ECLI:NL:RBMNE:2026:4339

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/3790
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WWArt. 27 WWArt. 6 maatregelenbesluit socialezekerheidswettenArt. 2 maatregelenbesluit socialezekerheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging WW-uitkering wegens niet-naleving sollicitatieplicht

Eiseres ontving een WW-uitkering en was verplicht minimaal vier sollicitatieactiviteiten per vier weken te verrichten. Het UWV stelde vast dat zij in de periode van 22 januari tot 18 februari 2025 niet aan deze sollicitatieplicht had voldaan en legde daarom een maatregel op waarbij haar uitkering voor vier maanden met 25% werd verlaagd.

Eiseres voerde aan dat zij wel had gesolliciteerd en overhandigde screenshots en correspondentie met drie bedrijven ter onderbouwing. De rechtbank oordeelde echter dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de sollicitaties in de relevante periode zijn verricht en dat het aantal activiteiten onvoldoende was volgens het werkplan.

Daarnaast stelde eiseres dat zij om medische redenen niet kon solliciteren, maar zij kon dit niet met bewijs onderbouwen en had het UWV geen ziekmelding ontvangen. Het UWV had haar bovendien eerder gewaarschuwd dat bij herhaalde niet-naleving een maatregel zou volgen.

De rechtbank concludeerde dat het UWV terecht de maatregel heeft opgelegd en verklaarde het beroep ongegrond. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de verlaging van de WW-uitkering met 25% wegens niet-naleving van de sollicitatieplicht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3790

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: W.A. Postma).

Procesverloop

1. Met het besluit van 7 april 2025 (het primaire besluit) heeft het Uwv de uitkering van eiseres op grond van de Werkeloosheidswet (WW) met ingang van 1 april 2025 gedurende vier maanden met 25% verlaagd, omdat eiseres in de periode van 22 januari 2025 tot 18 februari 2025 onvoldoende heeft gesolliciteerd.
1.1.
Met het besluit van 10 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar
van eiseres ongegrond verklaard.
1.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft
de gemachtigde van het Uwv deelgenomen. Eiseres is zonder voorafgaand bericht van verhindering niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank moet beoordelen of het Uwv terecht de WW-uitkering van eiseres
voor vier maanden heeft verlaagd met 25% (de maatregel), omdat zij niet aan de sollicitatieplicht heeft voldaan.
3. Eiseres heeft een WW-uitkering ontvangen over de periode van 25 april 2024 tot en met 24 april 2026. Volgens het werkplan dat het Uwv in dat kader met eiseres heeft opgesteld, heeft eiseres de verplichting om per vier weken minimaal vier sollicitatieactiviteiten te verrichten. Volgens het Uwv heeft eiseres in de periode van 22 januari 2025 tot 18 februari 2025 (de relevante periode) niet voldaan aan deze sollicitatieplicht. Daarom heeft het Uwv de maatregel opgelegd. Eiseres is het daar niet mee eens.
Wat is het beoordelingskader?
4. Op grond van artikel 24, eerste lid, sub b onder 1 van de WW dient een werknemer te voorkomen dat hij of zij werkloos blijft door in onvoldoende mate te trachten passende arbeid te verrichten. In artikel 27, derde lid, van de WW wordt bepaald dat de uitkering tijdelijk, blijvend, geheel of gedeeltelijk kan worden beëindigd als niet wordt voldaan aan de voornoemde verplichting. Het maatregelenbesluit socialezekerheidswetten (het maatregelenbesluit) – dat via artikel 27, tiende lid, van de WW van toepassing is – bepaalt in artikel 6 dat Pro de sollicitatieplicht een verplichting uit de 3e categorie is. In artikel 2, eerste lid, sub c van het maatregelenbesluit wordt bepaald dat de maatregel voor het schenden van de sollicitatieplicht een korting van 25% is gedurende een periode van tenminste vier maanden.
Heeft eiseres de sollicitatieplicht geschonden?
5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij in de relevante periode wel heeft gesolliciteerd. Ter onderbouwing daarvan heeft zij screenshots overgelegd van door haar verrichte sollicitatieactiviteiten die zij in het Uwv portaal heeft ingevoerd. Daarnaast heeft zij correspondentie met een drietal bedrijven overgelegd, te weten [bedrijf 1]
, [bedrijf 2] en [bedrijf 3] .
6. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Voor zover eiseres met haar standpunt wil betogen dat zij in de relevante periode wel aan de sollicitatieplicht heeft voldaan, kan dat betoog niet slagen. Uit de door haar overgelegd screenshots volgt juist dat in de relevante periode geen sollicitatieactiviteiten zijn ingevoerd door eiseres. Verder kan ook uit de overgelegde correspondentie niet worden opgemaakt dat de desbetreffende sollicitatieactiviteiten in de relevante periode zijn verricht. Bovendien zou het daarbij gaan om ten hoogste drie sollicitatieactiviteiten, terwijl in het werkplan is voorgeschreven dat er tenminste vier sollicitatieactiviteiten moesten worden verricht. Daarmee zou dus nog steeds niet zijn voldaan aan de sollicitatieplicht.
7. Eiseres stelt zich in het beroepschrift – zo begrijpt de rechtbank – ook op het standpunt dat zij om medische redenen niet aan de sollicitatieplicht kan voldoen. De rechtbank volgt eiseres daarin niet. Daarbij is van belang dat het Uwv heeft aangegeven dat in de relevante periode geen ziekmelding van eiseres bekend was. Eiseres heeft ook niet met stukken onderbouwd dat zij in de relevante periode ziek was en dat zij daardoor niet kon werken. Bovendien had het in dat geval op haar weg gelegen om op dat moment contact op te nemen met het Uwv hierover, zoals het werkplan ook voorschrijft. Uit het dossier blijkt niet dat eiseres dat heeft gedaan en ook het Uwv is hierover niets bekend.
8. Gelet op het voorgaande heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat eiseres in de relevante periode haar sollicitatieplicht heeft geschonden.
Heeft het Uwv de maatregel terecht opgelegd?
9. Naar het oordeel van de rechtbank kon het Uwv ook overgaan tot het opleggen van de maatregel. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het Uwv bij brief van 10 januari 2025 al had geconstateerd dat eiseres in de periode 27 november tot 24 december 2024 eveneens niet aan haar sollicitatieplicht had voldaan. Het Uwv heeft het toen gelaten bij een waarschuwing, en aangegeven dat als eiseres binnen twee jaar na 10 januari 2025 nog een keer niet aan haar verplichtingen zou voldoen, zij mogelijk een lagere uitkering zou ontvangen. Eiseres was daarmee voorafgaand aan de relevante periode dus ook bekend met de gevolgen die het niet nakomen van haar sollicitatieplicht voor haar WW-uitkering kon hebben.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom ook het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vermeer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.