ECLI:NL:RBMNE:2026:4301

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/629
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 2.1 lid 1 WhtArt. 2.1 lid 2 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag wegens geen vooringenomen handelen

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Dienst Toeslagen waarin haar verzoek om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen werd afgewezen. Zij stelt dat de Dienst onzorgvuldig heeft gehandeld en vooringenomen is geweest door geen nadere uitvraag te doen bij stopzettingen van de kinderopvangtoeslag die namens haar zijn doorgegeven.

De rechtbank beoordeelt dat de Dienst reguliere correcties heeft verwerkt op basis van door eiseres of haar gemachtigde opgegeven wijzigingen, waaronder stopzettingen in de jaren 2010, 2013, 2016 en 2017. Er is geen bewijs dat de meldingen onbevoegd zijn gedaan of dat de Dienst onzorgvuldig of vooringenomen heeft gehandeld. Eiseres had bezwaar kunnen maken tegen de definitieve vaststellingen, maar heeft dit nagelaten.

De rechtbank concludeert dat de afwijzing van compensatie terecht is en dat er geen sprake is van institutionele vooringenomenheid of onbillijkheid van overwegende aard. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van compensatie kinderopvangtoeslag wordt ongegrond verklaard omdat geen sprake is van vooringenomen handelen door de Dienst.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/629

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.W.E. Ros),
en

Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Samenvatting

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de definitieve vaststelling van de compensatie kinderopvangtoeslag op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens dat zij over toeslagjaren 2010 en 2012 tot en met 2017 niet als gedupeerde is aangemerkt. De rechtbank oordeelt dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het beroep ongegrond is. De reden daarvoor is dat de Dienst reguliere correcties heeft verwerkt, waarmee de kinderopvangtoeslag definitief is berekend en vastgesteld.
Van vooringenomen handelen door de Dienst, doordat geen nadere uitvraag bij eiseres is gedaan, is geen sprake is.

Procesverloop

1. Eiseres heeft zich op 12 februari 2021 bij de Dienst gemeld als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagenaffaire en heeft verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2010 en 2012 tot en met 2017. Met het besluit van
8 februari 2024 (het primaire besluit) heeft de Dienst het verzoek van eiseres om compensatie afgewezen, omdat de Dienst bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag geen fouten heeft gemaakt en ook niet te streng is geweest bij het uitvoeren van de regels.
2. Tegen het primaire besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. In het bezwaar stelt eiseres dat er sprake is van opzet/grove schuld, omdat de Belastingdienst niet heeft meegewerkt aan een persoonlijke betalingsregeling.
3. Met het besluit van 23 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst de afwijzing van de compensatie ongewijzigd in stand gelaten onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie.
4. Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld. De Dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst.

Beoordeling door de rechtbank

De hersteloperatie toeslagen
6. Vanwege de toeslagenaffaire zijn verschillende herstelregelingen tot stand gekomen om gedupeerde ouders te compenseren voor fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. De compensatie en tegemoetkoming worden door de Dienst toegekend. Het herstelproces wordt uitgevoerd door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT), namens de Dienst.
7. De procedure bij de herstelregelingen houdt in dat een gedupeerde ouder zich meldt bij de UHT. Na de aanmelding doet de UHT de eerste (lichte) toets. In deze eerste toets wordt beoordeeld of iemand recht heeft op de € 30.000,- van de zogenoemde Catshuisregeling. Daarbij wordt bekeken of iemand aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag voldoet en of diegene ooit onterecht kinderopvangtoeslag moest terugbetalen of dat de kinderopvangtoeslag onterecht is stopgezet.
8. Na deze eerste toets kan worden bekeken of iemand recht heeft op een vergoeding op basis van een integrale beoordeling. Een toegekende vergoeding op basis van de Catshuisregeling hoeft daarbij in ieder geval niet te worden terugbetaald. Als ouders vinden dat hun schade met de uitkomst van de integrale beoordeling niet volledig is vergoed, dan kunnen zij nog een verzoek om aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade doen.
Het toetsingskader
9. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen kent de Dienst op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast. [1] De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. [2]
10. Een aantal aspecten kunnen duiden op institutionele vooringenomenheid, waaronder: 1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde, 2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren, 3) zero-tolerance-onderzoek naar fouten, 4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken en 5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, maar het ontbreken van een van deze aspecten wijst niet direct op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid. [3]
11. Een voorwaarde voor de toekenning van compensatie is dat de gedupeerde schade heeft geleden. Het kan hierbij zowel om materiële als om immateriële schade gaan. Als de institutionele vooringenomenheid (of hardheid) heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening van kinderopvangtoeslag, wordt aangenomen dat sprake is geweest van schade. [4]
De beroepsgronden
12. Eiseres voert aan dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat de Dienst zorgvuldig en uitvoerig onderzoek heeft gedaan naar de feiten en omstandigheden. Daarnaast voert eiseres aan dat in het bestreden besluit niet is opgenomen op grond van welke gegevens tot de hoogte van het compensatiebedrag is geconcludeerd. De enkele benoeming van de wet waarop het bestreden besluit is gebaseerd is ontoereikend om tot een gemotiveerd besluit te komen. Verder voert eiseres aan dat het op de weg van de Dienst had gelegen om informatie bij eiseres op te vragen alvorens de kinderopvangtoeslag stop te zetten. Eiseres heeft namelijk niet zelf de kinderopvangtoeslag stopgezet. Door geen navraag bij eiseres te doen, heeft de Dienst vooringenomen gehandeld.
Reikwijdte van het beroep
13. De rechtbank beoordeelt of de Dienst de compensatie op grond van de Wht heeft mogen weigeren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Het beroep is alleen gericht tegen de vaststelling dat eiseres geen gedupeerde is over de jaren 2010, 2013, 2016 en 2017, omdat alleen in die jaren sprake is geweest van een stopzetting van de kinderopvangtoeslag. De rechtbank beoordeelt dus alleen deze toeslagjaren.
Het oordeel van de rechtbank
14. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de Dienst de aanvraag van eiseres om compensatie afwijzen, omdat de Dienst terecht heeft vastgesteld dat geen sprake is geweest van vooringenomen handelen. Dat legt de rechtbank hierna per toeslagjaar uit.
2010
15. De Dienst heeft op 3 augustus 2010 aan eiseres een voorschot van € 21.420,- toegekend. Op 27 oktober 2010 heeft een neerwaartse bijstelling plaatsgevonden naar € 0. Die bijstelling vond plaats naar aanleiding van een stopzetting van de kinderopvangtoeslag met ingang van 1 januari 2010. Met het besluit van 15 juli 2011 is de kinderopvangtoeslag voor 2010 definitief vastgesteld en berekend op € 0, waardoor eiseres werd geconfronteerd met een terugvordering.
16. Uit het Xml-bestand blijkt dat eiseres op 7 oktober 2010 de kinderopvangtoeslag heeft stopgezet per 1 januari 2010. Zoals door de Dienst ter zitting is toegelicht, volgt uit het systeem van de toeslagen dat de Dienst eerst een voorschot verstrekt en daarna pas de definitieve tegemoetkoming vaststelt. [5] Omdat de Dienst de door eiseres opgegeven stopzetting heeft verwerkt, en omdat dat een reguliere correctie betreft, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten dat eiseres vooringenomen is behandeld. Het verzoek om compensatie over 2010 is dus terecht afgewezen. De rechtbank vindt hierbij ook van belang dat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 15 juli 2011, waarin het recht op kinderopvangtoeslag over 2010 definitief is berekend en op € 0 is vastgesteld. Dat had wel op haar weg gelegen als zij het niet eens was met die beschikking.
2013
17. De kinderopvangtoeslag is in 2013 automatisch gecontinueerd met een voorschotbeschikking van € 10.406,-. Omdat op 7 december 2012 telefonisch een stopzetting is doorgegeven, is het voorschot met het besluit van 31 december 2012 bijgesteld naar € 0,-.
18. Uit de melding volgt dat op 7 december 2012 om 09:12 uur telefonisch namens eiseres met ingang van 1 januari 2013 een wijziging naar 0 opvanguren per maand is doorgegeven, om welke reden de Dienst de kinderopvangtoeslag voor 2013 neerwaarts heeft bijgesteld. Zoals de rechtbank heeft geoordeeld, is het verwerken van door de ouder opgegeven wijzigingen geen vooringenomen handelen. Dat de stopzetting ‘namens de burger’ is gedaan en niet door eiseres zelf, maakt niet dat de Dienst nadere uitvraag bij eiseres had moeten doen. Uit het dossier blijkt immers niet dat er iets mis was met de telefonische melding, in die zin dat deze onbevoegdelijk zou zijn gedaan, en eiseres heeft dat ook niet aannemelijk gemaakt. Bovendien had eiseres destijds een bewindvoerder die voor haar de toeslagen regelde. Verder geldt ook voor dit toeslagjaar dat het op de weg van eiseres had gelegen om bezwaar tegen de neerwaartse bijstelling en definitieve berekening te maken.
2016 en 2017
19. Op 28 december 2015 bedroeg het voorschot aan kinderopvangtoeslag € 6.090,- en op 28 december 2016 € 6.414,-. Omdat op 4 januari 2017 om 14:46 uur namens eiseres is verzocht om een stopzetting per 1 januari 2016, heeft de Dienst de voorschotten neerwaarts bijgesteld en de kinderopvangtoeslag daarna definitief berekend en vastgesteld op € 0,-,
Voor deze beoordeling van deze toeslagjaren sluit de rechtbank aan bij wat in rechtsoverweging 18 is overwogen. De Dienst hoefde redelijkerwijs niet te twijfelen aan de melding, waardoor het niet doen van nadere uitvraag geen vooringenomen handelen met zich brengt.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de Dienst het verzoek om compensatie terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
2.Artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.
4.Uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 30 juni 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3087, rechtsoverweging 10.
5.Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 december 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:7857, rechtsoverweging 7.3.