ECLI:NL:RBMNE:2026:4247

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
C/16/607534 / FO RK 26-247
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen beslissing op verzoek minderjarige tot wijziging hoofdverblijfplaats; toewijzing spoedmachtiging uithuisplaatsing

De minderjarige heeft de rechtbank via een informele rechtsingang verzocht om haar hoofdverblijfplaats te wijzigen naar haar opa en oma (moederszijde). Na gesprekken met de kinderrechter en een zitting met gesloten deuren, waarbij ook de ouders en de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig waren, bleek dat de thuissituatie bij zowel vader als moeder niet veilig is voor de minderjarige.

De rechtbank kan op grond van de wet geen machtiging tot uithuisplaatsing bij opa en oma verlenen via de informele rechtsingang, omdat opa en oma geen gezag hebben. Tijdens de zitting is geprobeerd tijdelijke afspraken te maken, maar met name de moeder werkte hier niet aan mee. De Raad voor de Kinderbescherming heeft daarop een verzoek ingediend voor een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing, welke door de kinderrechter zijn toegewezen.

De rechtbank neemt daarom geen ambtshalve beslissing op het verzoek van de minderjarige, omdat de zaak nu via de beschermingsprocedure wordt opgepakt. De minderjarige is hierover geïnformeerd met een persoonlijke brief waarin de situatie en de genomen beslissingen worden toegelicht. De beschikking is op 15 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door kinderrechter R.M. Maliepaard.

Uitkomst: De rechtbank wijst geen ambtshalve beslissing toe op het verzoek van de minderjarige, maar kent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing toe vanwege onveilige thuissituatie.

Uitspraak

Rechtbank MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/607534 / FO RK 26-247
Informele rechtsingang
Beschikking van 15 juni 2026
op de aanvraag van:
[minderjarige] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
ingeschreven in [plaats 1] .
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de vader] ,
hierna: de vader,
wonende te [plaats 1] ,
en
[de moeder] ,
hierna: de moeder,
wonende te [plaats 2] .

1.Procedure

1.1
De rechtbank heeft op 20 februari 2026 de brief ontvangen die [minderjarige] heeft gestuurd.
1.2
Op 26 maart 2026 heeft [minderjarige] in een gesprek met de kinderrechter van deze rechtbank gesproken over deze brief.
1.3
Bij brief van 9 april 2026 heeft de rechtbank de ouders ingelicht over het gesprek met [minderjarige] en hen uitgenodigd voor een zitting om hun mening over de wensen van [minderjarige] aan de rechtbank kenbaar te maken. Ook de Raad voor de Kinderbescherming is voor de zitting uitgenodigd.
1.4
Op 30 april 2026 heeft oma (moederszijde) aan de rechtbank laten weten dat [minderjarige] nog een keer met de kinderrechter wil praten.
1.5
Op 26 mei 2026 heeft [minderjarige] daarom nog een keer met de kinderrechter gesproken. Vervolgens heeft [minderjarige] op diezelfde dag nog een brief naar de kinderrechter gestuurd.
1.6
Op 28 mei 2026 heeft de rechtbank de zaak met gesloten deuren mondeling behandeld. Hierbij zijn de vader, de moeder en mevrouw [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) verschenen.

2.Waar de procedure over gaat

2.1
De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest.
2.2
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over haar nemen.
2.3
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.4
[minderjarige] heeft in het kader van de informele rechtsgang aan de rechtbank gevraagd om haar bij haar opa en oma (moederszijde) te laten wonen.

3.Beoordeling

De beslissing
3.1
De rechtbank neemt geen ambtshalve beslissingen over [minderjarige] naar aanleiding van de brieven. Hierna legt de rechtbank uit waarom zij deze beslissing neemt.
De motivering
3.2
Op 20 februari 2026 heeft [minderjarige] de rechtbank een brief gestuurd met het verzoek om haar hoofdverblijfplaats voortaan bij haar moeder te bepalen. In het gesprek met de kinderrechter in maart 2026 heeft [minderjarige] verteld dat zij in oktober niet meer welkom was bij haar vader en stiefmoeder nadat ze haar wens voor een andere zorgregeling had uitgesproken. [minderjarige] heeft verteld dat zij en haar oudere broers namelijk jarenlang op basis van een dag-op-dag-af-regeling tussen hun ouders heen en weer hebben gependeld en dat dit voor [minderjarige] niet meer goed was. Nadat [minderjarige] weg moest bij haar vader, is zij bij haar moeder gaan wonen. Zij heeft hierna nauwelijks nog contact gehad met haar vader.
3.3
Naar aanleiding van dit kindgesprek met [minderjarige] heeft de rechtbank een zitting gepland. Vlak voor de zitting heeft [minderjarige] aangegeven dat zij nog een keer met de kinderrechter wil praten. In het tweede kindgesprek heeft [minderjarige] verteld dat het bij haar moeder ook niet goed gaat. Ze ervaart de thuissituatie bij haar moeder als niet veilig. [minderjarige] heeft de rechtbank in dat gesprek gevraagd om haar bij haar opa en oma (moederszijde) te laten wonen. Ze vertelde dat haar twee jongmeerderjarige broers ook zijn weggegaan bij de moeder en nu bij opa en oma wonen. [minderjarige] heeft aangegeven dat zij het gevoel heeft dat er al heel lang aan haar wordt getrokken, en daarom heeft ze nu behoefte aan rust.
3.4
Volgens de wet kan de kinderrechter echter niet een machtiging tot uithuisplaatsing bij de opa en oma verlenen op aanvraag van een minderjarige in het kader van een informele rechtsingang. De opa en oma hebben immers geen gezag. Maar tijdens de zitting is wel duidelijk geworden dat [minderjarige] op dit moment niet terug kan naar haar moeder of vader. Daarom is op de zitting geprobeerd om met de ouders tijdelijke afspraken te maken in afwachting van het beschermingsonderzoek van de Raad dat op de zitting werd aangekondigd. Maar vooral de moeder bleek niet bereid om aan deze tijdelijke afspraken mee te werken. Zij maakt zich te grote zorgen over de bemoeienis van de opa en oma met haar relatie met haar kinderen. Het verloop van het gesprek op de zitting heeft er uiteindelijk toe geleid dat de Raad om een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing heeft verzocht. De kinderrechter heeft deze verzoeken toegewezen.
3.5
Omdat de verzoeken van [minderjarige] nu verder opgepakt worden in de beschermingsprocedure, heeft zij ook geen belang meer bij beslissingen van de rechtbank op haar verzoeken uit de informele rechtsingang.
Kindbrief
3.6
Tot slot vindt de kinderrechter het belangrijk de ouders te laten weten dat aan [minderjarige] gelijk met de beschikking een brief is gestuurd, waarin deze beslissing is uitgelegd. In die brief is het volgende opgenomen:
Beste [minderjarige] ,
We hebben elkaar in de afgelopen maanden twee keer gesproken. Wij hebben eerst een gesprek gehad in maart, waarin jij vertelde dat je graag wil dat jouw hoofdverblijfplaats wordt gewijzigd van jouw vader naar jouw moeder. Vlak voor de zitting met jouw ouders heb jij mij gevraagd om een tweede gesprek. In dat gesprek en in jouw brief heb je mij verteld dat je ook niet meer bij je moeder wil wonen, omdat jij je daar niet veilig voelt. Je wil nu bij je opa en oma wonen, net je als twee oudere broers. Ook vertelde je dat je het gevoel hebt dat er al 17 jaar aan je wordt getrokken en dat je nu graag tot rust wil komen.
Ik heb goed gelezen wat je hebt geschreven en geluisterd naar wat je tijdens het gesprek vertelde. Ik heb tijdens de zitting van 28 mei 2026 met je vader en moeder gesproken over jouw wensen. Daar was ook iemand van de Raad voor de Kinderbescherming bij. Die nodigt de rechtbank altijd uit bij zaken over kinderen, om de rechtbank te adviseren.
Tijdens ons gesprek heb ik jou al uitgelegd dat ik niet op basis van jouw verzoek kan beslissen dat je voorlopig bij je opa en oma moet gaan wonen. Dat kan niet op die manier volgens de wet. Ik heb wel geprobeerd om jouw vraag op de zitting met jouw ouders te bespreken. Dat is niet helemaal gelukt, we konden geen tijdelijke afspraken maken.
De persoon die van de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig was, maakt zich zorgen om jou. En toen het niet lukte om met jouw ouders tijdelijke afspraken te maken, heeft zij mij gevraagd om jou voorlopig onder toezicht te stellen en jou met een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing vier weken na de zitting bij jouw opa en oma te laten wonen. Ik heb dat verzoek toegewezen, dat heb jij inmiddels gehoord. Dat betekent dat er de komende drie maanden een jeugdbeschermer bij jou, je vader en je moeder betrokken zal zijn. Ook betekent dat dat je voor nu bij je opa en oma kan wonen. Die jeugdbeschermer gaat met jou en met je ouders praten, en kijken wat het beste is voor jou. Deze beslissingen worden nog besproken op een nieuwe zitting. Deze zitting is inmiddels geweest en jij was ook daarvoor weer uitgenodigd om met een (andere) kinderrechter te praten.
Door die beslissingen worden jouw vragen nu opgepakt. Daarom neem ik in deze zaak waarin jij mij een brief hebt gestuurd verder geen beslissing.
Ik hoop dat het voor jou nu duidelijk is hoe het in de komende periode verder gaat, en dat je de komende tijd tot rust kan komen bij je opa en oma.
4
Beslissing
De rechtbank:
4.1
neemt geen ambtshalve beslissingen.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. R.M. Maliepaard, kinderrechter in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
FE