ECLI:NL:RBMNE:2026:4393
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens overschrijding redelijke termijn
Eiser kreeg op 12 februari 2025 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat zijn auto op 29 januari 2025 om 18:09 uur geparkeerd stond zonder dat de verschuldigde belasting was betaald. Eiser maakte bezwaar, dat op 17 maart 2025 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank.
Tijdens de zitting op 22 juni 2026 was eiser afwezig, maar de gemachtigde van de heffingsambtenaar was aanwezig. De rechtbank stelde vast dat eiser pas om 18:26 uur een betalingsbewijs overlegde, wat 17 minuten na het scannen van de auto was. Eiser stelde dat hij op zoek was naar een parkeerautomaat en niet bekend was met de situatie ter plaatse.
De heffingsambtenaar voerde aan dat de redelijke termijn direct begint bij het parkeren en dat de parkeerder onafgebroken bezig moet zijn met het betalen van de belasting. De rechtbank oordeelde dat er te veel tijdsverloop was en geen onafgebroken handelingen plaatsvonden. Daarom was de naheffingsaanslag terecht opgelegd en werd het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting is ongegrond verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn en ontbreken van onafgebroken handelingen.