ECLI:NL:RBMNE:2026:4184

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
11 juli 2026
Zaaknummer
C/16/612467 / JE RK 26-809
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige in gezinshuis voor beperkte duur

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een gezinshuis. De minderjarige verbleef eerst bij een netwerkpleegmoeder, maar vanwege gedragingen van de moeder kon dit niet voortgezet worden. De kinderrechter heeft de ouders, GI en Raad gehoord tijdens een zitting op 12 juni 2026.

De moeder en vader zijn het niet eens met het verzoek. De moeder wordt verweten de verslavingsbehandeling niet te hebben voortgezet en afspraken met de GI en netwerkpleegmoeder te hebben geschonden, waaronder bedreigingen richting de netwerkpleegmoeder. De vader heeft in het verleden beslissingen genomen die niet in het belang van de minderjarige waren en heeft niet adequaat gehandeld bij schendingen van omgangsafspraken.

De kinderrechter acht de machtiging noodzakelijk voor het belang van de minderjarige en verleent deze tot 1 november 2026. De kinderrechter verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Het resterende deel van het verzoek wordt aangehouden en zal op een zitting van de meervoudige kamer worden behandeld, waarbij de GI wordt verzocht het perspectiefbesluit schriftelijk te onderbouwen. De ouders krijgen gelegenheid om aanvullende stukken te overleggen. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een gezinshuis verleend tot 1 november 2026, uitvoerbaar bij voorraad, met aanhouding van het resterende verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/612467 / JE RK 26-809
Datum uitspraak: 12 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND,
gevestigd te Utrecht,
hierna de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. F. Pool,
[de vader],
hierna de vader,
volgens de BRP wonende op [land] ,
feitelijk verblijvende in [plaats 1] ,
advocaat mr. H.H.M. Helleman.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 juni 2026;
  • het bericht van de vader van 8 juni 2026;
  • het bericht van de GI met bijlagen van 10 juni 2026;
  • het bericht van de moeder van 10 juni 2026 met een aantal bijlagen;
  • het bericht van de moeder van 11 juni 2026 met een aantal bijlagen.
1.2.
De kinderrechter heeft geen kennis genomen van het bericht van de moeder van de moeder (oma) van 12 juni 2026. Zij is geen belanghebbende.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 juni 2026. Op deze zitting zijn de ouders, de GI en de Raad gehoord op het verzoek over de spoedmachtiging uithuisplaatsing. Daarnaast is het aangehouden verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinshuis behandeld. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader met zijn advocaat;
  • [A.] en [B.] namens de GI;
  • [C.] namens de Raad voor de Kinderbescherming Midden-Nederland (hierna de Raad);
  • [D.] via een videoverbinding, de netwerkpleegmoeder van [minderjarige] .
1.4.
Aan het einde van de zitting heeft de kinderrechter de beslissing op het verzoek genomen. Dit is de schriftelijke uitwerking van die beslissing.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verbleef tot 10 juni 2026 bij de netwerkpleegmoeder. Sinds 10 juni 2026 verblijft [minderjarige] in een gezinshuis op een geheim adres.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft [minderjarige] bij beschikking van 16 januari 2026 onder toezicht gesteld tot 16 januari 2027.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 januari 2026 een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin tot 16 juli 2026 (zaaknummer 602102 / JE RK 25-1671). De beslissing op het verzoek over de machtiging tot uithuisplaatsing is voor het overige aangehouden. De Raad en de GI zijn verzocht om uiterlijk 19 juni 2026 de kinderrechter en de belanghebbenden schriftelijk te informeren over de stand van zaken en hun visie op het verdere verloop van de procedure. Op de zitting van 12 juni 2026 heeft de Raad dit aangehouden verzoek ingetrokken, zodat de kinderrechter in die procedure geen beslissing (meer) hoeft te nemen. Die procedure is met de intrekking door de Raad geëindigd.
2.5.
Bij beschikking van 3 juni 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis verleend met ingang van
3 juni 2026 tot 1 juli 2026. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden in afwachting van de zitting op 12 juni 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De kinderrechter heeft in de beschikking van 3 juni 2026 al beslist over de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis voor de duur van vier weken. De kinderrechter moet de belanghebbenden over deze beslissing nog horen.
3.2.
Daarnaast moet de kinderrechter nog een beslissing nemen op het verzoek van de GI om een aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

De ouders zijn het oneens met de verzoeken en verweren zich daartegen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter heeft de belanghebbenden gehoord over de spoedmachtiging van [minderjarige] en ziet naar aanleiding daarvan geen reden om een andere beslissing te nemen. Verder zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis verlenen tot 1 november 2026 en het resterende deel van het verzoek aanhouden. De kinderrechter zal de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Hierna legt de kinderrechter uit waarom zij deze beslissing neemt.
De machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinshuis
5.2.
Uit de stukken en het gesprek op de zitting volgt dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. [1] Net als de Raad begrijpt de kinderrechter de plaatsing in het gezinshuis. Bij de netwerkpleegmoeder kon [minderjarige] niet langer blijven door de manier waarop de moeder zich (wederom) heeft gedragen. De kinderrechter vindt het voor [minderjarige] en de netwerkpleegmoeder bijzonder verdrietig dat het zo is gelopen.
5.3.
[minderjarige] kan ook niet terug naar de moeder. Volgens de GI ligt vast dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder ligt. Op vragen van de kinderrechter geeft de Raad net als de GI aan dat zij het uit het onderzoek herkenbaar vindt dat de moeder de hulpverlening in het verslavingskader niet doorzet en dat er sprake is van zogenaamd vals-positieve testen. De Raad ziet daarin een patroon bij de moeder. Ook de kinderrechter zet grote vraagtekens bij de situatie van de moeder en hoe zij het verhaal neerzet. De moeder stelt dat zij zich aan alle afspraken heeft gehouden. Zij doelt daarmee op het volgen van een verslavingsbehandeling en het niet meer gebruiken van drugs. De kinderrechter ziet dat anders. Op de vorige zitting is door de moeder uitgebreid betoogd dat zij een verslavingsbehandeling in [plaats 2] zou volgen en voorlopig niet in de buurt van het netwerkpleeggezin zou zijn. Nu blijkt dat zij de behandeling niet in [plaats 2] heeft afgerond maar in Nederland ambulant verder is gegaan. De oorzaak hiervan lag in een ruzie met een andere deelnemer aan het traject in [plaats 2] vertelt de moeder. Verder zijn er in Nederland positieve urinetesten bij de moeder afgenomen. Hierdoor is haar plaatsing (met later eventuele hereniging met [minderjarige] ) bij [instelling] niet doorgegaan. De moeder stelt dat er sprake is van vals-positieve testen, maar de brief die zij hiertoe overlegt aan de rechtbank is hierover niet eenduidig. Maar nog los van deze punten, heeft de moeder eigenlijk al direct na terugkomst uit [plaats 2] de plaatsing van [minderjarige] bij de netwerkpleegmoeder op het spel gezet. Zij heeft de GI namelijk niet meteen op de hoogte gebracht van haar terugkomst en het stoppen van haar verslavingsbehandeling in [plaats 2] . Daarnaast heeft zij afspraken gemaakt met de netwerkpleegmoeder, die dwars ingingen tegen de afspraken die met de GI waren gemaakt over de omgang tussen [minderjarige] en de moeder.
5.4.
Bovendien heeft de moeder zich tegenover het netwerkpleeggezin misdragen. Dat er volgens de moeder veel is gebeurd in relatie tot haar dochter, netwerkpleegmoeder, is wel erg losjes en luchtig benoemd. Het is zeker meer dan dat. Eerder heeft de moeder gedreigd om naaktfoto’s openbaar te maken van de netwerkpleegmoeder. Nu heeft de moeder gedreigd dat zij een dossier opbouwt over de netwerkpleegmoeder, nota bene ook haar eigen dochter, zodat de dochter van de netwerkpleegmoeder uit huis geplaatst zou worden. Al deze handelingen laten niet zien dat de moeder in staat is om beslissingen te nemen die in het belang van kinderen zijn. Met haar handelen schaadt zij immers de belangen van [minderjarige] , en ook die van haar volwassen dochter, de netwerkpleegmoeder. De kinderrechter rekent de moeder dat aan en benadrukt dat dit de vraag oproept of en in hoeverre de moeder pedagogisch sterk genoeg is om de juiste zorg te bieden aan [minderjarige] .
5.5.
[minderjarige] kan ook niet naar de vader op dit moment. In het verleden zijn door de vader te vaak beslissingen genomen waarbij niet het belang van [minderjarige] voorop stond. Ook nu weer in het kader van de omgang heeft de vader geweten dat de afspraken met de GI werden geschonden en dat de handelwijze van de moeder niet juist was. Toch heeft de vader gehandeld zoals hij heeft gehandeld, namelijk niet in contact getreden hierover met de GI.
5.6.
Voor de vader geldt wel dat de kinderrechter in de omgangsverslagen niet veel zorgen gezien heeft over het contact tussen de vader en [minderjarige] zelf. Het is daarom belangrijk dat de vader de komende periode kan laten zien dat zijn zelfstandige (dus zonder de moeder) woonsituatie met een huurwoning in [plaats 1] stabiel blijft en dat de relatie tussen de ouders verbroken blijft. Het is belangrijk dat de vader hierin kan laten zien dat de situatie bestendig is, omdat de vader eerder toch terug bij moeder is gekomen. Ook zal de vader moeten laten zien dat hij zich aan de omgangsafspraken houdt en meewerkt met de hulpverlening. De kinderrechter vindt wel dat nader naar de mogelijkheid tot uitbreiding van deze omgangsafspraken gekeken moet worden. Meer omgang geeft ook meer zicht op de
(on)mogelijkheden tot thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader. Hierover heeft de GI op de zitting toegelicht dat de vader op de wachtlijst staat voor het 2thepoint-traject van [naam 1] . Op de zitting werd duidelijk dat de Raad net als de GI het nodig vindt dat dit onderzoek eerst gevolgd wordt voor een thuisplaatsing eventueel kan plaatsvinden. Een snellere oplossing ziet de GI niet. Anders dan wat de advocaat van de vader heeft betoogd vindt de GI de organisatie [naam 2] (die de omgang nu begeleidt) niet deskundig genoeg om dit onderzoek uit te voeren. In tegenstelling tot de [naam 2] heeft [naam 1] een gedragswetenschapper in dienst die bij het onderzoek ook hechting betrekt en traumasensitief kan werken. De kinderrechter begrijpt deze keuzes, maar wijst de GI er op dat in de tussentijd wel gekeken moet worden naar wat er wel mogelijk is in (de uitbreiding van) het contact met de vader en dat men de mogelijkheid open blijft houden dat op een andere manier de perspectiefmogelijkheden bij de vader worden onderzocht.
De duur van de machtiging tot uithuisplaatsing
5.7.
De kinderrechter vindt de verzochte periode gelet op de leeftijd van [minderjarige] te lang. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom nu verleend voor een periode van vier maanden. De kinderrechter begrijpt heel goed dat goed bekeken moet worden of er thuisplaatsingsmogelijkheden zijn voor [minderjarige] . Het steeds wijzigen van haar verblijfplek is niet goed voor haar. Maar aan de andere kant is het ook zo dat als er nog een terugplaatsing naar een ouder kan plaatsvinden, dat dit ook niet heel lang moet duren.
5.8.
Bovendien heeft de kinderrechter vragen heeft over de wijze waarop het perspectief voor de moeder is vastgesteld. Het kan goed zijn dat dit een juist en gedegen besluit is, maar de kinderrechter ziet daar in de stukken niets van terug. Er is geen sprake van een schriftelijk besluit. Er is bijvoorbeeld ook geen intern verslag, waarin wordt onderbouwd waarom deze beslissing is genomen. Uit de stukken volgt ook niet dat dit besluit met de moeder is besproken. De GI heeft op de zitting gezegd dat dit perspectiefbesluit bij de volgende inhoudelijke behandeling zal worden voorgelegd aan de rechtbank. Dat betekent nu dat dat zal gebeuren bij een volgende behandeling van het nu aangehouden deel van het verzoek machtiging uithuisplaatsing. Binnen deze periode van vier maanden zal het aangehouden verzoek op een zitting van de meervoudige kamer (drie rechters) worden behandeld. De kinderrechter gaat er daarbij vanuit dat de GI alle benodigde stukken op orde heeft en op tijd aan de rechtbank overlegt. De aanhouding van het verzoek geeft de moeder de gelegenheid om haar psychische traject te volgen en om wellicht meer stukken van behandelaren en (drugs)testen te overleggen. Op basis van alle stukken kan dan op de volgende zitting inhoudelijk het perspectiefbesluit besproken worden. Ongeacht de uitkomst verdient [minderjarige] het dat hier goed naar gekeken wordt.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.9.
De kinderrechter verklaart de beschikking tot verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 1 juli 2026 tot
1 november 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de beslissing over het resterende deel van het verzoek over de machtiging tot uithuisplaatsing aan;
6.4.
bepaalt dat het resterende deel van het verzoek zal worden behandeld op een nog te plannen zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank, gelegen vóór
1 november 2026, tegen welke zitting de ouders en de GI moeten worden opgeroepen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026 door
mr. R.M. Maliepaard, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A. Sie als griffier, en op schrift gesteld op 23 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.