ECLI:NL:RBMNE:2026:4386

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/6363
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a AnwArt. 3:2 AwbArt. 3:4 AwbArt. 3:46 AwbArt. 4:84 Awb
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing kostendelersnorm bij nabestaandenuitkering ondanks zorgbehoefte inwonende zoon

Eiseres diende een aanvraag in voor een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) na het overlijden van haar partner. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende de uitkering toe met toepassing van de kostendelersnorm, omdat eiseres samenwoont met haar meerderjarige, ernstig gehandicapte zoon die een Wajong-uitkering ontvangt.

Eiseres voerde in beroep aan dat de kostendelersnorm niet toegepast had mogen worden, omdat het wettelijk vermoeden van kostendeling weerlegbaar is en de toepassing leidt tot een onrechtvaardig resultaat. Zij stelde dat de Svb onvoldoende onderzoek had gedaan en dat toepassing van de norm strijdig is met diverse artikelen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tevens deed zij een beroep op de hardheidsclausule.

De rechtbank oordeelde dat de kostendelersnorm dwingendrechtelijk is en dat geen uitzonderingssituaties van toepassing zijn. De wetgever heeft bewust gekozen de norm ook toe te passen bij personen met een zorgbehoefte die samenwonen met bloedverwanten. Het feit dat de zoon niet bijdraagt in de kosten doet hier niet aan af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het terugvorderen van griffierecht en proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de toepassing van de kostendelersnorm en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6363

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de Svb

(gemachtigde: mr. S. Pinar).

Procesverloop

1. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Svb heeft deze aanvraag met het besluit van 17 juli 2025 toegekend vanaf augustus 2025 en daarbij de kostendelersnorm toegepast. Met het bestreden besluit van 27 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres heeft de Svb de
Anw-uitkering toegekend vanaf mei 2025 en daarbij de kostendelersnorm toegepast.
2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door [A.] (zoon) en [B.] (dochter), en de gemachtigde van de Svb.

Beoordeling door de rechtbank

4. Op [datum overlijden] 2025 is de partner van eiseres overleden. Op 2 juni 2025 heeft eiseres een aanvraag voor een nabestaandenuitkering ingediend. Eiseres was op de dag van het overlijden van haar partner voor meer dan 45% arbeidsongeschikt. Eiseres woont samen met haar meerderjarige zoon, die lichamelijk en verstandelijk ernstig gehandicapt is en een Wajong-uitkering ontvangt.
5. De Svb heeft vanaf mei 2025 een inkomensafhankelijke Anw-uitkering aan eiseres toegekend. Omdat eiseres een inwonende zoon heeft, heeft de Svb de kostendelersnorm toegepast. De Anw-uitkering is gebaseerd op 50% van het minimuminkomen.
6. Eiseres voert in beroep aan dat de kostendelersnorm niet had mogen worden toegepast. Volgens eiseres gaat de Svb voorbij aan het feit dat het wettelijk vermoeden van kostendeling, neergelegd in artikel 1a van de Anw, weerlegbaar is. Zij wijst op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 oktober 2017. [1] Het toepassen van de kostendelersnorm leidt tot een onrechtvaardig en onbedoeld resultaat. Eiseres wordt financieel benadeeld door het bieden van een thuis aan haar ernstig gehandicapte zoon. De Svb heeft nagelaten de relevante feiten te onderzoeken. Er bestaat volgens eiseres strijd met de artikelen 3:2, 3:4 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres doet tot slot een beroep op de hardheidsclausule (artikel 4:84 van Pro de Awb).
7. De rechtbank stelt vast dat eiseres samen met haar meerderjarige zoon hoofdverblijf heeft in dezelfde woning als bedoeld in artikel 17, vijfde lid, van de Anw. Omdat geen van de uitzonderingssituaties neergelegd in artikel 17, zesde en zevende lid, van toepassing is, moet de Svb de kostendelersnorm toepassen. Artikel 17, vijfde lid, van de Anw is immers dwingendrechtelijk van aard.
8. Hieraan voegt de rechtbank toe dat de wetgever bij de invoering van de kostendelersnorm heeft overwogen dat rekening moet worden gehouden met de voordelen van het delen van een woning, ongeacht de redenen waarom men de woning deelt. Daarbij heeft de wetgever er bewust voor gekozen om de kostendelersnorm ook van toepassing te laten zijn op personen die hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben als een bloedverwant in de eerste of tweede graad en waarbij sprake is van een zorgbehoefte. [2] Dat de zoon van eiseres vanwege zijn zorgbehoefte bij eiseres woont en van haar afhankelijk is, kan er daarom op zichzelf niet toe leiden dat de Svb van de kostendelersnorm afwijkt.
9. De stelling dat de zoon van eiseres niet kan bijdragen in de kosten en dat eiseres door toepassing van de kostendelersnorm financieel wordt benadeeld, kan evenmin leiden tot het buiten toepassing laten van de kostendelersnorm. Het is namelijk niet van belang of de medebewoner de kosten feitelijk deelt of daadwerkelijk bijdraagt in de kosten. Uitgangspunt is dat ook in de situatie van eiseres de kosten kunnen worden gedeeld met een ander [3] . Hoewel de rechtbank begrijpt dat de uitkomst voor eiseres onbevredigend voelt, biedt de Anw niet de mogelijkheid om een andere beslissing te nemen.
10. De rechtbank is daarom van oordeel dat de Svb terecht de kostendelersnorm heeft toegepast op de Anw-uitkering van eiseres.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van
mr.M. van Ettikhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken
op 2 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Kamerstukken II 2013-2014, 33 801, nr. 19, p. 15-16.
3.Zie de uitspraak van de CRvB van 10 maart 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:524).