ECLI:NL:RBMNE:2026:4199

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
12 juli 2026
Zaaknummer
12169085 \ ME VERZ 26-47 AW/1583
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 3 BWArt. 7:669 lid 1 BWArt. 7:671b lid 9 sub a BWArt. 7:671b lid 9 sub b BWArt. 7:658a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding en gedeeltelijke loonvordering toegewezen

In deze zaak verzocht de werkgever de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer, primair wegens verwijtbaar handelen en subsidiair wegens een verstoorde arbeidsverhouding. De werknemer had zich ziekgemeld en wilde een second opinion over het medisch advies, maar werkte onvoldoende mee aan re-integratie, onder meer door niet te verschijnen bij de bedrijfsarts en geen toestemming te geven voor het opvragen van medische gegevens.

De kantonrechter oordeelde dat hoewel de werknemer niet voldoende meewerkte aan haar re-integratie, dit niet ernstig verwijtbaar was vanwege verwarring over de klachtprocedure en het second opinion-traject. De arbeidsverhouding was echter duurzaam en ernstig verstoord door de houding en correspondentie van de werknemer, waardoor ontbinding op die grond gerechtvaardigd was.

De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 1 september 2026, met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn. De werkgever moet een transitievergoeding betalen. De loonvordering van de werknemer wordt deels toegewezen: het loon over de periode van opschorting (2 oktober tot 18 december 2025) moet worden betaald, inclusief vakantiebijslag, eindejaarsuitkering en wettelijke rente vanaf 13 mei 2026. Het loon over de periode van loonstaking wordt afgewezen. De werkgever moet ook het loon vanaf 13 mei 2026 voldoen en een bruto/netto specificatie verstrekken. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 september 2026 wegens verstoorde arbeidsverhouding, met gedeeltelijke toewijzing van de loonvordering en toekenning van transitievergoeding.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer / rekestnummer: 12169085 \ ME VERZ 26-47 AW/1583
Beschikking van 1 juli 2026
in de zaak van
[verzoeker]in [plaats] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. A.H.M. Agbakuru-van Bavel,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. R. Beele.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt [verzoeker] om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] .
De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten een verstoorde arbeidsverhouding.
Het tegenverzoek van werknemer om toekenning van het loon wordt deels toegewezen.

1.De procedure

1.1
[verzoeker] heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend.
1.2
Op 27 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen en hun gemachtigden hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. [verzoeker] en [verweerder] hebben ook spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Vóór de mondelinge behandeling hebben [verzoeker] en [verweerder] met brieven van 19 en 26 mei 2026 nog stukken toegezonden.

2.De feiten

2.1
[verweerder] , geboren [geboortedatum] 2003, is sinds 1 augustus 2023 in dienst bij [verzoeker] . De functie van [verweerder] is onderwijsassistent met een loon van € 2.166,00 bruto per maand.
2.2
Op 8 april 2024 heeft [verweerder] een operatieve ingreep ondergaan.
2.3
[verweerder] heeft in het schooljaar 2024/2025 een dag per week onbetaald verlof opgenomen.
2.4
Op 19 september 2024 heeft [verweerder] zich ziekgemeld.
2.5
Op 7 januari 2025 heeft mw. [A] van Arbodienst [bedrijf] (hierna: [A] ) een andere verdeling van de werkuren geadviseerd. [verweerder] werkte op de vrijdag en stond de andere dag ziekgemeld.
2.6
Op 20 of 24 maart 2025 meldt [verweerder] zich volledig ziek.
2.7
Op 27 maart 2025 adviseert [B] van [bedrijf] Arbodienst dat [verweerder] de ruimte dient te krijgen voor rust en herstel. Wel wordt aangegeven dat op termijn een gesprek moet plaatsvinden met betrekking tot werk gerelateerde factoren, maar dat het op dat moment daar nog te vroeg voor is. Het advies is om laagdrempelig contact te onderhouden bijvoorbeeld 1 x per 3 weken.
2.8
Op 14 mei 2025 concludeert [A] dat het uitblijven van een gesprek tussen [verzoeker] en [verweerder] belemmerend werkt voor haar herstel. Het advies is dat [verzoeker] en [verweerder] op korte termijn in gesprek gaan, bij voorkeur in aanwezigheid van personeelszaken. [verweerder] wordt belastbaar geacht voor gemiddeld 2 uur per dag. Onderaan de brief van de Arbodienst staat vermeld:
“Twijfelt u aan het advies van de Arts? (…) In bepaalde situaties kan ook een second opinion aangevraagd worden. Dit kan alleen door de werknemer en uitsluitend via de eigen (bedrijfs)arts. [bedrijf] werkt hiervoor samen met de Landelijke Pool Bedrijfsartsen Second Opinion. Meer informatie over de second opinion en een beslishulp is te vinden via www. [website] .”
2.9
Op 26 mei bericht Prevermo (de moedervennootschap van [bedrijf] Arbodienst) aan [verweerder] dat de klacht die zij heeft ingediend tegen het advies van 14 mei 2025 niet in behandeling wordt genomen. [verweerder] kan een second opinion aanvragen wanneer zij twijfelt aan de juistheid van het advies van de (bedrijfs-)arts. De second opinion wordt uitgevoerd door een andere bedrijfsarts, maar moet worden aangevraagd bij de ‘eigen’ bedrijfsarts. Het aanvragen van een second opinion kan alleen door de werknemer worden gedaan.
2.1
Op 13 juni 2025 laat [verweerder] aan haar leidinggevende, mw. [C] , weten dat zij een klacht heeft ingediend tegen het medisch advies van [A] en dat zij gebruik maakt van het door [bedrijf] aangeboden second opinion traject, waarop de HR adviseur van [verzoeker] [D] (hierna: [D] ), aan [verweerder] aangeeft dat zij open staat voor een gesprek en vraagt om even met [verweerder] te kunnen bellen.
2.11
Op 16 juni 2025 bericht [verweerder] aan [D] dat zij behoefte heeft aan rust en een telefoongesprek niet passend voelt. Er loopt nog een klacht over het handelen van de bedrijfsarts. Ook heeft zij bij [E] van Privermo (hierna: [E] ) aangegeven dat zij gebruik wil maken van het second opinion traject. [verweerder] kiest voor schriftelijk contact.
2.12
Op 27 juni 2025 bericht [D] aan [verweerder] onder meer dat er tot op heden nog geen terugkoppeling is ontvangen en er geen aangepast advies of deskundigenoordeel binnen is. Zolang dat uitblijft, blijft het advies van de arbodienst leidend. Zij geeft aan dat ze [verweerder] de ruimte geeft om een deskundigenoordeel of herziening aan te vragen. Zij wil wel met [verweerder] in gesprek. Als [verweerder] het prettiger vindt dat [D] niet direct betrokken is bij het gesprek, dan is het mogelijk om een onafhankelijke derde in te schakelen voor begeleiding of bemiddeling.
2.13
Op 3 juli 2026 geeft [verweerder] aan dat ze niet tevreden is over de klachtafhandeling van [bedrijf] en dat ze hiertegen in bezwaar is gegaan. Volgens [verweerder] betekent dit dat zolang dit traject nog loopt, het advies van 14 mei 2025 niet als leidend of definitief kan worden beschouwd.
2.14
Op 3 juli bericht [verzoeker] dat zolang er geen second opinion ligt het advies van 14 mei 2025 leidend is, maar dat ze voor dat moment [verweerder] de ruimte geeft om de klachtenprocedure bij de arbodienst voort te zetten. Na de zomer zullen ze mediation starten tenzij er voor die tijd een herzien medisch oordeel komt waaruit blijkt dat dit niet mogelijk is.
2.15
Op 7 juli 2025 bericht [verweerder] aan [verzoeker] dat het medisch advies niet leidend kan zijn omdat er bezwaar tegen is gemaakt. [verweerder] wil van [verzoeker] horen dat het medisch advies niet als bindend wordt aangemerkt en als [verzoeker] toch voortbouwt op dit advies zij dat niet alleen onzorgvuldig acht, maar ook onrechtmatig. De stap naar mediation is voor [verweerder] onduidelijk en dit kan nu er een bezwaar loopt geen oplossing bieden. Mediation zonder voorafgaande afhandeling van het bezwaar is onzorgvuldig, onjuist en onwenselijk. [verweerder] geeft aan dat zij ervoor heeft gekozen het second opinion-traject via [bedrijf] Adbodiensten alsnog te volgen. Zij is uitgenodigd voor een gesprek met als doel om het second opinion traject op te starten en haar klacht te bespreken, maar heeft duidelijk gemaakt dat dit gesprek pas kan plaatsvinden als op haar bezwaar is geoordeeld. Zij zal niet deelnemen aan overleg of voorstellen die gebaseerd zij op het advies van 14 mei 2025.
2.16
Op 5 augustus 2025 bericht [E] met betrekking tot de klacht begeleiding [bedrijf] Arbodienst aan [verweerder] onder meer:
“Wij merken dat er rondom het second opinion wat misverstanden zijn ontstaan.
In onze brief van 26 mei jl. hebben wij u laten weten dat er een second opinion kan worden aangebracht die uitgevoerd wordt door een bedrijfsarts die niet verbonden is aan [bedrijf] . De aanvraag voor het second opinion dient te verlopen via de (bedrijfs)arts die de verzuimbegeleiding heeft uitgevoerd.
In reactie hierop heeft u in uw email van 27 mei jl. laten weten dat u het traject van een second opinion wilde laten verlopen via UWV in de vorm van een deskundigenoordeel. Hieruit hebben wij afgeleid dat u niet langer een second opinion via de gangbare procedure wilde volgen.
In uw email van 6 juli jl. heeft u, zo hebben wij begrepen, aangegeven dat u alsnog een second opinion via de procedure bij [bedrijf] wilde. Om die reden hebben wij u ook uitgenodigd voor een gesprek met mevrouw [F] op 10 of 11 juli. Wellicht is er het misverstand ontstaan dat mevrouw [F] zelf het second opinion zou uitvoeren maar dat is niet het geval. Zij wilde enkel met u de second opinion procedure doorlopen zodat een bedrijfsarts van buiten [bedrijf] de second opinion kon gaan uitvoeren.
Tot slot hebben wij u uitgenodigd voor een (digitaal) gesprek met mevrouw [F] en mevrouw [A] op 31 juli 2025 om de second opinion in gang te zetten. Uw advocaat heeft per email van 29 en 30 juli 2025 laten weten dat u daar niet aan mee zal werken. Ondanks de toelichting van onze advocaat in zijn email van 30 juli 2025 bent u niet verschenen op het digitale spreekuur. Helaas kunnen wij daarom de second opinion niet in gang zetten.
(…)
Aangezien u hebt aangegeven dat u weinig vertrouwen meer heeft in mevrouw [A] lijkt het ons verstandig dat de verzuimbegeleiding zo spoedig mogelijk door een andere (bedrijfs)arts binnen [bedrijf] wordt overgenomen. Vanuit [bedrijf] willen wij graag met u meedenken en bijvoorbeeld met u bespreken welke (bedrijfs)arts de begeleiding kan overnemen. Tot die tijd zal de verzuimbegeleiding worden voortgezet door mevrouw [A] en haar supervisor. Mocht u enkel nog begeleid willen worden door de supervisor, dan is dat uiteraard ook mogelijk. Begeleiding door een andere bedrijfsarts die niet verbonden is aan [bedrijf] dient u echter met uw werkgever te bespreken.”
2.17
Op 6 augustus 2025 bericht mr. Van Gassen namens [verweerder] dat er een schriftelijke reactie van [bedrijf] is. Zij doet een beroep op de uitkomst van de klachtenbehandeling zonder de schriftelijke uitkomst bij te voegen. Verder bericht zij dat [bedrijf] heeft aangegeven dat: “
Begeleiding door een bedrijfsarts die niet verbonden is aan [bedrijf] dient u echter met uw werkgever te bespreken.” Namens [verweerder] worden twee onafhankelijke artsen van de landelijke lijst van second opinion bedrijfsartsen voorgesteld, te weten Drs. [G] en dr. [H] . Van Gassen verzoekt om instemming met de inzet van een van deze twee artsen.
2.18
Op 26 augustus 2025 bericht de gemachtigde van [verzoeker] aan [verweerder] dat zij recht heeft op een second opinion en dat die mogelijkheid is opgenomen in het contract dat [verzoeker] heeft met [bedrijf] . Het arbeidsomstandighedenbesluit schrijft voor dat de second opinion bedrijfsarts niet werkzaam is binnen de arbodienst of het bedrijf of de inrichting waarin de bedrijfsarts, die het eerste advies aan de werknemer heeft gegeven. In overeenstemming tussen de werknemer en de werkgever kan gekozen worden voor een te raadplegen bedrijfsarts of arbodienst die niet in de overeenkomst is opgenomen. [verzoeker] ziet geen reden om af te wijken van de gebruikelijke beschikbare second opinion artsen. Dat [verweerder] geen vertrouwen heeft in [bedrijf] maakt niet dat zij geen vertrouwen kan hebben in een andere onafhankelijke bedrijfsarts die niet aan [bedrijf] is verbonden.
2.19
Op 29 augustus 2026 ontvangt [verzoeker] een klachtbrief van [verweerder] . [verweerder] stelt dat het vertrouwen in [bedrijf] volledig en onherstelbaar is verloren en dat [verzoeker] haar zorgplicht heeft geschonden. Verder beschuldigd [verweerder] [verzoeker] van het negeren van signalen, psychische belasting en framing. Verder verzoekt [verweerder] [verzoeker] om de belemmering voor een second opinion te beëindigen.
2.2
Op 2 september 2025 bericht [verzoeker] aan [verweerder] dat zij recht heeft op een second opinion en dat [verzoeker] haar dat recht nooit heeft ontzegd. Ook gaat [verzoeker] ermee akkoord dat [verweerder] een second opinion aanvraagt bij een van de eerder door haar voorgestelde artsen. Uit artikel 2.14d van het arbeidsomstandighedenbesluit volgt dat dit via de eerste bedrijfsarts moet lopen. [verzoeker] voegt de procedure voor het aanvragen van de second opinion bij. [verzoeker] heeft geprobeerd naar het laatste oordeel van de bedrijfsarts te handelen maar [verweerder] gaf hier geen gehoor aan.
2.21
Op 5 september 2025 schrijft [verweerder] aan [verzoeker] dat [verzoeker] moet waarborgen dat zij gebruik kan maken van haar recht op een second opinion, dat zij sinds 4 juni 2025 heeft verzocht om een second opinion, dat dit zowel door [bedrijf] als HR herhaaldelijk wordt geblokkeerd of genegeerd, dit is [verzoeker] tuchtrechtelijk verwijtbaar, dat zij bezwaar heeft ingediend tegen het advies van 14 mei 2025 en dit daarom nooit leidend kan zijn en dit voor [verweerder] voelt als framing en druk, dat de vertraging voor het aanvragen van een second opinion niet bij haar ligt, dat HR niet neutraal handelt en dat zij het in het kader van de eerstejaarsevaluatie UWV het niet verantwoord vindt om fysiek of telefonisch deel te nemen aan een evaluatiegesprek met vertegenwoordigers van [bedrijf] of [verzoeker] , zolang niet op haar bezwaar is geoordeeld. [verweerder] wil alsnog een bevestiging dat haar recht op een second opinion zonder voorwaarden en zonder beïnvloeding wordt uitgevoerd.
2.22
Op 17 september 2025 bericht [verweerder] naar aanleiding van contact tussen de beide gemachtigden van partijen dat zij daarvoor geen toestemming heeft gegeven en het second opinion-traject uitsluitend mag worden voortgezet nadat zij schriftelijk antwoord heeft ontvangen op vragen en voorwaarden genoemd in haar brief van 5 september 2025 en zij expliciet en schriftelijk instemt met de vervolgstappen.
2.23
Op 18 september 2025 bericht [bedrijf] aan [verweerder] dat door haar geen second opinion wordt geweigerd, maar dat [verweerder] het niet eens is met de procedure die daarbij hoort en zelf steeds weigert een second opinion te laten uitvoeren.
2.24
Op 19 september 2025 bericht [verzoeker] aan [verweerder] dat zij contact heeft gehad met [bedrijf] en dat [verweerder] samen met de bedrijfsarts van [bedrijf] een second opinion moet aanvragen. Wel zegt [verzoeker] toe dat een andere bedrijfsarts van [bedrijf] de aanvraag met [verweerder] zal doen. Omdat het ruim vier maanden na 14 mei 2025 is en dat oordeel inmiddels is achterhaald, geeft [verzoeker] aan dat [verweerder] een nieuwe oproep voor een spreekuur bij de bedrijfsarts zal ontvangen.
2.25
Op 22 september 2025 bericht [verweerder] dat zij niet zal meewerken aan een nieuw oordeel. Zij wil eerst een onafhankelijk georganiseerde second opinion zonder bemoeienis van [bedrijf] .
2.26
Op 22 september 2025 bericht [verzoeker] aan [verweerder] dat het second opiniontraject naast het nieuwe spreekuur kan verlopen. [verzoeker] zal [verweerder] laten oproepen voor een nieuw spreekuur bij een andere bedrijfsarts van [bedrijf] . Als [verweerder] niet meewerkt wordt dit gezien als het niet meewerken aan de re-integratie en zal [verzoeker] het loon opschorten. Gelet op de opstelling en beschuldigingen van [verweerder] aan [verzoeker] maakt [verzoeker] op dat [verweerder] geen vertrouwen meer heeft in [verzoeker] . Voordat re-integratie binnen [verzoeker] mogelijk is zal dit vertrouwen eerst moeten worden hersteld.
2.27
Op 23 september 2025 roept [bedrijf] [verweerder] op te verschijnen op het digitale spreekuur van bedrijfsarts Tjia op 25 september 2025 om 9.00 uur.
2.28
[verweerder] verschijnt niet op het spreekuur. De digitale uitnodiging is op 23 september 2025 om 12.38 uur aan haar verzonden. Omdat afmelden uiterlijk kan plaatsvinden 48 uur voor het spreekuur is [verweerder] van mening dat de oproep onuitvoerbaar en onzorgvuldig is. [verweerder] is niet op het spreekuur van 25 september 2025 verschenen.
2.29
Met ingang van 2 oktober 2025 heeft [verzoeker] de loonbetaling aan [verweerder] opgeschort.
2.3
Op 2 oktober 2025 richt [verweerder] zich tot de bestuurder en de Raad van Toezicht van [verzoeker] en beklaagt zich erover dat haar recht op een second opinion wordt ontzegd en dat haar loon is opgeschort.
2.31
Op 9 oktober 2025 geeft [verweerder] geen gehoor aan de oproep om te verschijnen bij de bedrijfsarts.
2.32
Op 30 oktober 2025 bericht de bestuurder van [verzoeker] dat het standpunt van [verweerder] duidelijk is en dat het loon opgeschort zal blijven tot [verweerder] gehoor geeft aan de oproep om bij de bedrijfsarts te verschijnen.
2.33
Op 6 november 2025 verschijnt [verweerder] samen met haar moeder op het digitale spreekuur van bedrijfsarts Tjia. De bedrijfsarts geeft aan [verzoeker] aan dat hij geen beoordeling heeft kunnen doen over de belastbaarheid van [verweerder] . Mondeling verklaart hij aan [verzoeker] dat de digitale verbinding na 20 seconden is verbroken vanuit de zijde van [verweerder] met de mededing van de moeder van [verweerder] : ‘dit gaan we zo niet doen’. Verder heeft [verweerder] geen toestemming gegeven om medische gegevens op te vragen bij haar behandelaars.
2.34
Op 4 december 2025 bericht [verzoeker] aan [verweerder] dat zij toestemming dient te geven om de gegevens bij de behandelaars op te vragen en dat als zij wederom niet verschijnt bij een oproep van de bedrijfsarts of geen medewerking verleent zodat de bedrijfsarts een advies kan opstellen, dit gekwalificeerd wordt als het niet meewerken aan de re-integratie en zij de loonbetaling zullen staken. De loonopschorting wordt omgezet in een loonstaking.
2.35
Op 29 december 2025 geeft [verweerder] geen gehoor aan de oproep om te verschijnen bij de bedrijfsarts.
2.36
Op 31 december 2025 heeft [verweerder] de opleiding Ad PEP afgerond.
2.37
Op 16 januari 2026 heeft [verweerder] een nieuwe operatie ondergaan.
2.38
Op 2 maart 2025 geeft het UWV een deskundigenoordeel. De arbeidsdeskundige concludeert dat er geen oordeel kan worden afgegeven. In het oordeel staat onder meer:
Onderzoeksvraag
Zijn de re-integratie-inspanningen van de werknemer voldoende?
Antwoord
Er kan geen oordeel worden afgegeven aangaande de aanvraag op dd 18-12-2025
(…)
4. Beoordeling re-integratie inspanningen
Ondergetekende kan geen oordeel afgeven aangaande de vraagstelling op dd 18-12-2025 of werknemer voldoende inspanningen levert. Het is niet aan UWV om middels een deskundige oordeel aan waarheidsbevinding te doen aangaande of er nu wel of geen second opinion heeft plaatsgevonden en/of deze ook in een juiste setting heeft plaatsgevonden? Mevrouw heeft recht op een second opinion, dat kan bij dezelfde arbodienst wanneer de BA een Aios (in opleiding is) of als cliënt dat niet wil moet er een second opinion bij een onafhankelijke dienst gedaan worden.
Uit niets blijkt iets van communicatie over de second opinion en hoe klant dat gevraagd heeft. De informatie verstrekt door werkgever is dan ook onvoldoende om over te gaan tot een gefundeerd oordeel.
Inmiddels is er sprake van een conflict tussen werkgever en werknemer alwaar ook UWV zich verder niet in kan mengen.”
2.39
Op 8 mei 2026 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat [verweerder] geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering tot betaling van het loon.
2.4
Op 13 mei 2026 heeft op verzoek van [verweerder] een afspraak met de bedrijfsarts plaatsgevonden. De bedrijfsarts heeft geadviseerd een arbeidsdeskundigenonderzoek op basis van het inzetbaarheidsprofiel te doen en geoordeeld dat er geen mogelijkheden zijn ten aanzien van werk.

3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1
[verzoeker] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair vanwege verwijtbaar handelen, subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding en meer subsidiair vanwege combinatie van beide. [verzoeker] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat [verweerder] weigert om de bedrijfsarts te bezoeken en om hem toestemming te verlenen om contact op te nemen met haar behandelaars. [verweerder] verwijt [verzoeker] slecht werkgeverschap en wil niet met [verzoeker] in gesprek. [verweerder] onderneemt geen poging om de arbeidsrelatie te herstellen. De arbeidsverhouding is verstoord. De twee gronden tezamen maken ook dat van [verzoeker] niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten.
3.2
[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [verweerder] voert aan – samengevat – dat het verzoek van [verweerder] om een second opinion door [verweerder] maandenlang is genegeerd. Door de wijze van bejegening heeft [verweerder] het vertrouwen in de bedrijfsarts verloren. [verweerder] mocht van [verzoeker] interventie verwachten. Dat heeft [verzoeker] niet gedaan. [verzoeker] heeft in strijd met de normen van goedwerkgeverschap het loon opgeschort en gestaakt. [verweerder] is ziek en [verzoeker] beschikt niet over een deskundigenoordeel. [verweerder] heeft een tegenverzoek gedaan. [verweerder] verzoekt veroordeling van [verzoeker] tot betaling van het loon vanaf oktober 2025.

4.De beoordeling van het verzoek

4.1
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
4.2
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [1] Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. [2]
4.3
De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond is voor ontbinding. Dat wordt als volgt toegelicht.
Verwijtbaar handelen
4.4
[verzoeker] stelt primair dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] , waardoor het niet redelijk is om de arbeidsovereenkomst voort te laten duren (artikel 7:669 lid 3 onder Pro e BW). Volgens [verzoeker] komt [verweerder] zonder deugdelijke grond haar re-integratieverplichtingen niet na.
Wettelijk kader
4.5
Vast staat dat [verweerder] zich heeft ziekgemeld. In geval van ziekte van de werknemer rusten op zowel de werkgever als de werknemer wettelijke re-integratieverplichtingen. Op grond van artikel 7:658a BW is de werkgever, in geval de werknemer ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, verplicht maatregelen gericht op re-integratie te nemen. Anderzijds is de werknemer op grond van artikel 7:660a BW gehouden om inspanningen te verrichten ten behoeve van zijn re-integratie. Zo dient zij gevolg te geven aan de door de werkgever of een door haar aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan de door de werkgever of een door haar aangewezen deskundige getroffen maatregelen. Ook dient zij haar medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak en passende arbeid te verrichten waartoe de werkgever hem in de gelegenheid stelt.
4.6
Indien de werknemer haar re-integratieverplichtingen als bedoeld in artikel 7:660a BW zonder deugdelijke grond niet nakomt, kan dat verwijtbaar handelen of nalaten in de zin van artikel 7:669 lid 3 onder Pro e BW opleveren. Daarbij geldt het juridisch kader van artikel 7:671b lid 5 BW. Hierin is bepaald dat de kantonrechter het verzoek om ontbinding op de
e-grond in verband met het niet nakomen van re-integratieverplichtingen door de werknemer afwijst, indien: a) de werkgever de werknemer niet eerst schriftelijk heeft gemaand tot nakoming van die verplichtingen of om die reden de betaling van het loon heeft gestaakt en b) de werkgever niet beschikt over een deskundigenverklaring als bedoeld in artikel 7:629a BW, tenzij dit in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd.
[verweerder] heeft niet zodanig niet meegewerkt aan redelijke voorschriften of maatregelen in het kader van haar re-integratie dat dit moet leiden tot ontbinding
4.7
De vraag die de kantonrechter moet beantwoorden is dus of sprake is geweest van het niet meewerken aan redelijke voorschriften of maatregelen in het kader van de re-integratie door [verweerder] . Volgens [verzoeker] heeft zij [verweerder] alle mogelijkheden gegeven om gehoor te geven aan de oproepen om te verschijnen bij de bedrijfsarts. In juni 2025 is de afspraak met de bedrijfsarts geannuleerd omdat er nog geen duidelijkheid was over de aangevraagde second opinion. In beginsel schort de second opinion de re-integratieverplichtingen niet op, maar uit praktische overweging is [verzoeker] hier wel in meegegaan. Eind september 2025 is [verweerder] wederom opgeroepen om bij de bedrijfsarts te verschijnen met de waarschuwing dat het loon opgeschort zou worden als zij niet verschijnt. Op 25 september 2025 is [verweerder] niet verschenen omdat de oproep binnen 48 uur is gedaan en op 9 oktober 2025 is [verweerder] niet verschenen. Op 6 november 2025 is [verweerder] maar 20 seconden verschenen. Dit heeft erin geresulteerd dat de bedrijfsarts geen belastbaarheid kon vaststellen. Op 29 december 2025 verschijnt [verweerder] wederom niet, ditmaal omdat ze eerst haar psycholoog gezien wil hebben. Door de opstelling van [verweerder] ligt de re-integratie al ruim 10 maanden stil. [verweerder] stelt ten onrechte dat haar het recht op een second opinion wordt ontzegd. [verzoeker] is [verweerder] tegemoetgekomen door met [bedrijf] af te stemmen dat [verweerder] door een andere arts zou worden gezien. [verweerder] wil niets met [bedrijf] te maken hebben vanwege een vertrouwensbreuk. Als daar al sprake van is dan dient dit voor rekening en risico van [verweerder] te komen, aldus [verzoeker] . Ook geeft zij de bedrijfsarts geen toestemming om contact op te nemen met haar behandelaars. [verzoeker] heeft [verweerder] eerst gewaarschuwd, vervolgens heeft zij het loon opgeschort en daarna stopgezet.
4.8
Uit de door [verzoeker] geschetste feitelijke gang van zaken volgt dat [verweerder] niet voldoende heeft meegewerkt aan haar re-integratie door niet op spreekuren van de bedrijfsarts te verschijnen. Dat had [verweerder] wel moeten doen. Door niet mee te werken heeft de bedrijfsarts de belastbaarheid van [verweerder] niet kunnen vaststellen terwijl [verweerder] wel, zij het met een aangepast schema, haar opleiding heeft kunnen afronden. Een zieke werknemer dient gehoor te geven aan een oproep van de bedrijfsarts. [verzoeker] had geregeld dat [verweerder] werd gezien door een andere bedrijfsarts, weliswaar een van [bedrijf] . [verzoeker] is daarmee voldoende tegemoetgekomen aan de bezwaren van [verweerder] . [verzoeker] mocht verwachten dat [verweerder] op de afspraken met de bedrijfsartsen verscheen. Waar het wantrouwen van [verweerder] tegen alle bedrijfsartsen van [bedrijf] vandaan komt is niet duidelijk geworden. [verzoeker] heeft voldoende uiteengezet dat zij verbonden is aan [bedrijf] en niet zomaar zonder enige onderbouwing een hele andere arbodienst kan contracteren voor één medewerker. De kantonrechter volgt [verweerder] ook niet in haar stelling dat [verzoeker] haar heeft onthouden van een second opinion. [verzoeker] heeft steeds aangegeven hoe [verweerder] dat diende aan te vragen, dit stond ook in de brieven van de bedrijfsarts en in latere brieven van [verzoeker] heeft zij dit omschreven, maar [verweerder] wilde kennelijk dat [verzoeker] dit zou regelen. [verweerder] wilde de regie. Van het onthouden van de mogelijkheid tot het aanvragen van een second opinion is niet gebleken.
4.9
Dat [verweerder] de oproep op om 25 september 2025 om 9.00 uur te verschijnen heeft afgezegd, omdat de oproep niet 48 uur tevoren is verstuurd (zij heeft deze op 23 september 2025 om 12.38 uur ontvangen), deze niet haalbaar is en zij daarom geen gehoor kan geven aan deze oproep, is niet voldoende. [verweerder] heeft geen (gegronde) reden aangegeven waarom zij niet op het spreekuur aanwezig kon zijn. Op 9 oktober 2025 verschijnt zij in het geheel niet op het spreekuur. Of [verweerder] op de afspraak van 6 november 2025 20 seconden is verschenen, zoals [verzoeker] stelt, of 4 minuten, zoals [verweerder] stelt, kan in het midden blijven. Vast staat dat de bedrijfsarts geen belastbaarheid heeft kunnen vaststellen omdat op enig moment in ieder geval de verbinding is verbroken. Op 29 december 2025 verschijnt [verweerder] wederom niet. Ditmaal omdat zij haar psycholoog eerst wil raadplegen. Pas na de kortgedingprocedure tot doorbetaling van het loon, heeft [verweerder] verzocht om een afspraak bij de bedrijfsarts en is daar op 13 mei 2026 verschenen. [verzoeker] heeft [verweerder] schriftelijk gewaarschuwd, zij heeft het loon opgeschort en vervolgens stopgezet. De conclusie is dan ook dat [verweerder] haar reintegratieverplichtingen in onvoldoende mate is nagekomen.
4.1
Desondanks is de weigerachtige houding van [verweerder] naar het oordeel van de kantonrechter echter onvoldoende om zonder meer over te gaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Duidelijk is dat bij [verweerder] verwarring bestond over het al dan niet moeten meewerken aan het verschijnen bij de bedrijfsarts. [verweerder] had immers een klacht ingediend om niet langer door bedrijfsarts [A] gezien te worden en had bezwaar tegen het oordeel van de bedrijfsarts van 14 mei 2025. Voor [verweerder] was niet voldoende duidelijk hoe te handelen nadat zij een klacht had ingediend over de bedrijfsarts en [bedrijf] . De kantonrechter begrijpt dat bij [verweerder] de indruk bestond dat eerst haar klacht moest worden afgehandeld voordat van haar verwacht kon worden dat zij verdere medewerking zou verlenen aan een second opinion of een nieuw bezoek aan de bedrijfsarts. Zij wilde een deskundigenoordeel van het UWV, maar omdat dat te veel tijd in beslag zou nemen wilde zij toch een second opinion. De gevraagde toestemming om het medische dossier bij de huisarts van [verweerder] op te vragen heeft zij geweigerd omdat zij was ontdaan over de wijze waarop [A] zich tegenover haar had gedragen. Zij had geen vertrouwen in [A] als bedrijfsarts. Door Prevermo is aan haar bericht dat kon worden meegedacht over welke bedrijfsarts de begeleiding over kon nemen, maar dat tot die tijd de verzuimbegeleiding door [A] en haar supervisor zou plaatsvinden. Een bedrijfsarts niet verbonden aan [bedrijf] zou [verweerder] bovendien met haar werkgever moeten bespreken. Door Prevermo is verder op meerdere punten excuses aangeboden, waaronder de wijze waarop de klachtprocedure is verlopen en de wijze waarop de communicatie heeft plaatsgevonden. Een en ander leidde (kennelijk) tot een blokkade bij [verweerder] om wel de juiste stappen te zetten.
4.11
Gelet hierop en de brief van Prevermo waarin staat dat als [verweerder] een bedrijfsarts wil die niet verbonden is aan [bedrijf] , [verzoeker] dit moet regelen, is de kantonrechter van oordeel dat dit [verweerder] niet dusdanig verwijtbaar is dat dit moet leiden tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Alhoewel [verzoeker] van de inhoud van de brief van Prevermo weliswaar niet eerder dan tijdens de kortgedingprocedure op de hoogte was, was wel duidelijk dat er verwarring bij [verweerder] heerste. [verzoeker] heeft [verweerder] slechts het spoorboekje van de te volgen route voorgehouden met betrekking tot de second opinion, verwezen naar het arbeidsomstandighedenbesluit en weliswaar (uiteindelijk) ook een andere bedrijfsarts geregeld waar [verweerder] de second opinion kon aanvragen, maar dat is onvoldoende. Rekening houdend met de jonge leeftijd van [verweerder] , haar medische situatie en de lopende klachtprocedure tegen [bedrijf] had van [verzoeker] meer verwacht mogen worden in de begeleiding van [verweerder] om bij te dragen aan het slagen van een second opinion en de verdere reintegratie. [verzoeker] had een meer coördinerende rol op zich kunnen en moeten nemen.
Er is sprake van een verstoorde verhouding
4.12
[verzoeker] beroept zich in de tweede plaats op de g-grond. Daarvoor is samengevat vereist dat er een verstoorde arbeidsverhouding is waardoor het niet redelijk is dat de werkgever de arbeidsovereenkomst moet laten voortduren (artikel 7:669 lid 3 onder Pro g BW).
Wettelijke kader
4.13
Bij een beroep op een verstoorde arbeidsverhouding als ontbindingsgrond dient beoordeeld te worden of er sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, die van dien aard is dat van de werkgever in redelijkheid niet langer te vergen is dat hij het dienstverband continueert [3] . De kantonrechter moet aan de hand van gesubstantieerde feiten en omstandigheden kunnen vaststellen dát er sprake is van een zodanig zware en duurzame verstoring van de arbeidsverhouding dat geen objectiveerbare termen aanwezig zijn om aan te nemen dat de arbeidsverhouding kan worden voortgezet.
Vervolgens moet de kantonrechter blijken dat de werkgever zich reëel, redelijk en concreet heeft ingespannen om de (vermeende) verstoring van de arbeidsverhouding te herstellen, maar dat deze inspanning geen resultaat opgeleverd heeft. Niet vereist is dat sprake is van enige mate van verwijtbaarheid aan de zijde van de werknemer. De omstandigheid dat de werkgever van het ontstaan of voortbestaan van de verstoring in de arbeidsverhouding een verwijt kan worden gemaakt, staat op zichzelf evenmin aan ontbinding op de g-grond in de weg (Hoge Raad 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:220).
4.14
Gelet op de communicatie en houding van [verweerder] is de kantonrechter van oordeel dat de arbeidsverhouding duurzaam en ernstig is verstoord. Dit volgt enerzijds uit het feit dat, zoals hierboven is geoordeeld, [verweerder] onvoldoende aan haar reintegratieverplichtingen heeft voldaan en anderzijds uit de wijze waarop [verweerder] haar werkgever heeft bejegend. De brieven van [verweerder] aan [verzoeker] zijn steeds zeer omvangrijk. [verweerder] beschuldigt [verzoeker] ervan dat zij haar zorgplicht heeft geschonden en signalen negeert. Haar handelen leidt tot psychische belasting en sprake is van framing. Verder verzoekt [verweerder] [verzoeker] om de belemmering voor een second opinion te beëindigen. [verweerder] verwijt [verzoeker] het handelen van HR en dat de second opinion door HR wordt geblokkeerd. [verzoeker] wil geen second opinion toestaan, maar slechts een schijnconstructie. Door het handelen van [verzoeker] leidt [verweerder] gezondheidsschade. [verweerder] houdt [verzoeker] aansprakelijk en wil dat [verzoeker] stopt met spelletjes spelen (zie onder andere hiervoor onder 2.19 en 2.21). [verweerder] richt zich ook tot de Raad van Toezicht van [verzoeker] en maakt [verzoeker] het verwijt van misbruik van bevoegdheid. Zelfs ter zitting verwijt [verweerder] [verzoeker] dat van [verzoeker] verwacht had mogen worden dat zij de toon van de correspondentie met [verweerder] had gematigd. Uit de brieven van [verweerder] blijkt duidelijk dat [verweerder] [verzoeker] tal van verwijten maakt, dat er sprake zou zijn van manipulatie en ondermijning van vertrouwen. Van die verwijten is evenwel onvoldoende gebleken.
4.15
Op 27 juni 2025 geeft [verzoeker] aan in gesprek te willen en op 3 juli 2025 geeft zij aan na de zomer te willen starten met mediation. [verweerder] gaat hier niet op in. Anders dan [verweerder] meent, blijft het advies van de bedrijfsarts van 14 mei 2025 leidend zolang er geen herziening ligt. [verweerder] werd in staat geacht een gesprek met [verzoeker] te voeren. Door dat niet te doen, maar juist de strijd op te zoeken heeft [verweerder] zich niet redelijk en constructief opgesteld. Op 22 september 2025 heeft [verzoeker] [verweerder] al bericht dat gelet op de beschuldigingen van [verweerder] aan [verzoeker] , zij opmaakt dat [verweerder] geen vertrouwen meer in haar heeft. Voordat re-integratie binnen [verzoeker] mogelijk is zal dit vertrouwen volgens [verzoeker] eerst moeten worden hersteld.
4.16
Uit het beginsel van goed werkgever- en goed werknemerschap vloeit voort dat beide partijen zich op een redelijke manier moeten inspannen om met elkaar in gesprek te blijven/komen om gerezen meningsverschillen op te lossen. Daarbij geldt een aanwijzingsbevoegdheid van de werkgever die de werknemer dient te respecteren en te volgen. [verweerder] wilde echter zelf de regie houden.
4.17
Door de weigerachtige houding van [verweerder] om in gesprek te gaan met [verzoeker] , voldoende medewerking te verlenen aan de bedrijfsarts en het uitblijven van een second opinion terwijl zij door [verzoeker] steeds is gewezen op de wijze waarop [verweerder] deze moest aanvragen, is een onwerkbare situatie ontstaan. Dit in combinatie met de omvangrijke correspondentie vol verwijten van [verweerder] maken naar het oordeel van de kantonrechter dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie. Ook ter zitting is gebleken dat het [verweerder] aan zelfinzicht ontbreekt en zij niet in staat is haar eigen rol kritisch te bezien, maar slechts blijft vasthouden aan haar eigen gelijk. Van [verzoeker] kan in redelijkheid niet langer worden gevergd dat zij het dienstverband met [verweerder] voortzet.
4.18
Het opzegverbod wegens ziekte staat niet aan ontbinding in de weg omdat het verzoek geen verband houdt met de omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft.
Herplaatsing ligt niet in de rede
4.19
Herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn ligt niet in de rede. [verweerder] heeft zich niet alleen beperkt tot HR, maar ook de Raad van Toezicht erbij betrokken. Er zit een grote mate van wantrouwen bij [verweerder] richting [verzoeker] . Niet valt te verwachten dat dit op een andere locatie van [verzoeker] ineens zal veranderen.
Conclusie
4.2
Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat wel sprake is van een redelijke grond voor opzegging, en daarmee voor ontbinding, van de arbeidsovereenkomst van partijen.
Datum ontbinding
4.21
Nu het verzoek tot ontbinding wordt ingewilligd, dient het einde van de arbeidsovereenkomst te worden bepaald.
4.22
[verzoeker] heeft zich op het standpunt gesteld dat de opzegtermijn niet in acht hoeft te worden genomen omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] . [verzoeker] beroept zich hierbij op artikel 7:671b lid 9 sub b BW
4.23
Alhoewel [verweerder] een groot aandeel heeft gehad in de verstoring, en de ontstane situatie in overwegende mate aan [verweerder] is te wijten, zijn haar gedragingen niet van zodanige ernstige aard dat sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [verweerder] . [verweerder] heeft weliswaar met haar wijze van corresponderen de verhoudingen op scherp gezet, maar niet is gebleken dat zij dit heeft gedaan uit kwade wil. Daaraan ligt eerder verwarring over de afhandeling van haar klacht en het second opinion traject ten grondslag, waarin zij is blijven vastzitten. Dat is verwijtbaar, maar niet ernstig verwijtbaar.
4.24
Dat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] , heeft als gevolg dat bij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst de wettelijke opzegtermijn in acht moet worden genomen. De arbeidsovereenkomst zal daarom worden ontbonden met ingang van 1 september 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure. [4]
[verzoeker] moet de transitievergoeding betalen
4.25
[verweerder] heeft, voor het geval het verzoek wordt toegewezen, aanspraak gemaakt op de transitievergoeding.
4.26
Nu de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] zal aan [verweerder] , uitgaande van een ontbinding tegen 1 september 2026, een transitievergoeding worden toegekend ter hoogte van € 2.407,10. [5]
Geen termijn intrekken verzoek
4.27
[verzoeker] hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden. Hierom is ook niet verzocht.
[verzoeker] en [verweerder] moeten de eigen proceskosten betalen
4.28
De kantonrechter bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen. Dat betekent dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad
4.29
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv Pro).

5.De beoordeling van het tegenverzoek

5.1
[verweerder] verzoekt om de loonbetalingen met ingang van oktober 2025 te hervatten. Volgens [verweerder] zijn er geen of onvoldoende redenen geweest om de betalingen op te schorten en te staken.
Wettelijk kader
5.2
Op grond van artikel 7:629 lid 1 BW Pro heeft [verweerder] in principe recht op doorbetaling van haar loon tijdens ziekte. [verweerder] kan haar recht op loondoorbetaling tijdens ziekte verliezen als blijkt dat zij zonder deugdelijke grond heeft geweigerd mee te werken aan haar re-integratieverplichtingen (artikel 7:629 lid 3 BW Pro). Het niet voldoen aan de verplichting om een bedrijfsarts te bezoeken valt hieronder. De werkgever kan geen beroep doen op enige grond om de loonbetaling op te schorten en/of het loon stop te zetten als zij de werknemer daarvan geen kennis heeft gegeven onverwijld nadat zij het vermoeden van het bestaan daarvan heeft gekregen of redelijkerwijs had moeten krijgen. Daarbij is van belang dat de werkgever duidelijk maakt of het om stopzetten of opschorten van de loonbetaling gaat (Hof Leeuwarden, 29 maart 2011, LJN BQ0686).
[verzoeker] moet het loon over de periode 2 oktober tot 18 december 2025 alsnog betalen
5.3
Op 22 september 2025 bericht de gemachtigde van [verzoeker] [verweerder] dat zij gehoor moet geven aan de oproepen van de bedrijfsarts en dat het geen gehoor geven aan de oproepen wordt gezien als het niet meewerken aan haar re-integratie. [verzoeker] waarschuwt [verweerder] dat als zij geen gehoor geeft aan de oproep, [verzoeker] het loon zal opschorten volgens artikel 7:629 lid 6 BW Pro. Zoals hiervoor al vastgesteld verschijnt [verweerder] niet op het spreekuur van 23 september 2025. Zij heeft zich weliswaar afgemeld, maar zonder inhoudelijke reden. [verzoeker] heeft daarom het loon vanaf 2 oktober 2025 terecht opgeschort. [verzoeker] heeft [verweerder] meegedeeld dat het loon opgeschort zal blijven totdat zij is verschenen op een oproep van de bedrijfsarts en [verweerder] in de gelegenheid gesteld om op 9 oktober 2025 alsnog te verschijnen bij de bedrijfsarts en zo de loonopschorting ongedaan te maken. [verweerder] is desondanks niet verschenen.
5.4
Op 4 december 2025 bericht [verzoeker] aan [verweerder] dat de bedrijfsarts op 6 november 2025 niet heeft kunnen vaststellen of er sprake is van ziekte omdat [verweerder] slechts kort digitaal is verschenen. [verzoeker] houdt daarom het loon opgeschort. Ook zal zij [verweerder] opnieuw oproepen om te verschijnen bij de bedrijfsarts en merkt zij op dat [verweerder] moet meewerken aan het consult zodat de bedrijfsarts een gedegen advies kan afgeven. Als [verweerder] dat niet doet dan kwalificeert zij dit als het niet meewerken aan de re-integratie en zal de loonopschorting worden omgezet in een loonstaking. De kantonrechter begrijpt uit de brief van 4 december 2025 dat [verzoeker] de loondoorbetaling op grond van het niet verschijnen van [verweerder] bij de bedrijfsarts heeft willen staken vanaf de volgende oproep van de bedrijfsarts waar [verweerder] niet verschijnt, dat is 29 december 2025. De kantonrechter gaat uit van de tekst van de brief van 4 december 2025. Dat betekent dat het loon op grond van het niet verschijnen bij de bedrijfsarts van 2 oktober 2025 tot 29 december 2025 opgeschort is geweest. Deze opschorting was terecht omdat [verweerder] niet bij de bedrijfsarts is verschenen en [verzoeker] [verweerder] daarvoor heeft gewaarschuwd.
5.5
Vanaf 18 december 2025 is er echter al een loonstop van kracht. In haar brief van 4 december 2025 heeft [verzoeker] namelijk ook meegedeeld dat zij heeft vernomen dat de bedrijfsarts om toestemming heeft gevraagd om medische gegevens op te vragen en dat [verweerder] daarvoor geen toestemming heeft gegeven. Ook dit merkt [verzoeker] aan als het niet meewerken aan de re-integratie. Zij waarschuwt [verweerder] dat wanneer zij de bedrijfsarts geen toestemming geeft binnen twee weken, zij de loondoorbetaling zal staken. Het verzoek om een medische machtiging is een redelijk verzoek, evenals de machtiging tot mondeling opvragen van informatie (ECLI:NL:GHSHE:2015:554). Nu [verweerder] aan dit verzoek geen gehoor heeft gegeven en [verzoeker] [verweerder] heeft gewaarschuwd voor een loonstop, is de kantonrechter van oordeel dat er vanaf 18 december 2025 sprake is van een loonstop (4 december 2025 + twee weken).
5.6
[verweerder] is op 13 mei 2026 bij de bedrijfsarts verschenen en de bedrijfsarts heeft een inzetbaarheidsprofiel kunnen vaststellen. Het opschortingsrecht is bedoeld als drukmiddel om de werknemer alsnog te bewegen aan de controlevoorschriften te voldoen. Nu [verweerder] alsnog aan de controlevoorschriften heeft voldaan, heeft zij aanspraak op haar loon over de periode gedurende de periode welke betaling was opgeschort. Dat betekent dat de loonvordering van [verweerder] over de periode 2 oktober 2025 tot 18 december 2025 zal worden toegewezen, vermeerderd met de reservering vakantiebijslag en eindejaarsuitkering. Omdat de opschorting gerechtvaardigd was brengt dit mee dat [verzoeker] geen verhoging ex artikel 7:625 BW Pro of wettelijke rente verschuldigd is. Wel zal de kantonrechter de wettelijke rente toewijzen vanaf het moment dat [verweerder] aan de controlevoorschriften heeft voldaan, te weten 13 mei 2026.
[verzoeker] hoeft het loon over 18 december 2025 tot 13 mei 2026 niet te betalen
5.7
Door niet mee te werken aan de bezoeken aan de bedrijfsarts en geen toestemming te geven om medische gegevens op te vragen, gaf [verweerder] naar het oordeel van de kantonrechter geen uitvoering aan een redelijk verzoek in het kader van haar re-integratie. Het indienen van een klacht en het ervaren van wantrouwen tegenover bedrijfsarts [A] is geen reden om niet een andere bedrijfsarts van [bedrijf] te bezoeken. Dat geldt ook voor het eerst willen bezoeken van een psycholoog. Dit had [verweerder] eerder kunnen doen als zij van mening was dat dit ten goede zou komen aan het bezoek aan de bedrijfsarts. Zij was immers al sinds 14 mei 2025 niet meer door een bedrijfsarts gezien. Zelfs tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding over doorbetaling van loon heeft [verweerder] op vragen van de kantonrechter of zij naar de bedrijfsarts zou gaan, geantwoord dat zij niet wist wat zij moest doen omdat zij nog herstellende was. Pas na de kortgedingprocedure heeft zij op eigen verzoek op 13 mei 2026 de bedrijfsarts bezocht.
5.8
De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] daarmee onvoldoende heeft meegewerkt aan redelijke voorschriften of maatregelen in het kader van haar re-integratie. [verzoeker] heeft [verweerder] voldoende gewaarschuwd voor het opleggen van de loonstop. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de loonstop van [verzoeker] terecht is opgelegd. De vorderingen tot loondoorbetaling over de periode 18 december tot 13 mei 2026 en betaling van de vakantiebijslag, eindejaarsuitkering, wettelijke verhoging en wettelijke rente over het achterstallige loon, zullen daarom worden afgewezen.
[verzoeker] moet het loon vanaf 13 mei 2026 voldoen
5.9
Op 13 mei 2026 is [verweerder] verschenen bij de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft een belastbaarheidsprofiel kunnen opstellen en [verweerder] heeft toestemming gegeven om medische gegevens op te vragen. Ook is daar gebleken dat er geen mogelijkheden zijn ten aanzien van werk. Daarmee is de aanleiding voor de loonstop weggenomen en is [verzoeker] gehouden tot doorbetaling van het loon inclusief vakantiebijslag en eindejaarsuitkering. Voor toekenning van de wettelijke verhoging ziet de kantonrechter geen aanleiding. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid.
[verzoeker] moet bruto/netto specificaties overleggen
5.24.
[verweerder] heeft recht op de verzochte specificatie van de door haar te ontvangen bedragen, zodat dit verzoek zal worden toegewezen. Overigens is niet gesteld of gebleken dat [verzoeker] hieraan niet zal voldoen.
[verzoeker] en [verweerder] moeten de eigen proceskosten betalen
5.1
De kantonrechter bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen. Dat betekent dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad
5.11
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv Pro).

6.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
6.1
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 september 2026,
6.2
veroordeelt [verzoeker] om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 2.407,10 bruto,
op het tegenverzoek
6.3
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van het loon gebaseerd op een bedrag van € 2.070,60 bruto vanaf 2 oktober 2025 tot 18 december 2025, vermeerderd met de reservering vakantiebijslag, de eindejaarsuitkering en de wettelijke rente vanaf 13 mei 2026 tot de dag van volledige betaling,
6.4
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van het loon gebaseerd op een bedrag van € 2.166,00 bruto per maand vanaf 13 mei 2026 vermeerderd met de reservering vakantiebijslag, de eindejaarsuitkering en de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaar worden tot de dag van volledige betaling.
6.5
veroordeelt [verzoeker] om aan [verweerder] te verstrekken deugdelijke bruto/netto specificatie met betrekking tot de hiervoor genoemde bedragen,
op het verzoek en op het tegenverzoek
6.6
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
6.7
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [6] ,
6.8
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:669 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 7:669 lid 1 BW Pro.
3.Kamerstukken II, 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 46.
4.Artikel 7:671b lid 9, onder a, BW.
5.Artikel 7:673 lid 1 BW Pro
6.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.