Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.De procedure
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met 4 producties;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
Rechtbank Midden-Nederland
Partijen sloten op 1 april 2019 een overeenkomst waarbij [eiseres] B.V. softwarelicenties leverde aan [gedaagde] B.V. voor automatisering van vakantieparken. [gedaagde] betwistte betaling van openstaande facturen, stellende dat haar dochtervennootschap [bedrijf] B.V. partij zou zijn en dat coronamaatregelen tot onvoorziene omstandigheden leidden.
De rechtbank oordeelde dat alleen [gedaagde] partij is bij de overeenkomst, omdat zij deze heeft ondertekend en [bedrijf] ten tijde van het sluiten nog niet bestond. De betaling door [bedrijf] doet hieraan niet af, aangezien een derde een schuld kan voldoen. Een beroep op vereenzelviging tussen [gedaagde] en [bedrijf] faalde wegens onvoldoende onderbouwing.
De rechtbank verwierp het beroep op onvoorziene omstandigheden wegens corona, omdat [gedaagde] onvoldoende aannemelijk maakte dat zij zelf direct door de maatregelen was getroffen. Ook een beroep op redelijkheid en billijkheid slaagde niet.
[gedaagde] werd veroordeeld tot betaling van € 25.809,43 aan openstaande facturen, een gematigde contractuele rente van € 10.000,00 wegens buitensporigheid, en buitengerechtelijke incassokosten van € 1.033,09. De proceskosten werden eveneens aan [eiseres] toegewezen. De reconventionele vorderingen van [gedaagde] werden afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt [gedaagde] tot betaling van openstaande facturen, matigt de contractuele rente en wijst de reconventionele vorderingen af.