Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
- i) [eiser] is op 8 april 2009 in dienst getreden bij [verweerster] , laatstelijk in de functie van IT-specialist. In deze functie is [eiser] verantwoordelijk voor het installeren, beheren, monitoren en onderhouden van ICT-omgevingen bij klanten.
- ii) Voordat hij in dienst trad bij [verweerster] , was [eiser] vanaf 1 mei 2003 werkzaam bij Digihuis.
- iii) In de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en [verweerster] is in art. 9 een Pro geheimhoudingsplicht opgenomen waarin, kort gezegd, staat dat de werknemer tijdens en na het dienstverband geheimhouding zal betrachten ten aanzien van hetgeen hem in het kader van de uitvoering van zijn werkzaamheden en daarna ter kennis is gekomen over de organisatie, de werkzaamheden, collega’s of relaties.
- iv) Eind 2013/begin 2014 is [eiser] van zijn functie als buitendienstmedewerker geplaatst in een functie bij de servicedesk. Deze wijziging had tot gevolg dat [eiser] niet langer kon beschikken over een auto van de zaak. [eiser] heeft hierover verschillende e-mailberichten geschreven aan zijn toenmalig leidinggevende. Het laatste bericht van de directeur van [verweerster] van 7 augustus 2014 luidde als volgt:
- ix) Op 21 juli 2016 heeft [verweerster] het functioneren en de werkhouding van [eiser] met hem besproken aan de hand van de voortgangsrapportage waarin (klachten over) het functioneren en de werkhouding van [eiser] zijn opgenomen. [eiser] is in de gelegenheid gesteld zijn functioneren binnen zes maanden te verbeteren aan de hand van een door [verweerster] opgesteld verbeterplan. Afgesproken is dat met ingang van 1 september 2016 iedere drie weken de voortgang van de verbeteringen wordt gemeten.
- x) Bij brief van 26 juli 2016 heeft [verweerster] de in het gesprek gemaakte afspraken aan [eiser] bevestigd. Verder is in de brief opgemerkt dat in het gesprek aan [eiser] is medegedeeld dat dit de laatste kans is zich te verbeteren en dat bij gebreke daarvan de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd.
- xi) Bij e-mail van 27 juli 2016 heeft [eiser] geschreven dat hij van mening is dat [verweerster] erop uit is de arbeidsovereenkomst met hem te beëindigen en dat er dus niet echt sprake is van een verbeterplan. [eiser] heeft daarom de mogelijkheid geopperd de arbeidsovereenkomst eventueel via een vaststellingsovereenkomst te beëindigen.
- xii) [verweerster] heeft in deze periode geconstateerd dat [eiser] meermaals bedrijfsinformatie naar zijn privé-e-mailadres heeft gezonden en deze e-mails vervolgens heeft verwijderd uit de ‘verzonden items’.
- xiii) [eiser] is direct met de bevindingen van [verweerster] geconfronteerd. In een brief van 26 juli 2016 heeft [verweerster] aan [eiser] laten weten dat hij heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in art. 9 en Pro 10 van de arbeidsovereenkomst; dat hij met de bevindingen van [verweerster] is geconfronteerd en om een reactie is gevraagd, maar dat [eiser] geen antwoord wilde geven en niet wilde ingaan op de constateringen van [verweerster] ; dat hij niet heeft ontkend (gevoelige) bedrijfsinformatie te hebben doorgestuurd aan zijn privé-e-mailadres en dat hij daarom met onmiddellijke ingang op non-actief wordt gezet.
- xiv) [eiser] heeft ontkend dat hij in overtreding is geweest en heeft zich op het standpunt gesteld dat de schorsing onrechtmatig is. Hij heeft verder verklaard documenten naar zichzelf te hebben gemaild ter voorbereiding op zijn verdediging in een ontslagprocedure.
- xv) Tijdens onderzoek is [verweerster] gebleken dat [eiser] jarenlang regelmatig diverse bestanden en e-mails heeft doorgestuurd naar zijn privé-e-mailadres. Hij heeft onder meer notulen van een vergadering van het team servicedesk, de omzetcijfers van het team diensten, het rapport inzake de jaarrekening 2011, een brief gericht aan een klant, klantgegevens uit 2009 en een bestand met de begroting voor de afdeling verkoop 2016 naar zijn privé-e-mailadres gestuurd.
- xvi) Na de beschikking van de kantonrechter in deze zaak (zie hierna in 3.2.2) heeft [verweerster] [eiser] vrijgesteld van werkzaamheden en hem de toegang tot de locaties en systemen van [verweerster] ontzegd.
Het onvoorwaardelijke tegenverzoek tot onmiddellijke opheffing van de schorsing heeft de kantonrechter toegewezen, evenwel zonder daaraan een dwangsom te verbinden. De overige tegenverzoeken heeft de kantonrechter afgewezen. De kantonrechter heeft zijn beschikking – voor zover nodig – uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Deze klacht faalt. Zoals is beslist in HR 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:1198 (Constar), moeten werkgeverswisselingen die hebben plaatsgevonden voor 1 juli 2015, ook in het kader van de transitievergoeding beoordeeld worden aan de hand van de onder het oude recht geldende maatstaf van het arrest van HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9603, NJ 2013/171 ( [A/B] ). Dat geldt derhalve ook in het onderhavige geval, waarin [eiser] van werkgever is gewisseld op 8 april 2009.
4.Beslissing
16 februari 2018.