ECLI:NL:RBMNE:2026:4288

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
12195409 MV EXPL 26-53 RD/960
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Arbeidsovereenkomst duidelijk en ondubbelzinnig opgezegd door werknemer, geen recht op loon en wedertewerkstelling

In deze kortgedingprocedure stond centraal of de werknemer zijn arbeidsovereenkomst met het kinderdagverblijf duidelijk en ondubbelzinnig had opgezegd per 31 december 2025. De werknemer betwistte dit en stelde dat hij slechts zijn werkzaamheden had opgeschort, waardoor hij aanspraak maakte op loon en wedertewerkstelling vanaf 1 januari 2026.

De kantonrechter stelde vast dat de werknemer sinds 31 december 2025 niet meer op het werk verscheen en meerdere keren schriftelijk en via sms had bevestigd de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen. Ondanks pogingen van de werkgever om in gesprek te komen en zelfs thuiswerken aan te bieden, reageerde de werknemer niet of afwijzend. De kantonrechter vond dat de opzegging voldeed aan de strenge maatstaf van duidelijkheid en ondubbelzinnigheid, bedoeld ter bescherming van de werknemer.

De werknemer voerde voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling aan dat zijn uitingen emotioneel waren, maar dit veranderde het oordeel niet. De kantonrechter oordeelde dat de werknemer gehouden is aan zijn uitingen en dat de werkgever mocht vertrouwen op de opzegging. De vorderingen van de werknemer tot loon en wedertewerkstelling werden afgewezen.

In reconventie werd de werknemer veroordeeld om binnen twee dagen de sleutels van het kinderdagverblijf terug te geven, onder dreiging van een dwangsom. De werknemer werd tevens veroordeeld in de proceskosten van de werkgever.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst is duidelijk en ondubbelzinnig opgezegd door de werknemer per 31 december 2025, waardoor geen recht op loon en wedertewerkstelling bestaat; de werknemer moet de sleutels teruggeven onder dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Almere
zaaknummer: 12195409 MV EXPL 26-53 RD/960
Kort geding vonnis van 11 juni 2026
inzake
[eiser],
wonende in [woonplaats] ,
verder ook te noemen [eiser] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
procederend in persoon,
tegen:
[gedaagde]h.o.d.n.
[handelsnaam],
wonende in [woonplaats] ,
verder ook te noemen [handelsnaam] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. B. Burger.

1.De procedure

1.1
De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 12 mei 2026, met producties 1 tot en met 23,
  • een akte houdende rectificatie, wijziging van gronden en inbreng producties met producties x en y van de zijde van [eiser] ,
  • de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 11 van [handelsnaam] .
1.2
De mondelinge behandeling is gehouden op 28 mei 2026 op de locatie van deze rechtbank in Lelystad. Op de mondelinge behandeling zijn verschenen:
- [eiser] ,
- [gedaagde] met mr. Burger.
Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.3
Op de mondelinge behandeling is bepaald dat op 11 juni 2026 vonnis wordt gewezen.

2.Kern van het geschil

2.1
[gedaagde] runt onder de naam Kinderdagverblijf [handelsnaam] een kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang. [eiser] is op 1 juni 2024 bij [gedaagde] in dienst getreden als facilitair medewerker en coach. Tussen partijen is in geschil of [eiser] zijn arbeidsovereenkomst heeft opgezegd per 31 december 2025. [eiser] meent van niet. Volgens hem heeft hij de uitvoering van zijn werkzaamheden slechts opgeschort. Hij maakt daarom op verbeurte van een dwangsom aanspraak op wedertewerkstelling en betaling van loon vanaf 1 januari 2026 met wettelijke verhoging en wettelijke rente. [handelsnaam] vindt dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. Volgens [handelsnaam] heeft [eiser] namelijk duidelijk en ondubbelzinnig opgezegd.
2.2
De kantonrechter is het met [handelsnaam] eens. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen. In reconventie zal worden beslist dat [eiser] de sleutels van [handelsnaam] die hij nog in bezit heeft terug moet geven. Als hij dat niet doet, gaat een dwangsom lopen.

3.De beoordeling

In conventie en in reconventie
Wat moet de kantonrechter beoordelen?
3.1
In een kortgedingprocedure wordt gevraagd om een spoedmaatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat er na de kortgedingprocedure een gewone rechtszaak zal komen, dit heet een ‘bodemprocedure’. Een kortgedingprocedure loopt op een bodemprocedure vooruit. De voorzieningenrechter probeert in te schatten of een bodemrechter de vordering waarschijnlijk zal toewijzen. Een kortgeding uitspraak is daarom niet meer dan een voorlopige beslissing waar een spoedeisend belang bij is. Daarom moeten belangrijke feiten duidelijk zijn, want tijd voor bewijslevering is er niet. Daarnaast moet een spoedeisend belang bij de gestelde vordering aanwezig zijn.
Partijen hebben een spoedeisend belang bij hun vorderingen
3.2
Volgens [eiser] heeft hij belang bij het verrichten van zijn werk en het ontvangen van salaris. Hij heeft het salaris nodig om aan zijn financiële verplichtingen te kunnen voldoen.
3.3
De aanspraak op loon is naar zijn aard spoedeisend. De kantonrechter neemt dan ook een spoedeisend belang aan de zijde van [eiser] aan. Dit geldt ook voor de vorderingen in reconventie. Na beëindiging van een arbeidsovereenkomst is het evident dat een werkgever sleutels en gegevens moet terug ontvangen.
De maatstaf voor beoordeling van een opzegging door een werknemer
3.4
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet in het geval van een vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer sprake zijn van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werknemer. Onder omstandigheden kan de werkgever een onderzoeksplicht hebben over de vraag of de wil van de werknemer daadwerkelijk op beëindiging van de arbeidsovereenkomst was gericht. De verklaring van de werknemer kan bijvoorbeeld zijn beïnvloed door emoties (na een conflictsituatie), onbegrip of het niet voldoende machtig zijn van de taal, mentale problematiek of andere situaties van mogelijk onvrije wilsvorming (vgl. conclusie A-G voor HR 26 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2023:776). De ratio van de ‘duidelijk- en ondubbelzinnigheidsmaatstaf’ is gelegen in de voor de werknemer ernstige gevolgen van een vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking; zie (bijvoorbeeld) HR 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8387 Grillroom Ramses II. Deze strenge maatstaf dient ertoe de werknemer te beschermen tegen de ernstige gevolgen die de opzegging van het dienstverband kan hebben, zoals het verlies van inkomen en het mogelijk verlies van bijvoorbeeld het recht op een werkloosheidsuitkering.
De opzegging door [eiser] is duidelijk en ondubbelzinnig
3.5
Wat was er nou precies aan de hand? [eiser] is op 1 juni 2024 in dienst getreden als facilitair medewerker en coach voor de duur van een jaar. Voordat deze afliep zijn partijen in gesprek gegaan over de verlenging van de arbeidsovereenkomst. Op de mondelinge behandeling hebben partijen gezegd dat door discussie over de inhoud van de werkzaamheden en het loon geen overeenstemming is bereikt over de verlenging. Wel zette [eiser] zijn werkzaamheden na 1 juni 2025 voort. De arbeidsovereenkomst werd daardoor stilzwijgend verlengd tot 1 juni 2026.
3.6
[eiser] en [gedaagde] hadden regelmatig pittige gesprekken met elkaar. Soms vroeg [gedaagde] [eiser] om advies, maar vaak gaf [eiser] ongevraagd zijn visie op de gang van zaken bij [handelsnaam] . Dit waren pittige gesprekken over, met name, de inhoud van de functie van [eiser] en zijn benadering van kinderen, ouders en collega’s op het kinderdagverblijf. De discussies liepen regelmatig hoog op. Op de mondelinge behandeling vertelde [gedaagde] dat [eiser] haar in het bijzijn van medewerkers kleineerde en [eiser] zei dat hij [gedaagde] beschouwde als een notoire dwarsligger en dit ook regelmatig zo benoemd had. Er schortte wat hem betreft heel veel aan [handelsnaam] en [gedaagde] deed volgens hem onvoldoende om het te verbeteren.
3.7
Uiteindelijk leidde de onvrede van [eiser] ertoe dat hij op 8 november 2025 een sms zond aan [gedaagde] waarin hij liet weten dat hij zijn management taken niet meer gaat uitvoeren en zich zuiver nog zal gaan richten op administratieve, facilitaire en adviserende taken. Verder stelde hij op 11 november 2025 een brief op waarin hij dit bevestigt. Daarin schrijft hij ook: “
Zodra het administratieve systeem volledig operationeel is en zelfstandig functioneert, draag ik alles aan jou over en beschouw ik mijn werkzaamheden als afgerond.
3.8
In december kwam het weer tot een discussie tussen partijen. Volgens [eiser] was de kwaliteit, veiligheid en professionaliteit in het geding. Hij stelde daarom op
16 december 2025 een, door hem genoemd, 20-puntenplan op met verbeteringen waaraan [handelsnaam] zou moeten voldoen. Volgens [eiser] hield [handelsnaam] zich hier vervolgens niet aan. Dit maakte dat [eiser] op 31 december 2025 niet op zijn werk verscheen en onbereikbaar was voor [gedaagde] . Wel zond hij [gedaagde] een sms-bericht met de volgende inhoud: “
Gewoon eindafrekening en joep doei de mazzel. Niets meer met jullie te maken hebben.” [gedaagde] geeft daarop aan dat zij met [eiser] wil praten. [eiser] reageert dan als volgt: “
Nee je wil me beschuldigen. Ik wil met niemand meer praten. En voor mij is het nu klaar.” [gedaagde] bericht [eiser] vervolgens dat zij het met hem uit wil praten. [eiser] reageert daarop met: “
Grenzen zijn grenzen bij mij. Jullie willen eroverheen. Prima. Ga maar lekker zelf de boel regelen van mij zul je geen last meer hebben. Smeerlappen.” Daarna bericht [eiser] nog aan [gedaagde] : “
Valt NIETS meer te praten” en “
Je zoekt het toch echt maar uit met die hypocriete speeltuin daar. Ik heb genoeg negativiteit om mijn oren gehad. Duidelijk de leidsters praten heel graag met je, en omgekeerd. Prima, maar het gaat nooit over kwaliteitsverbetering. [handelsnaam] wil een amateuristische klerebende blijven. Helemaal prima. Jullie hebben het al jarenlang zo zonder mij gedaan, dus succes verder.” Daarna blijft het even stil tussen partijen en [eiser] liet zich niet meer op de werkvloer zien.
3.9
Vanaf 8 januari 2026 heeft [gedaagde] – tevergeefs - geprobeerd via een aantal lange SMS berichten in gesprek te komen met [eiser] . Ze schrijft herhaaldelijk
“denk er even heel goed over na of dit de juiste beslissing is” en geeft aan te willen komen tot een oplossing. Ze oppert ook oplossingen, bijvoorbeeld door voor te stellen aan [eiser] om thuis te werken. [eiser] reageert niet.
3.1
Nadat [gedaagde] van de GGD vernam dat [eiser] op 31 december 2025 ook aan de GGD heeft medegedeeld dat hij zijn werkzaamheden voor [handelsnaam] neer heeft gelegd, besloot zij op 9 januari 2026 per SMS bericht aan [eiser] zijn opzegging per 31 december 2025 te bevestigen. [eiser] reageert op dit bericht onder andere met: “
Wens je veel succes” en “
En van uit het oogpunt dat ik daar geen verandering in kan brengen heb ik mijn grenzen gesteld.
3.11
Als bijlage bij een e-mail van 10 januari 2026 stuurt [eiser] aan [gedaagde] een plan van aanpak toe. Dit betreffen voorwaarden waaronder hij wil terugkeren naar [handelsnaam] . Op 13 januari 2026 bericht [gedaagde] [eiser] dat ze zijn opzegging op 9 januari 2026 heeft bevestigd en het daarbij wil laten. [eiser] reageert hierop met: “
Per 31 december 2025 heb ik mijn werkzaamheden voor Kinderdagverblijf [handelsnaam] beëindigd. (….) Ik verzoek je om schrijftelijk te bevestigen: (…) 3. Wanneer de volledige eindafrekening plaatsvindt. Totdat hierover duidelijkheid bestaat, blijft de overdracht opgeschort.”
3.12
Op grond van het bovenstaande vindt de kantonrechter het aannemelijk dat [eiser] de arbeidsovereenkomst duidelijk en ondubbelzinnig heeft opgezegd. Er was al langer onvrede bij [eiser] over de gang van zaken bij [handelsnaam] , zijn functie inhoud en loon. Vanaf 31 december 2025 is [eiser] niet meer op het werk verschenen en heeft hij meerdere keren duidelijk gemaakt de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen door mede te delen een eindafrekening te willen ontvangen en niets meer met [handelsnaam] te maken te willen hebben. Voor een gesprek met [gedaagde] stond hij niet open en hij ging ook niet in op haar aanbod om bijvoorbeeld vanuit huis werkzaamheden te verrichten. Anders dan [eiser] meent volgt uit zijn e-mail van 10 januari 2026 ook niet dat hij zijn werkzaamheden had opgeschort. Sterker nog; uit dat bericht blijkt dat hij alleen onder voorwaarden wilde terugkeren. Met die voorwaarden ging [handelsnaam] niet akkoord, waarna [eiser] nogmaals bevestigde te hebben opgezegd en dat hij een eindafrekening wenst te ontvangen.
Gelet op de voorgeschiedenis tussen partijen, de duidelijke communicatie vanuit [eiser] , de verstreken tijd en de meerdere berichten die [gedaagde] aan hem verstuurde om tot een oplossing te komen en hem te laten nadenken of de opzegging echt was wat hij wenste, kan ook niet gezegd worden dat op [handelsnaam] een verdere onderzoeksplicht rustte. [handelsnaam] mocht vertrouwen op de opzegging door [eiser] en hoefde er niet vanuit te gaan dat hij slechts zijn werkzaamheden wilde opschorten.
3.13
[eiser] heeft op de mondelinge behandeling voor het eerst het standpunt ingenomen dat hij zijn uitingen in een emotionele toestand heeft gedaan. Dit standpunt maakt het oordeel niet anders. [eiser] heeft zijn werk op 31 december 2025 neergelegd en daarna herhaaldelijk, bijna twee weken lang, in dezelfde trant zijn standpunt herhaald. In de tussentijd had [eiser] los van de emotie na kunnen en moeten denken over de gevolgen van zijn uitingen. Zeker omdat [gedaagde] [eiser] meerdere keren heeft gevraagd of dit echt was wat hij wilde. Ook heeft [gedaagde] lange tijd voor [eiser] de mogelijkheid opengehouden om het werk te hervatten. [eiser] heeft hier niet of afwijzend op gereageerd.
3.14
De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [eiser] gehouden kan worden aan zijn uitingen tegenover [gedaagde] van 31 december 2025. Hieruit volgt dat hij zijn arbeidsovereenkomst duidelijk en ondubbelzinnig heeft opgezegd en dat hij geen recht heeft op wedertewerkstelling en loon. De vorderingen van [eiser] zullen dan ook afgewezen worden.
[eiser] moet de sleutels die hij in bezit heeft afgeven
3.15
[handelsnaam] vordert in reconventie afgifte van de huissleutels van [gedaagde] , de sleutels van het kinderdagverblijf en een werkmap. Volgens [handelsnaam] zijn deze in bezit van [eiser] . [eiser] heeft op de mondelinge behandeling gezegd dat hij alleen een sleutel van de deur van en een sleutel van een kastje in het kinderdagverblijf heeft. Hij betwist dat hij de sleutels van de woning van [gedaagde] en de werkmap in bezit heeft.
3.16
[gedaagde] heeft niet onderbouwd dat [eiser] de door haar genoemde sleutels en werkmap in zijn bezit heeft. Er zal dus slechts afgifte worden toegewezen van de sleutels van het kinderdagverblijf (dit betreffen twee sleutels, van de deur en een kastje). Verder heeft [eiser] op de mondelinge behandeling gezegd dat hij niet gelijk zou voldoen aan een veroordeling door de kantonrechter. Daarom wordt een dwangsom toegewezen. Deze zal als onderstaand vastgesteld en gemaximeerd worden.
3.17
[eiser] wordt veroordeeld in de kosten van [gedaagde] . Deze worden tot op heden in conventie begroot op € 1.009,00 en in reconventie begroot op nihil.

4.De beslissing

De kantonrechter:
In conventie:
4.1
wijst de vordering af;
4.2
veroordeelt [eiser] in de kosten gevallen aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.009,00, bestaande uit € 865,00 aan salaris gemachtigde en
€ 144,00 aan nakosten, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] ook de kosten van betekening betalen;
4.3
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
In reconventie:
4.4
veroordeelt [eiser] om binnen twee dagen na de datum van dit vonnis aan [handelsnaam] terug te geven de sleutel van de deur van het kinderdagverblijf en het kastje in het kinderdagverblijf op straffe van een dwangsom van € 25,00 voor elke dag dat hij in gebreke blijft met een maximum van € 1.000,00;
4.5
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde] , tot op heden begroot op nihil;
4.6
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.7
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.