitgangspunt.
De verzoeken tegen [verweerder sub 1] worden afgewezen want zij is niet de werkgeefster
3.3
[verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] hebben hun verzoeken ingesteld tegen [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] . Op grond van wat [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] naar voren hebben gebracht stelt de kantonrechter vast dat zij een arbeidsovereenkomst hebben met [verweerder sub 2] en niet met [verweerder sub 1] in privé. Voor zover [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] hun verzoeken hebben ingesteld tegen [verweerder sub 1] worden die daarom afgewezen.
De arbeidsovereenkomsten van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] worden ontbonden
3.4
[verzoeker sub 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2001, is op 14 februari 2024 bij [verweerder sub 2] in dienst getreden. [verzoeker sub 2] , geboren op [geboortedatum 2] 1999, is op 1 november 2023 bij [verweerder sub 2] in dienst getreden. Zij zijn beide werkzaam als maatschappelijk werkster. [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] hebben een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
3.5
De kantonrechter kan een arbeidsovereenkomst ontbinden op verzoek van werknemer als de omstandigheden ervoor zorgen dat de arbeidsovereenkomst dadelijk of na korte tijd moet eindigen. Bij de beoordeling van het verzoek tot ontbinding en bij de beoordeling van de vraag of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, moeten alle omstandigheden, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen (HR 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:63).
3.6
[verweerder sub 2] betaalt al sinds november 2025 het salaris van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] niet (van € 1.971,37 bruto per maand), ondanks dat zij daartoe bij vonnis in kort geding van 11 februari 2026 is veroordeeld. Het betalen van loon is de kernverplichting die een werkgever heeft op basis van de arbeidsovereenkomst. Niet voor niets bepaalt de wet dat het niet tijdig betalen van loon door de werkgever voor de werknemer een dringende reden oplevert om ontslag te nemen (artikel 7:679 lid 2 sub c BW Pro). Door de wanbetaling zijn [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] in financiële problemen geraakt. De financiële zorgen geven stress, wat een negatieve invloed heeft op het herstel van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] , die al enige tijd ziek zijn ( [verzoeker sub 1] sinds 15 september 2025 en [verzoeker sub 2] sinds 14 oktober 2025).
3.7
Op grond van de Wet verbetering Poortwachter rust op [verweerder sub 2] de verplichting om zorg te dragen voor re-integratie-inspanningen. [verweerder sub 2] heeft in dit kader helemaal niets ondernomen. Zij heeft [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] niet ziekgemeld bij het UWV en ook geen bedrijfsarts of arbodienst ingeschakeld. Ook is er door [verweerder sub 2] geen plan van aanpak opgesteld. [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] kunnen zelfs geen contact met [verweerder sub 2] krijgen.
3.8
[verweerder sub 2] heeft hiermee ernstig verwijtbaar gehandeld. Er is sprake van omstandigheden die ervoor zorgen dat de arbeidsovereenkomsten op korte termijn moeten eindigen. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomsten van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] dan ook per direct ontbinden.
Billijke vergoedingen
3.9
Gelet op het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder sub 2] hebben [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] recht op een billijke vergoeding.
3.1
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [1] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
3.11
De kantonrechter overweegt dat [verweerder sub 2] [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] , die zijn uitgevallen als gevolg van werk gerelateerde omstandigheden en nog steeds ziek zijn, aan hun lot heeft overgelaten. De houding van [verweerder sub 2] en met name het nalaten van [verweerder sub 2] heeft invloed op (het voortduren van) de ziekte van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] .
[verweerder sub 2] is verplicht gedurende de eerste 104 weken van arbeidsongeschiktheid het loon door te betalen aan [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] . Dat zij al lange tijd niet worden betaald zorgt voor forse financiële gevolgen en daardoor ook voor stress en onzekerheid bij [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] . Dat [verweerder sub 2] verder haar verplichtingen uit de Wet verbetering Poortwachter kennelijk naast zich neerlegt en [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] daarmee de kans ontneemt op re-integratie, is bijzonder kwalijk. [verweerder sub 2] is een maatschappelijke organisatie. De nalatigheid richting haar werknemers verhoudt zich hier beslist niet mee.
3.12
[verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] hebben aannemelijk gemaakt dat zij, als de arbeidsovereenkomst niet zou zijn ontbonden, ondanks een problematische werksfeer, nog enige tijd voor [verweerder sub 2] zouden hebben gewerkt. Zij hebben uiteengezet dat het vaste contract voor hun een grote waarde vertegenwoordigde en dus zwaar woog. Het is voorzienbaar dat [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] nog enige tijd arbeidsongeschikt zullen zijn, zodat terugkeer op de arbeidsmarkt op korte termijn niet realistisch is. In het geval van [verzoeker sub 1] is sprake van complexe problematiek waarin meerdere factoren een rol spelen. Volgens [verzoeker sub 1] zal zij waarschijnlijk – en dat is optimistisch gedacht – in september 2026 starten met een behandeling bij de gespecialiseerde GGZ. Gelet op haar functie van maatschappelijk medewerkster, waarin sprake moet zijn van persoonlijke stabiliteit om de werkzaamheden te kunnen verrichten, zal er tijd nodig zijn voordat zij weer arbeidsgeschikt is. De verwachting is gerechtvaardigd dat het vervolgens nog wel negen maanden zal duren voordat zij kan starten met werken. In het geval van [verzoeker sub 2] stagneert haar re-integratie door de financiële zorgen. Wanneer die worden opgelost, is het aannemelijk dat zij voor het einde van haar eerste ziektejaar kan re-integreren.
3.13
Alles afwegende en rekening houdend met de mate van ernstige verwijtbaarheid van [verweerder sub 2] (waarvoor wordt verwezen naar rechtsoverweging 3.11.) en het door [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] ondervonden nadeel, acht de kantonrechter de door [verzoeker sub 1] gevraagde billijke vergoedingen redelijk. Aan [verzoeker sub 1] wordt dan ook een billijke vergoeding van
€ 35.027,61 bruto toegewezen en aan [verzoeker sub 2] € 36.998,63 bruto.
Transitievergoedingen
3.14
[verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] hebben recht op een transitievergoeding omdat aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan en sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van werkgever (artikel 7:673 lid 1 onderdeel Pro b BW), zoals hiervoor is geoordeeld. De kantonrechter zal de transitievergoedingen ambtshalve berekenen met inachtneming van de vastgestelde einddatum van de arbeidsovereenkomsten. Dit betekent dat [verweerder sub 2] aan [verzoeker sub 1] een transitievergoeding moet betalen van € 1.687,00 bruto en aan [verzoeker sub 2] een transitievergoeding van € 1.889,69 bruto.
Eindafrekeningen
3.15
[verweerder sub 2] zal, zoals door [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] is verzocht, worden veroordeeld om binnen 14 dagen na vandaag een financiële eindafrekening op te stellen en te voldoen waarbij aan [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] nog worden uitbetaald de resterende vakantiedagen, verlofuren alsmede het resterende vakantiegeld. De wettelijke rente zal – in afwijking van wat er is verzocht – worden toegewezen op de wijze als hierna onder ‘De beslissing’ staat vermeld.
Proceskosten
3.16
[verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] moeten, gelet op de uitkomst in de zaak tussen hen en [verweerder sub 1] , de proceskosten van [verweerder sub 1] betalen. Omdat [verweerder sub 1] niet is verschenen worden haar proceskosten op nihil vastgesteld.
3.17
[verweerder sub 2] moet, gelet op de uitkomst van de zaak tussen haar en [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] en omdat sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen van [verweerder sub 2] ,
de proceskosten van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] betalen. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nasalaris).

4.De beslissing

De kantonrechter:
ten aanzien van [verzoeker sub 1]
4.1
ontbindt de tussen [verzoeker sub 1] en [verweerder sub 2] bestaande arbeidsovereenkomst op verzoek van [verzoeker sub 1] per vandaag;
4.2
veroordeelt [verweerder sub 2] om aan [verzoeker sub 1] een billijke vergoeding te betalen van € 35.027,61 bruto;
4.3
veroordeelt [verweerder sub 2] om aan [verzoeker sub 1] een transitievergoeding te betalen van € 1.687,00 bruto;
4.4
veroordeelt [verweerder sub 2] om aan [verzoeker sub 1] binnen 14 dagen na vandaag een financiële eindafrekening op te stellen en te voldoen waarbij aan [verzoeker sub 1] nog worden uitbetaald de resterende vakantiedagen, verlofuren alsmede het resterende vakantiegeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2026 tot de dag van volledige betaling;
ten aanzien van [verzoeker sub 2]
4.5
ontbindt de tussen [verzoeker sub 2] en [verweerder sub 2] bestaande arbeidsovereenkomst op verzoek van [verzoeker sub 2] per vandaag;
4.6
veroordeelt [verweerder sub 2] om aan [verzoeker sub 2] een billijke vergoeding te betalen van € 36.998,63 bruto;
4.7
veroordeelt [verweerder sub 2] om aan [verzoeker sub 2] een transitievergoeding te betalen van € 1.889,69 bruto;
4.8
veroordeelt [verweerder sub 2] om aan [verzoeker sub 2] binnen 14 dagen na vandaag een financiële eindafrekening op te stellen en te voldoen waarbij aan [verzoeker sub 2] nog worden uitbetaald de resterende vakantiedagen, verlofuren alsmede het resterende vakantiegeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2026 tot de dag van volledige betaling;
ten aanzien van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2]
4.9
veroordeelt [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] in de proceskosten van [verweerder sub 1] , welke worden begroot op nihil;
4.1
veroordeelt [verweerder sub 2] in de proceskosten van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] van € 1.102,00;
4.11
verklaart alle veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad [2] ;
4.12
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Blanke en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026.
13702

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (
2.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.