ECLI:NL:RBMNE:2026:4187

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
11 juli 2026
Zaaknummer
12201926 \ LE VERZ 26-21 BW 31650 DEF
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671b lid 6 BWWet verbetering Poortwachter
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontbindingsverzoek arbeidsovereenkomst wegens opzegverbod tijdens ziekte

De werknemer is sinds 1 september 2022 in dienst bij de gemeente en sinds 18 augustus 2024 arbeidsongeschikt. De gemeente wil de arbeidsovereenkomst ontbinden vanwege een verstoorde arbeidsrelatie en verwijtbaar handelen, maar de werknemer wil re-integreren in spoor 1, wat de gemeente heeft uitgesloten.

De kantonrechter oordeelt dat het opzegverbod tijdens ziekte van toepassing is en dat de uitzonderingen op dit verbod niet gelden. De verwijten van de gemeente hangen samen met de arbeidsongeschiktheid en de re-integratie, waardoor het niet mogelijk is de ziekte los te koppelen van het ontbindingsverzoek.

De kantonrechter concludeert dat de arbeidsovereenkomst niet kan worden ontbonden en veroordeelt de gemeente tot betaling van de proceskosten. De werknemer behoudt daarmee zijn dienstverband en de mogelijkheid tot re-integratie.

Uitkomst: Het ontbindingsverzoek van de gemeente wordt afgewezen vanwege het opzegverbod tijdens ziekte en het ontbreken van een uitzondering hierop.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer / rekestnummer: 12201926 \ LE VERZ 26-21 BW 31650
Beschikking van 30 juni 2026
in de zaak van
GEMEENTE [gemeente],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Gemeente [gemeente] ,
gemachtigde: mr. P.A.L. de Jong,
tegen
[verweerder],
wonend in [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. V.C. van der Velde.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 20 april 2026 met 44 producties,
- het verweerschrift van 20 mei 2026 met 14 producties,
- de aanvullende productie 45 (van 27 mei 2026),
- de aanvullende producties 15-20 (van 27 mei 2026).
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. Namens Gemeente [gemeente] is mevrouw [A] (Senior Juridisch- en Beleidsadviseur HRM), verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. [verweerder] is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Velde. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat besproken is tijdens de zitting. Beide gemachtigden hebben de standpunten nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. Deze zijn aan het procesdossier toegevoegd.
1.3
Tijdens de mondelinge behandeling is bepaald dat uiterlijk op 30 juni 2026 uitspraak zal worden gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1
[verweerder] is sinds 1 september 2022 in dienst van Gemeente [gemeente] als [functie] . Vanaf 18 augustus 2024 is [verweerder] arbeidsongeschikt. Gemeente [gemeente] heeft [verweerder] laten weten dat hij niet kan terugkeren in zijn eigen functie. De mediation tussen partijen is niet van de grond gekomen.
Gemeente [gemeente] vraagt om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden. De kantonrechter wijst dat verzoek af, omdat het opzegverbod tijdens ziekte hieraan in de weg staat.

3.De beoordeling

3.1
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. Voordat op deze vraag wordt ingegaan zal eerst de achtergrond van de zaak worden geschetst, omdat de context van de zaak van belang is voor de beoordeling van de vraag of het opzegverbod tijdens zieke hier aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat.
De achtergrond van de zaak
3.2
[verweerder] , geboren op [geboortedatum] 1968, heeft een leidinggevende positie binnen Gemeente [gemeente] en is tevens lid van het management team (MT). [verweerder] is sinds 18 augustus 2024 arbeidsongeschikt.
3.3
In het najaar van 2024 heeft gemeente [gemeente] het onderzoeksbureau Rijnconsult, opdracht gegeven tot een onderzoek naar het functioneren van het Sociaal Domein binnen de Gemeente [gemeente] . Doel van dit onderzoek was inzicht te verkrijgen in de organisatiecultuur, het functioneren van het management en de verhoudingen binnen het domein.
Rijnconsult heeft begin februari 2025 geconstateerd dat i) sprake was van een verwaarloosde organisatie en verwaarloosde teams, ii) dat het benodigde leiderschap onvoldoende werd geleverd, iii) dat verschillende onderdelen, rollen, taken, verantwoordelijkheden en overlegstructuren onduidelijk waren of niet op de juiste plaats waren belegd, iv) dat er geen integraliteit bestond binnen het Sociaal Domein en v) dat er geen sturing plaatsvond vanuit het MT.
3.4
Op 20 februari 2025 is de (toenmalige) interim gemeentesecretaris, de heer [B] , naar aanleiding van de uitkomsten van dit rapport in gesprek gegaan met [verweerder] .
Op 23 februari 2025 heeft [verweerder] aan [B] laten weten dat hij heeft nagedacht over zijn positie en heeft hij aangegeven dat hij wilde helpen om opnieuw te bouwen aan de Jeugdzorg in de Gemeente [gemeente] . [verweerder] heeft toen laten weten aan [B] dat hij daarom interesse heeft in de hogere managementpositie van [functie] . Op 3 maart 2025 deelt [B] aan [verweerder] mee dat de Gemeente [gemeente] niet met hem verder wil en dat er voor [verweerder] geen plek meer is in de organisatie. Volgens [B] getuigt het voorstel van [verweerder] om [functie] te worden van een gebrek aan zelfreflectie. [verweerder] wordt vervolgens vrijgesteld van werk. [verweerder] is op dat moment (nog steeds) volledig arbeidsongeschikt. Op 11 maart 2025 doet Gemeente [gemeente] een voorstel om tot een einde van de arbeidsovereenkomst te komen. [verweerder] laat daarop weten zich te verzetten tegen een beëindiging van het dienstverband, omdat daarvoor geen legitieme grond bestaat en omdat hij volledig arbeidsongeschikt is.
3.5
De bedrijfsarts adviseert op 17 maart en 14 april 2025 aan partijen om met elkaar in gesprek te gaan en als dat niet lukt een mediator in te schakelen. Op 27 mei 2025 vindt een gesprek plaats tussen [B] , [verweerder] en zijn advocaat. Tijdens dat gesprek herhaalt de Gemeente [gemeente] haar wens om afscheid te nemen van [verweerder] , omdat zij er geen vertrouwen in heeft dat [verweerder] de veranderingen doorvoert die nodig zijn gelet op de uitkomsten uit het rapport van Rijnconsult. Verdere gesprekken komen niet van de grond, omdat [verweerder] onder meer vooraf vraagt om helderheid over een aantal zaken, hij zegt nog niet voldoende in staat te zijn tot het voeren van nadere gesprekken en omdat hij graag wil re-integreren binnen het Sociaal Domein. Voor dat laatste staat Gemeente [gemeente] niet open.
3.6
[verweerder] heeft vervolgens op diverse manieren de aandacht van derden gevraagd voor zijn situatie. Zo heeft hij brieven gestuurd naar het College van Burgemeester & Wethouders en de fractievoorzitters van de gemeenteraad. Ook heeft [verweerder] een verzoek op grond van de Wet open overheid ingediend. Dit verzoek zag op openbaarmaking van documenten met betrekking tot zijn re-integratie en dienstverband. Ook heeft [verweerder] diverse klachten ingediend tegen onder meer de arbeidsdeskundige en de externe casemanager. In het merendeel van deze communicatie vraagt [verweerder] aandacht voor het feit dat Gemeente [gemeente] enkel focust op beëindiging van zijn dienstverband, terwijl [verweerder] herhaaldelijk heeft aangegeven te willen re-integreren in spoor 1 en Gemeente [gemeente] dit vanaf het eerste moment heeft uitgesloten.
3.7
De mediation heeft geen aanvang genomen. Op het moment dat [verweerder] uiteindelijk instemde, had Gemeente [gemeente] al besloten een ontbindingsverzoek in te dienen vanwege het door [verweerder] plaatsen van LinkedIn-berichten waarin [verweerder] schreef over de ontstane situatie met Gemeente [gemeente] .
De arbeidsovereenkomst wordt niet ontbonden
3.8
De arbeidsovereenkomst kan alleen kan worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Maar wat hier allereerst van belang is, is dat de kantonrechter in principe alleen tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan overgaan als er geen opzegverbod geldt.
Het opzegverbod tijdens ziekte is van toepassing
3.9
[verweerder] is op dit moment arbeidsongeschikt, zodat het opzegverbod tijdens ziekte van toepassing is. Gemeente [gemeente] zegt dat het opzegverbod hier niet aan de ontbinding in de weg staat, omdat de uitzonderingen op het opzegverbod (zoals opgenomen in artikel 7:671b lid 6 BW) van toepassing zijn.
De arbeidsongeschiktheid kan niet worden geabstraheerd van het ontbindingsverzoek
3.1
De eerste uitzondering waar Gemeente [gemeente] zich op beroept is dat ontbinding mogelijk kan zijn als er geen verband bestaat tussen het ontbindingsverzoek en de omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft.
Bij de beoordeling of deze uitzondering van toepassing is staat voorop dat niet te gemakkelijk mag worden aangenomen dat er geen verband is. [1]
Het opzegverbod tijdens ziekte beoogt de werknemer te beschermen tegen een ontslag wegens ziekte en tegen verkorting van de termijn voor het vinden van ander werk, en heeft mede ten doel de werknemer te vrijwaren van de psychische druk die een ontslagaanzegging tijdens zijn ziekte kan veroorzaken. Alleen als de omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag zijn gelegd zich laten abstraheren van de omstandigheden waarop het opzegverbod tijdens ziekte betrekking heeft en die omstandigheden op zichzelf voldoende zijn voor een voldragen ontslaggrond, is voldaan aan de wettelijke voorwaarde dat er ‘geen verband’ is. Bij een gesteld verband tussen het ontbindingsverzoek en de omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft, is het aan de werkgever om te bewijzen dat dit verband niet aanwezig is. [2]
3.11
Beoordeeld moet worden of de feiten en omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag liggen (ook) een redelijke grond voor ontbinding vormen wanneer de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] wordt ‘weggedacht’.
3.12
Gemeente [gemeente] vraagt primair ontbinding wegens verwijtbaar handelen van [verweerder] , subsidiair wegens een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding en meer subsidiair vanwege een combinatie van voornoemde gronden.
Voor al deze gronden geldt dat het opzegverbod aan ontbinding in de weg staat. De kantonrechter licht dat als volgt toe.
3.13
Alle verwijten die Gemeente [gemeente] aan [verweerder] maakt en die zij ten grondslag heeft gelegd aan haar ontbindingsverzoek hangen naadloos samen met de arbeidsongeschiktheid en de daarbij behorende re-integratieverplichtingen.
[verweerder] heeft op 3 maart 2025 van Gemeente [gemeente] de mededeling gekregen dat zij niet verder wil met hem en dat voor [verweerder] geen plek meer is in de organisatie. Die eenzijdige beslissing heeft Gemeente [gemeente] genomen naar aanleiding van de reactie van [verweerder] op het rapport van Rijnconsult. Op het moment van de mededeling is [verweerder] al een half jaar lang volledig arbeidsongeschikt en de Gemeente [gemeente] beslist dan om de re-integratie in het eerste spoor volledig uit te sluiten.
In haar ontbindingsverzoek legt Gemeente [gemeente] voor zowel de e- g- en i-grond ten grondslag dat [verweerder] herhaaldelijk weigert in gesprek te komen en in mediation te gaan, tegen het advies van de bedrijfsarts in. Daardoor zou de arbeidsverhouding verstoord zijn geraakt. Daarbij verliest Gemeente [gemeente] echter haar eigen aandeel in het ontstaan van deze arbeidsverhouding volledig uit het oog; te weten haar eenzijdige beslissing om re-integatie in het eerste spoor uit te sluiten, dat haaks staat op de verplichtingen die Gemeente [gemeente] heeft in het kader van de Wet verbetering Poortwachter. De verdere verwijten die Gemeente [gemeente] aan [verweerder] maakt en die volgens Gemeente [gemeente] hebben gezorgd voor een duurzaam en ernstig verstoorde arbeidsverhouding zien op de brieven aan derden, de LinkedIn-berichten en de klachten die [verweerder] heeft ingediend. Al die uitlatingen betreffen (in essentie) het verzet van [verweerder] tegen de beslissing van Gemeente [gemeente] om zijn re-integratie naar zijn eigen functie en binnen het Sociaal Domein uit te sluiten.
3.14
De conclusie is dat het conflict hier is ontstaan door een eenzijdig besluit van Gemeente [gemeente] om spoor 1 uit te sluiten, waar [verweerder] zich tegen is gaan verzetten. Omdat Gemeente [gemeente] bij haar standpunt bleef dat spoor 1 is uitgesloten, heeft [verweerder] na herhaaldelijke voorstellen om tot een einde van de arbeidsovereenkomst te komen, verdere gesprekken en mediation lang afgehouden. De arbeidsverhouding is verder geëscaleerd doordat [verweerder] herhaaldelijk brieven en berichten aan derden en op LinkedIn heeft verzonden. Daarin gaat het ook steeds over de opstelling van de Gemeente tijdens zijn arbeidsongeschiktheid en re-integratie. Ook alle klachten die [verweerder] heeft ingediend hebben daar betrekking op. Het is dus niet mogelijk de ziekte los te koppelen van het ontbindingsverzoek.
Het is ook niet gebleken dat het in het belang van [verweerder] is dat de arbeidsovereenkomst tot een einde komt3.15 Gemeente [gemeente] zegt ook dat de tweede uitzondering op het opzegverbod hier van toepassing is, omdat het in het belang van (de gezondheid van) [verweerder] zou zijn dat er een einde aan de arbeidsovereenkomst komt. Die stelling heeft Gemeente [gemeente] onvoldoende onderbouwd en volgt niet uit medische stukken. De kantonrechter kan dan ook niet vaststellen of dit zo is. Volgens [verweerder] is van deze situatie in elk geval geen sprake.
[verweerder] heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat hij juist belang heeft bij voortzetting van de arbeidsovereenkomst, omdat hij graag alsnog de kans wil krijgen om te re-integreren binnen Gemeente [gemeente] zodat hij kan zien wat hij aan kan qua belasting. Bij een ontbinding wordt hem de kans ontnomen om verder te herstellen en te re-integreren.
3.16
Dit betekent dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie die maakt dat de arbeidsovereenkomst toch kan worden ontbonden.
3.17
Omdat het opzegverbod tijdens ziekte aan de ontbinding in de weg staat, zal het ontbindingsverzoek worden afgewezen. De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden ontbonden.
Gemeente [gemeente] moet de proceskosten betalen
3.18
De proceskosten komen voor rekening van Gemeente [gemeente] , omdat Gemeente [gemeente] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op
€ 1.298,00 en bestaan uit € 1.154,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten, plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1
wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,
4.2
veroordeelt Gemeente [gemeente] in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Gemeente [gemeente] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
4.3
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.R. van der Vos en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.

Voetnoten

1.Zie de conclusie van 20 januari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:92.
2.Zie de conclusie van 20 januari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:92.