ECLI:NL:RBMNE:2026:4360

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
UTR 24/7086-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 6:5 AwbArt. 17 GrondwetArt. 6 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzet wegens niet-tijdige indiening verzetsgronden in belastingzaak

Opposant heeft verzet ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank van 23 december 2025, waarin het beroep van opposant tegen een belastingaanslag ongegrond werd verklaard. De rechtbank beoordeelt eerst of het verzet ontvankelijk is, waarbij van opposant wordt verlangd dat hij tijdig en gemotiveerd verzetsgronden indient.

De rechtbank heeft opposant op 29 januari 2026 aangetekend verzocht om uiterlijk 12 februari 2026 zijn verzetsgronden kenbaar te maken. Hoewel opposant later gronden heeft ingediend, gebeurde dit niet tijdig en zonder geldige reden voor de vertraging. Hierdoor is het verzet niet-ontvankelijk verklaard en wordt de uitspraak van 23 december 2025 in stand gelaten.

Daarnaast heeft opposant een verzoek ingediend tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsprocedure. De rechtbank constateert dat de redelijke termijn met ongeveer vier maanden is overschreden, maar het financiële belang van de zaak blijft onder de €1.000,-. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad wordt volstaan met de constatering van de termijnoverschrijding en wordt het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.

De uitspraak is gedaan door rechter J. Wolbrink en griffier D. Burggraaf op 13 juli 2026. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden binnen zes weken na verzending.

Uitkomst: Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening van verzetsgronden en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/7086-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 op het verzet van

[opposant] , uit [plaats] , opposant

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE),

Inleiding

1. Deze uitspraak op verzet gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht van 14 oktober 2024.
1.1.
In de uitspraak van 23 december 2025 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft schriftelijk gereageerd op het verzet.
1.3.
De rechtbank heeft het verzet op 1 juni 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van opposant heeft hieraan deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak eerst of in de uitspraak van
23 december 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep ongegrond is. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van
23 december 2025 niet juist was.
3. Opposant moet uitleggen waarom hij het niet eens is met de uitspraak van de rechtbank van 23 december 2025. Dat worden ‘verzetgronden’ genoemd. [2] Als dat niet gebeurt, dan is de hoofdregel dat de rechtbank het verzet niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom er geen verzetsgronden zijn genoemd. Het gaat dan om omstandigheden waar opposant niets aan kan doen.
4. De rechtbank heeft opposant op 29 januari 2026 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat hij uiterlijk 12 februari 2026 moet aangeven waarom hij het niet eens is met de uitspraak van 23 december 2025. Volgens de Track&Trace van PostNL is deze brief op 30 januari 2026 bezorgd. De gemachtigde van opposant heeft een niet nader onderbouwd verzoek tot heropenen van het onderzoek ingediend. Vervolgens heeft hij nogmaals tweemaal een verzetschrift ingediend zonder verzetgronden. De rechtbank is van oordeel dat uit deze stukken niet blijkt waarom opposant het niet eens is met de uitspraak van
23 december 2025. Opposant heeft weliswaar op 20 februari 2026 gronden ingediend, maar er is volgens de rechtbank geen geldige reden waarom opposant dit niet voor
12 februari 2026 had kunnen indienen.
5. De rechtbank stelt vast dat opposant niet tijdig verzetsgronden heeft ingediend. Het is de rechtbank niet gebleken dat dit verzuim opposant niet is toe te rekenen. Het verzet is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het verzet van opposant niet inhoudelijk zal worden behandeld en dat de uitspraak van de rechtbank van
23 december 2025 in stand blijft.
Immateriële schadevergoeding
6. Opposant heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over zijn belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. De rechtbank toetst het verzoek aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mensen en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt.
7. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk.
8. In de 8:54-uitspraak is reeds op het verzoek om immateriële schadevergoeding van opposant beslist. In deze uitspraak was de redelijke termijn nog niet overschreden. Met de uitspraak op verzet constateert de rechtbank dat sinds de ontvangst van het bezwaarschrift de redelijke termijn van twee jaar, na het doen van uitspraak op verzet, met (afgerond) 4 maanden is overschreden.
9. Voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. In het arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad [3] beslist dat in gevallen waarbij het financiële belang bij een procedure minder is dan € 1.000,- en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, volstaan kan worden met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank moet dan ook beoordelen of deze bagatelgrens wordt gehaald.
10. De rechtbank stelt vast dat het financiële belang in deze zaak niet boven € 1.000,- komt. De aanslag OZB en watersysteemheffing (waarbij de WOZ-waarde de maatstaaf is) is namelijk gezamenlijk € 587,53. De omvang van het financiële belang is hoe dan ook niet meer dan € 1.000,-. Omdat daarnaast de overschrijding van de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, kan de belastingrechter volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank zal dit dan ook toepassen. Het verzoek om immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet niet-ontvankelijk;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
mr.D. Burggraaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:55, tweede lid, in combinatie met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb.