ECLI:NL:RBMNE:2026:4243

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
11272891 \ UE VERZ 24-246
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 BWArt. 7:678 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging ontslag op staande voet wegens onvoldoende vastlegging bedrijfsautogebruik

Verzoekster werd op staande voet ontslagen door haar werkgever, een autoverhuur- en leasingbedrijf, vanwege het gebruik van meerdere bedrijfsauto's zonder toestemming. Verzoekster erkende het gebruik, inclusief een eenmalige privérit in een spoedgeval, maar betwistte dat zij wist dat dit in strijd was met het beleid. De werkgever stelde dat slechts toestemming was verleend voor een weekend en dat een streng beleid gold.

De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was, omdat onduidelijk bleef welke afspraken er precies waren gemaakt over het autogebruik en de werkgever dit niet schriftelijk had vastgelegd. Ook was het beleid niet kenbaar gemaakt en gold de strengheid van het beleid pas vanaf maart 2025, na het ontslag. De eenmalige privérit werd als een spoedgeval beoordeeld dat geen ontslag rechtvaardigde.

De arbeidsovereenkomst werd geacht voort te duren tot het rechtsgeldig einde per 1 september 2024, waarna de werkgever het loon over juli en augustus 2024 moest betalen met een wettelijke verhoging van 15%. Tevens werd de werkgever veroordeeld tot het verstrekken van correcte salarisstroken over deze maanden. Het tegenverzoek van de werkgever tot terugvordering van loon werd afgewezen. De proceskosten werden aan de werkgever opgelegd en de beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de werkgever wordt veroordeeld tot loonbetaling en verstrekking van salarisstroken.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 11272891 \ UE VERZ 24-246
Beschikking van 3 juli 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. J.W. Menkveld,
tegen
[verweerster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerster] ,
gemachtigde: mr. M. Lucassen.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 7
- de brief van 5 maart 2026 met aanvullende producties 8 tot en met 10 van [verzoekster]
- het verweerschrift, met een tegenverzoek, met producties 1 tot en met 9
- de mondelinge behandeling van 5 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van [verzoekster] .
1.2
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De kern van de zaak

2.1
[verweerster] heeft [verzoekster] op staande voet ontslagen. Zij werkte op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Volgens [verzoekster] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig en zij verzoekt daarom om vernietiging van het gegeven ontslag, doorbetaling van haar loon tot het rechtsgeldig einde van haar arbeidsovereenkomst en afgifte van correcte loonstroken. [verweerster] is van mening dat het ontslag op staande voet wel rechtsgeldig is gegeven en vraagt het door haar te veel betaalde loon aan [verzoekster] terug met rente. De kantonrechter wijst de verzoeken van [verzoekster] grotendeels toe en wijst het tegenverzoek van [verweerster] af.

3.De achtergrond van de zaak

3.1
[verzoekster] is sinds 20 september 2021 in dienst bij [verweerster] . [verweerster] is een autoverhuur- en leasingbedrijf. De arbeidsovereenkomst is twee keer voor bepaalde tijd verlengd. De laatste verlenging is aangegaan voor de periode 1 september 2023 tot en met 31 augustus 2024. De functie van [verzoekster] is [functienaam] met een loon van € 1.752,41 bruto per maand exclusief 8% vakantiegeld.
3.2
[verzoekster] heeft op 17 april 2024 een WhatsApp bericht gestuurd naar haar leidinggevende, mevrouw [persoon1] (hierna: [persoon1] ), dat haar auto ermee gestopt is en haar monteur pas over twee weken terug is. Zij geeft in dit WhatsApp bericht ook aan dat zij het aankomend weekend moet werken en de treinen dan niet zo vroeg rijden en vraagt of zij een auto van [verweerster] mag meenemen om heen en weer te pendelen. [verzoekster] en [persoon1] hebben vervolgens telefonisch contact gehad. [verzoekster] heeft toestemming gekregen om een auto van [verweerster] te gebruiken voor woon-werkverkeer. Op 21 juni 2024 is [verzoekster] aangesproken door de heer [persoon2] ( [functie] bij [verweerster] ) op het gebruik van auto’s van [verweerster] en is zij op non-actief gesteld. Na nader onderzoek door [verweerster] heeft er op 24 juni 2024 een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerster] en [verzoekster] waarna [verzoekster] per brief van 25 juni 2024 op staande voet is ontslagen. [verzoekster] heeft vervolgens (via haar gemachtigde) laten weten dat zij van mening is dat het ontslag op staande voet geen stand houdt. [verweerster] heeft daarop per brief van 26 juli 2024 laten weten dat zij de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege per 31 augustus 2024 eindigt in het geval op enig moment komt vast te staan dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven.
3.3
[verzoekster] heeft op 26 augustus 2024 een verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet ingediend en verzocht de mondelinge behandeling pas plaats te laten vinden wanneer de getuigen in het door haar gestarte voorlopig getuigenverhoor zouden zijn gehoord. Op 2 juli 2025 en 9 december 2025 zijn [verzoekster] , de heer [persoon3] en [persoon1] als getuigen gehoord en daarna heeft de mondelinge behandeling in deze procedure plaatsgevonden.

4.De beoordeling van het verzoek

4.1
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of [verweerster] moet worden veroordeeld tot betaling van loon tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.
Geen rechtsgeldig ontslag op staande voet
4.2
Een ontslag op staande voet is rechtsgeldig wanneer er een dringende reden is en de werkgever de arbeidsovereenkomst om die dringende reden onverwijld heeft opgezegd onder onverwijlde mededeling van die reden aan de werknemer. [1] Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Uit de wet volgt dat als dringende reden beschouwd worden zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. [2]
4.3
Bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende redenen sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij worden ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd, de aard en duur van het dienstverband, de wijze waarop de werknemer tijdens het dienstverband heeft gefunctioneerd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben, betrokken. Ook als zo’n ontslag grote gevolgen heeft voor de werknemer, kan dat ontslag toch gerechtvaardigd zijn, met name vanwege de aard en de ernst van de dringende reden.
4.4
[verzoekster] heeft aangevoerd dat er geen sprake is van een dringende reden voor een ontslag op staande voet. [verweerster] heeft in de brief van 25 juni 2024 aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd dat [verzoekster] :
  • in de periode tussen 19 april en 21 juni 2024 meerdere auto’s van [verweerster] heeft meegenomen zonder toestemming voor privégebruik en/of woon-werkverkeer
  • in de periode tussen 19 april en 21 juni 2024 meerdere auto’s van [verweerster] heeft meegenomen zonder toestemming voor privégebruik en/of woon-werkverkeer terwijl zij wist of had behoren te weten dat dit in strijd is met de geldende policyregels binnen [verweerster] .
De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op alle omstandigheden in deze zaak, het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven en licht dit als volgt toe.
4.5
Dat [verzoekster] in de periode tussen 19 april en 21 juni 2024 meerdere auto’s van [verweerster] heeft meegenomen voor woon-werkverkeer staat niet ter discussie. [verzoekster] heeft dit erkend. [verzoekster] heeft ook erkend dat zij in deze periode één keer een auto van [verweerster] voor privédoeleinden heeft gebruikt. Zij moest namelijk met haar dochter met spoed naar het ziekenhuis. Volgens [verzoekster] heeft zij [persoon1] hiervan wel op de hoogte gesteld, maar dit wordt door [verweerster] weersproken. Verder staat niet ter discussie dat [verzoekster] van [verweerster] toestemming had gekregen om een auto van [verweerster] te gebruiken in het weekend van 20 april 2024. Tussen partijen bestaat wel discussie of [verzoekster] na het weekend van 20 april 2024 ook toestemming had om auto’s van [verweerster] te gebruiken voor woon-werkverkeer. [verzoekster] betwist verder dat zij wist of behoorde te weten dat het gebruik van auto’s van [verweerster] in strijd was met de policy regels van [verweerster] .
4.6
[verzoekster] heeft aangevoerd dat zij auto’s van [verweerster] mocht gebruiken totdat haar eigen auto gerepareerd was. De kantonrechter merkt hierbij op dat [verzoekster] tijdens de mondelinge behandeling enigszins wisselend heeft geantwoord op de vraag van de kantonrechter wanneer haar auto was gerepareerd. De kantonrechter is van oordeel dat dit [verzoekster] niet aangerekend kan worden omdat dit feit zich geruime tijd terug heeft afgespeeld. Bovendien blijkt bij nadere lezing dat in het verzoekschrift staat dat de auto van [verzoekster] op 28 juni 2024 gerepareerd was en [verweerster] heeft dit niet weersproken en is ook niet nader ingegaan op dit standpunt van [verzoekster] . Nu deze datum na de datum van het ontslag op staande voet is gelegen, behoeft dit punt geen verdere bespreking meer.
4.7
Volgens [verweerster] mocht [verzoekster] alleen tijdens het weekend van 20 april 2024 een auto van [verweerster] gebruiken. [verweerster] heeft aangevoerd dat er door [persoon1] bij hoge uitzondering toestemming is verleend aan [verzoekster] om, enkel voor het weekend van 20 april 2026, een auto van [verweerster] te gebruiken voor woon-werkverkeer. [verweerster] heeft daarbij aangevoerd dat een [functienaam] geen recht heeft op een (bedrijfs)auto van [verweerster] omdat alleen medewerkers op managementniveau daar recht op hebben. Hiervoor heeft [verweerster] verwezen naar de ‘Company car regulation’. Volgens [verweerster] kon [verzoekster] wel een auto van [verweerster] huren tegen een gereduceerd (medewerkers)tarief, de zogenaamde ‘excitement rate’. [verweerster] heeft aangevoerd dat medewerkers hierop worden gewezen bij hun sollicitatie en indiensttreding en de excitement rate ook te vinden is op het intranet van [verweerster] .
4.8
Of de afspraak was dat [verzoekster] een auto van [verweerster] alleen mocht gebruiken voor het weekend van 20 april 2024 of dat [verzoekster] auto’s van [verweerster] mocht gebruiken zolang haar eigen auto niet gerepareerd was, kan de kantonrechter – ook na het lezen van het proces verbaal van de onder ede gehoorde getuigen- in rechte niet vaststellen. Dat geldt ook voor de discussie of [verzoekster] wel of niet aan [persoon1] heeft laten weten dat zij een auto van [verweerster] eenmalig heeft gebruikt voor een privérit. De door [verzoekster] en [persoon1] afgelegde verklaringen in het voorlopig getuigenverhoor over wat er tussen partijen is afgesproken, zijn tegenovergesteld aan elkaar. De verklaring tijdens het voorlopig getuigenverhoor van [persoon3] (een collega van [verzoekster] ) biedt ook onvoldoende duidelijkheid op dit punt. Dat er kennelijk onduidelijkheid is ontstaan over het – ook na het weekend van 20 april 2024- mogen gebruiken van auto’s van [verweerster] komt naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval voor rekening en risico van [verweerster] . Dat er sprake is van streng en kenbaar beleid dat hierop ziet, zoals [verweerster] heeft aangevoerd, volgt niet uit stukken die [verweerster] heeft overgelegd. De Company car regulation die [verweerster] heeft overgelegd ziet op een andere situatie dan de situatie van [verzoekster] . Bovendien staat bij de overgelegde regeling aangegeven dat deze geldig is vanaf maart 2025 en dat is ruim na datum ontslag op staande voet. Als [verweerster] een dergelijk streng beleid voerde of wilde voeren en het ging om de door haar aangevoerde hoge uitzondering dan had het naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van [verweerster] gelegen om deze hoge uitzondering ten aanzien van [verzoekster] helder op papier/digitaal vast te leggen. Dat is niet gebeurd.
4.9
Gelet op het voorgaande is enkel vast komen te staan dat [verzoekster] eenmalig een auto van [verweerster] heeft gebruikt voor privédoeleinden. Of [verzoekster] [verweerster] hiervan op de hoogte heeft gesteld is niet duidelijk geworden. Maar ook als dat niet het geval is, zou deze gedraging gelet op de omstandigheden niet een ontslag op staande voet rechtvaardigen; het ging immers om een eenmalig spoedgeval. Verder is niet vast komen te staan dat het voor [verzoekster] duidelijk had moeten zijn dat haar handelen een ontslag op staande voet zou opleveren. Ook is niet gesteld of gebleken dat [verzoekster] niet goed functioneerde of de relatie tussen [verzoekster] en [verweerster] niet goed was, zodat geen sprake was van de bekende druppel die de emmer deed overlopen. Alle voorgaande omstandigheden leiden tot de conclusie dat [verweerster] bij de ontdekking dat [verzoekster] ook na het weekend van 20 april 2024 auto’s van [verweerster] gebruikte voor woon-werkverkeer, niet het uiterste middel van een ontslag op staande voet had moeten gebruiken. Zij had moeten volstaan met een mindere sanctie (bijvoorbeeld het geven van een waarschuwing) en had daarnaast de mogelijkheid om de tijdelijke arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op te zeggen, danwel het naderende einde daarvan aan te zeggen. Het ontslag op staande voet is dus niet rechtsgeldig gegeven.
Of het ontslag al dan niet onverwijld is gegeven, zoals [verzoekster] heeft aangevoerd, hoeft niet meer besproken te worden.
4.1
Het verzoek van [verzoekster] tot vernietiging van het ontslag wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag niet rechtsgeldig is.
[verweerster] moet loon aan [verzoekster] betalen met gematigde wettelijke verhoging
4.11
[verzoekster] heeft recht op loon, omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst dus voortduurt. De vordering van [verzoekster] tot loonbetaling zal daarom eveneens worden toegewezen met inachtneming van het volgende. [verweerster] heeft per brief van 26 juli 2024 de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege per 31 augustus 2024 (voorwaardelijk) beëindigd, namelijk in het geval op enig moment komt vast te staan dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. De gestelde voorwaarde is vervuld en deze opzegging is rechtsgeldig en dat betekent dat de arbeidsovereenkomst tussen [verzoekster] en [verweerster] per 1 september 2024 is geëindigd.
4.12
[verzoekster] heeft in haar verzoekschrift aangevoerd dat [verweerster] over mei 2024 onvoldoende salaris heeft betaald. [verzoekster] heeft dit niet verder onderbouwd en [verweerster] heeft de salarisstrook voor mei 2024 overgelegd. De kantonrechter kan daaruit niet opmaken dat [verweerster] voor de maand mei 2024 onvoldoende salaris heeft betaald aan [verzoekster] .
[verweerster] heeft verder aangevoerd dat zij (per abuis) het volledige salaris over juni 2024 heeft betaald aan [verzoekster] omdat de salarisronde voor juni al was geaccordeerd voordat het ontslag op staande voet werd gegeven. Ook dit salaris heeft [verweerster] dus al betaald aan [verzoekster] . [verweerster] zal daarom worden veroordeeld om het loon aan [verzoekster] te betalen over de maanden juli en augustus 2024.
4.13
[verzoekster] vordert ook wettelijke verhoging over het niet aan haar betaalde salaris. [verweerster] heeft gevraagd om de wettelijke verhoging te matigen. Omdat er geen sprake is van een geldig ontslag op staande voet, heeft [verweerster] het loon ten onrechte niet betaald. Daar staat tegenover dat [verzoekster] kort voor het indienen van het verzoekschrift in deze procedure heeft verzocht om een voorlopig getuigenverhoor. Deze zaak is daarom op verzoek van [verzoekster] aangehouden en heeft hierdoor beduidend langer geduurd dan de gebruikelijke termijn die staat voor WWZ zaken. Gelet op deze omstandigheden in deze zaak, acht de kantonrechter een wettelijke verhoging van 15% billijk.
[verweerster] moet loonstroken verstrekken aan [verzoekster]
4.14
[verzoekster] heeft ook verzocht om [verweerster] te veroordelen tot het verstrekken van correcte salarisstroken over de maanden mei tot en met september 2024. Uit het voorgaande volgt dat [verweerster] geen salarisstrook hoeft te verstrekken over de maand september 2024 en [verweerster] al correcte salarisstroken heeft verstrekt over de maanden mei en juni 2024. De kantonrechter zal deze vordering dan ook toewijzen voor de maanden juli en augustus 2024. De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen, omdat niet aannemelijk is dat [verweerster] zich niet aan deze veroordeling zal houden.
Het tegenverzoek van [verweerster]
4.15
[verweerster] heeft verzocht [verzoekster] te veroordelen tot terugbetaling van het loon dat [verweerster] onverschuldigd aan [verzoekster] heeft betaald vanaf 25 juni 2024. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [verweerster] het volledige loon over juni niet onverschuldigd heeft betaald aan [verzoekster] . Het tegenverzoek wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
4.16
De proceskosten voor de door [verzoekster] ingestelde verzoeken komen voor rekening van [verweerster] , omdat [verweerster] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op:
- griffierecht € 248,00 [3]
- salaris gemachtigde € 1.136,00 (€ 865,00 + 1 punt x € 271,00) [4]
- voorlopig getuigenverhoor € 166,47 [5]
- nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.694,47
4.17
De proceskosten voor het door [verweerster] ingestelde tegenverzoek komen voor rekening van [verweerster] , omdat [verweerster] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 271,50 (€ 543,00 x 0,5) aan salaris gemachtigde.
Uitvoerbaar bij voorraadverklaring
4.18
De gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring, waartegen geen verweer is gevoerd, zal eveneens worden toegewezen.

5.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
5.1
vernietigt het ontslag op staande voet,
5.2
veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoekster] van € 1.752,41 per maand aan brutoloon exclusief 8% vakantietoeslag voor de maanden juli en augustus 2024, te vermeerderen met 15% wettelijke verhoging,
5.3
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoekster] correcte salarisstroken over de maanden juli en augustus 2024 te verstrekken,
5.4
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten van € 1.694,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.5
wijst het meer of anders verzochte af,
op het tegenverzoek
5.6
wijst het verzoek af,
5.7
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten van € 271,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
op het verzoek en op het tegenverzoek
5.8
veroordeelt [verweerster] tot betaling van de kosten van betekening als [verweerster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.9
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [6] .
Deze beschikking is gegeven door C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.

Voetnoten

1.Zie artikel 7:677 BW Pro.
2.Zie artikel 7:678 lid 1 BW Pro.
3.Het griffierecht bestaat uit: € 248,00 aan griffierecht voor deze procedure en € 87,00 aan griffierecht voor het voorlopig getuigenverhoor. Het griffierecht voor het voorlopig getuigenverhoor wordt echter in mindering gebracht op het griffierecht in deze procedure.
4.€ 865,00 aan salaris voor deze procedure en € 271,00 aan salaris voor de werkzaamheden in het voorlopig getuigenverhoor.
5.€ 144,47 aan explootkosten voor het oproepen van [persoon3] als getuige en € 22,00 aan schadeloosstelling van [persoon3] .
6.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.