Conclusie
advocaat: I.L.N. Timp
advocaat: H.J.W. Alt
1.Inleiding en samenvatting
werkgeverstelt de arbeidsovereenkomst te hebben opgezegd, terwijl de werknemer dat niet zo heeft begrepen.
M.i. kunnen deze klachten niet slagen. De bescherming van de werknemer is een gezichtspunt dat moet worden betrokken bij de uitleg van de verklaringen aan de hand van de artt. 3:33 en 3:35 BW. Wel slaagt de klacht dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de arbeidsovereenkomst op 21 december 2018 (dat is de datum van de brief) is geëindigd. Nu in cassatie vaststaat dat de brief van Adede Werknemer op 31 december 2018 heeft bereikt, moet er vanuit worden gegaan dat de arbeidsovereenkomst per die datum is geëindigd.
2.Feiten
Om de impact hiervan op U en andere medewerkers, tewerkgesteld bij ADEDE Nederland, te vermijden, biedt ADEDE bvba een contract aan met behoud van huidig loon.
3.Procesverloop
4.Juridisch kader
Inleiding
Grillroom Ramses II.
werkgeverstelt dat zijn verklaring een opzegging inhoudt, maar de
werknemerzich op het standpunt stelt dat die verklaring niet die strekking had, ook zou moeten gelden dat een duidelijke en ondubbelzinnige, op beëindiging gerichte wilsverklaring van de werkgever is vereist.
[…] / […]: [25]
[…] / […]: [28]
Grillroom Ramses II [35] (waarover nader onder 4.26 en 4.27) deze ratio nader toegelicht:
Grillroom Ramses II) de verwijtbaarheidstoets in de WW minder zwaar is geworden. [36] Een werknemer heeft sinds deze wijziging in beginsel recht op een WW-uitkering als hij instemt met een beëindigingsovereenkomst op initiatief van de werkgever. [37] Dit geldt ook als de werknemer schriftelijk instemt met de opzegging. [38]
Grillroom Ramses II [43] uit 2005 (dat hiervoor al kort aan de orde is gekomen) en de
Constar-beschikking uit 2017. [44]
Grillroom Ramses IIging het om de vraag of een schriftelijke mededeling van de werkgever aan een werknemer moest worden uitgelegd als een opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever. In de mededeling stond onder andere: “
Wij zijn tot de conclusie gekomen dat de arbeidsovereenkomst per 07 november ontbonden is.” De werknemer stelde zich op het standpunt dat sprake was van een opzegging en stelde bij de rechter een vordering in op grond van onregelmatigheid van de opzegging. De werkgever voerde als verweer dat de werknemer zelf al eerder ontslag had genomen en dat de brief dus geen opzegging inhield. Het hof stelde de werkgever in het gelijk, omdat volgens het hof ook voor een opzegging door de werkgever een ‘duidelijke en ondubbelzinnige verklaring’ (‘de strenge maatstaf’) is vereist. Aan die maatstaf voldeed de opzegging volgens het hof niet.
Dakteam Dakbeheer [49] en
R.K. Centraal Schoolbestuur [50] ) beargumenteert Houweling dat als het arrest
Grillroom Ramses IIzo wordt toegepast, dat ook een
dubbelzinnigeopzegging door de werkgever volstaat, het resultaat is dat de werknemer in een nadelige positie komt te verkeren. Het gevolg daarvan is immers dat de werknemer, die de mededeling niet als opzegging heeft opgevat, zich niet meer op vernietiging van de opzegging kan beroepen (als gevolg van de korte vervaltermijn, zie onder 4.41). Het arrest
Grillroom Ramses IIis echter juist bedoeld ter bescherming van de werknemer. Houweling is dan ook van mening dat in beide art. 81-procedures te makkelijk is aangenomen dat een (onduidelijke) verklaring van de werkgever als opzegging was bedoeld. [51]
Dakteam Dakbeheerwas dat Dakbeheer (en het UWV) aanvankelijk veronderstelde dat het ging om een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, met een einde van rechtswege. Het doel van de mededeling van Dakbeheer aan de werknemer was dan ook slechts om het einde van de arbeidsovereenkomst aan de werknemer te bevestigen (een
aanzegging). Het is dan best vreemd om toch achteraf, ten nadele van de werknemer, aan te nemen dat sprake was van een
opzeggingomdat de arbeidsovereenkomst op grond van de ketenregeling was geconverteerd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De wil van Dakbeheer was immers niet gericht op enig rechtsgevolg. Om de mededeling dan toch uit te leggen als opzegging vindt ook geen steun in art. 3:33 BW Pro, dat bepaalt dat voor een rechtshandeling is vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard, zo schrijven Stamoulis en De Vos.
Constar-zaak uit 2017. [53] Ook daarin was aan de orde of een verklaring van de werkgever moest worden beschouwd als een
aanzeggingdat de arbeidsovereenkomst niet werd verlengd (zoals bedoeld in art. 7:668 lid 1 BW Pro), dan wel als een
opzeggingvan de arbeidsovereenkomst. [54] Werkgever Constar stelde zich op het standpunt dat sprake was van een aanzegging. Volgens de werknemer was echter sprake van een niet-rechtsgeldige opzegging, op grond waarvan de werknemer de rechter verzocht om Constar te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding en een billijke vergoeding. Het hof ging veronderstellenderwijs uit van de juistheid van de stelling van werknemer dat sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Desalniettemin oordeelde het hof dat de desbetreffende verklaring van de werkgever niet als een opzegging kon worden gekwalificeerd, omdat de wil van de werkgever niet was gericht op opzegging maar op nakoming van de aanzegverplichting. Het hof overwoog in dit verband dat met het oog op de vervaltermijnen waarmee een werknemer rekening moet houden ingeval van een onregelmatige beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd een ruime uitleg van een aanzegging (te weten dat dit een opzegging zou inhouden) in een andere context ook ten koste zou kunnen gaan van de bescherming van werknemers.
Bij beantwoording van de vraag of een werknemer een bepaalde mededeling van zijn werkgever redelijkerwijs heeft mogen opvatten in de door hem (werknemer) begrepen betekenis, zijn immers alle omstandigheden van het geval van belang. Tot die omstandigheden behoren ook de aan die mededeling, al naar gelang de daaraan te verbinden betekenis, verbonden rechtsgevolgen voor de werknemer in dat concrete geval. Ook in dit verband zal bij de uitleg van een mededeling van de werkgever een misvatting aan diens zijde over de looptijd van de arbeidsovereenkomst, die meebrengt dat zijn mededeling niet adequaat en (daardoor) niet eenduidig is, niet zonder meer ten nadele van de werknemer mogen werken.”
Grillroom Ramses II.Ten opzichte van
Grillroom Ramses IIis het beoordelingskader in de
Constar-beschikking echter breder geformuleerd. Het biedt daarmee, in de woorden van Ruizeveld, ‘een alomvattend en praktisch beoordelingskader waarbij de rechter maatwerk kan leveren’. [56]
Constar-beschikking (en in mindere mate uit het arrest
Grillroom Ramses II) kan worden afgeleid dat een (beëindigings)mededeling van de werkgever moet worden beoordeeld aan de hand van de gewone maatstaf van art. 3:33 en Pro art. 3:35 BW Pro. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en moeten ook de gevolgen van een bepaalde uitleg voor de werknemer worden meegewogen. Daarmee geldt dus niet de ‘duidelijk- en ondubbelzinnigheidsmaatstaf’ (de strenge maatstaf), zoals die van toepassing is voor mededelingen van de werknemer ten aanzien van een vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst (zie onder 4.13 en verder).
Constar-beschikking:
Het ligt mijns inziens voor de hand in dit soort gevallen voor een werkgeversopzegging – toch – de eis van duidelijkheid en ondubbelzinnigheid te stellen. In elk geval zou de rechter in deze gevallen naar mijn mening terughoudend moeten zijn bij het kwalificeren van de desbetreffende verklaring van de werkgever als een opzegging.
bewustonduidelijke of dubbelzinnige verklaringen doet. [58]
nietde bedoeling, omdat dat zou kunnen leiden tot uitholling van de bescherming van de werknemer. Daarom zou beter kunnen worden gesproken over de ‘duidelijk- en ondubbelzinnigheidsmaatstaf’ die geldt voor beëindigingsmededelingen van de werknemer. Deze maatstaf geldt dus niet voor beëindigingsmededelingen van de werkgever.
Constar-beschikking: bij beantwoording van de vraag of een werknemer een bepaalde mededeling van zijn werkgever redelijkerwijs heeft mogen opvatten in de door de werknemer begrepen betekenis, zijn alle omstandigheden van het geval van belang, waaronder de aan die mededeling, al naar gelang de daaraan te verbinden betekenis, verbonden rechtsgevolgen voor de werknemer in dat concrete geval. In dit kader kan ook van belang zijn of de werkgever de werknemer heeft voorzien van juiste informatie over (het einde van) de arbeidsovereenkomst. De aangescherpte informatieverplichting van art. 7:655 BW Pro kan dus op die manier wel betrokken worden bij de uitleg die de werknemer redelijkerwijs kon geven aan de verklaring van de werkgever.
5.Bespreking van het cassatiemiddel
Grillroom Ramses II, waarbij het hof ook een groot gedeelte van die rechtsoverweging herhaalt, overweegt het hof dat de feiten dienen te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf van art. 3:33 en Pro 3.35 BW en dat een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werkgever niet is vereist en daarmee ook geen controle achteraf door Adede of Werknemer de boodschap heeft begrepen.
Grillroom Ramses II(enkel) heeft beslist dat een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring (slechts) dan niet is vereist indien de werknemer een verklaring van de werkgever als een beëindiging van de dienstbetrekking heeft opgevat, maar de werkgever zich op het standpunt stelt dat die verklaring niet die strekking had. Betoogd wordt dat de beschermingsgedachte die ten grondslag ligt aan het vereiste van een duidelijke en ondubbelzinnig verklaring van de werknemer ook geldt, althans behoort te gelden, in een geval als de onderhavige waarin de werkgever stelt dat zijn verklaring een opzegging betreft, maar de werknemer zich op het standpunt stelt dat die verklaring niet die strekking had. Daarbij wordt aangevoerd dat (i) voor het inroepen van de vernietiging van de opzegging een korte vervaltermijn geldt, (ii) een werknemer alleen dan tijdig de vernietiging kan inroepen als hij doorheeft dat het om een opzeggingshandeling zou kunnen gaan, (iii) het niet-tijdig inroepen van de vernietiging van de opzegging ook ernstige gevolgen voor de werknemer kan hebben en (iv) de werkgever niet mag profiteren van een ondubbelzinnige opzegging.
Ontslag wegens sluiting ADEDE Nederland".Daarna staat er in de brief: "
Dit impliceert dat onze huidige arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang definitief zal worden verbroken.". De wil van Adede blijkt hier onomwonden uit. Deze wil tot opzegging wordt vervolgens bevestigd doordat Adede daarna een nieuw contract aanbiedt om vanuit Gent te werken en de afsluiting van de brief waarin Adede schrijft dat zij hoopt dat Werknemer ingaat op het aanbod. Er is geen vereiste dat Adede bewoordingen had moeten gebruiken als ‘opzegging' en ‘opzeggen’. Het hof is het dus eens met de overwegingen van de kantonrechter over de brief en maakt die tot de zijne. De uitleg die Werknemer geeft aan de brief is gekunsteld en leidt niet tot de conclusie dat geen sprake is van de geopenbaarde wil tot opzegging van de arbeidsovereenkomst. (…)”
subonderdeel 1cvan het middel, maar Werknemer is per saldo in het principaal appel de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. [71] Dit betekent dat de beslissing van het hof om Werknemer in de kosten van het principaal hoger beroep te veroordelen in cassatie stand houdt.