ECLI:NL:RBMNE:2026:4394

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
UTR 24/2638
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17, tweede lid, Wet WOZArt. 30a, tweede lid, Wet WOZArt. 30a, vierde lid, Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering WOZ-waarde woning na compromis en proceskostenvergoeding toegekend

De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van de woning vast op €523.000 per 1 januari 2022 voor het belastingjaar 2023. Na bezwaar werd deze waarde verlaagd naar €461.000, maar eiser stelde beroep in tegen deze uitspraak. Tijdens de zitting bereikten partijen een compromis waarbij de WOZ-waarde werd vastgesteld op €314.000.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en verlaagde de WOZ-waarde conform het compromis. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten in beroep en het betaalde griffierecht. De proceskostenvergoeding werd vastgesteld zonder toepassing van de vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a, tweede lid, Wet WOZ, omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde van eiser niet voldeed aan de kenmerken van een no cure no pay-constructie.

Het verzoek van eiser om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen, omdat de redelijke termijn van twee jaar niet was overschreden. De termijn liep van ontvangst van het bezwaarschrift op 28 september 2023 tot het compromis op 24 september 2025, waarna het geschil over de belastingheffing was beëindigd.

De uitspraak is gedaan door rechter V.E.H.G. Visser en griffier T. Mennen op 21 mei 2026. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: De WOZ-waarde wordt verlaagd tot €314.000 en de heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht; verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2638

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: A. Oosters)
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente], de heffingsambtenaar
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans)

Inleiding

De heffingsambtenaar heeft met de beschikking van 30 september 2023 op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de WOZ-waarde van de woning aan de [adres] in [plaats] vastgesteld op € 523.000,-. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2022 en geldt voor het belastingjaar 2023. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum. In dit aanslagbiljet heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing ‘gebouwd’ opgelegd. De WOZ-waarde is daarvoor als heffingsmaatstaf gehanteerd.
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 15 februari 2024 (de bestreden uitspraak) het bezwaar (deels) gegrond verklaard en besloten de waarde van de woning te verlagen naar € 461.000,-. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak.
Het beroep is behandeld op de zitting van 26 februari 2026. Daarbij zijn verschenen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, vergezeld door [taxateur] , taxateur.

Beoordeling door de rechtbank

4. In deze zaak is de WOZ-waarde van de woning niet meer in geschil. Per e-mailberichten van 24 september 2025 hebben partijen bij wijze van compromis overeenstemming bereikt en wel in die zin dat naar hun oordeel de waarde in het economische verkeer, als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2022 moet worden vastgesteld op € 314.000,-.
5. In het kader van de proceskosten stelt de gemachtigde van eiser dat hij (althans zijn kantoor) een bijzonder geval is in de zin van de recente arresten van de Hoge Raad. [1] De WOZ factor van artikel 30a van de Wet WOZ is daarom niet op hem van toepassing. Verweerder stelt zich op het standpunt dat (het kantoor van de) gemachtigde niet valt aan te merken als bijzonder geval en dat de vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a dient te worden toegepast.
Conclusie en gevolgen
6. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep kennelijk gegrond verklaren, de uitspraak op bezwaar vernietigen en de waarde van de woning per waardepeildatum
1 januari 2022 voor het belastingjaar 2023 verlagen tot € 314.000,-.
Proceskosten en griffierecht
7. Gelet op het bovenstaande is het beroep gegrond. Dit betekent dat de heffingsambtenaar in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep wordt veroordeeld en het betaalde griffierecht moet vergoeden. De door eiser gemaakte proceskosten in bezwaar zijn reeds door de heffingsambtenaar vergoed.
8. De vergoeding voor de kosten van de bezwaar- en beroepsfase wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld. De rechtbank zal bij de vaststelling van de wegingsfactor aansluiting zoeken bij de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 14 oktober 2025 [2] en het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer.
9. Op grond van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ wordt het bedrag dat strekt tot vergoeding van de kosten die betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vermenigvuldigd met 0,25 indien het besluit genomen op grond van de Wet WOZ wordt vernietigd of gewijzigd, behoudens bijzondere omstandigheden. Er is sprake van een bijzonder geval als kennelijk geen sprake is van het volgende: aan de belanghebbende wordt rechtsbijstand verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel erin bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende. [3] De vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, kennelijk niet deze drie kenmerken heeft, moet worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend. [4]
10. Eiser heeft op 8 april 2024 beroep ingesteld. De gemachtigde van eiser heeft onbetwist gesteld dat het bedrijfsmodel van zijn kantoor vanaf 1 januari 2024 erin bestaat dat niet (meer) wordt opgetreden op basis van no cure no pay. Een belanghebbende betaalt € 99,- voor een beoordeling van het aanslagbiljet, € 250,- voor het voeren van een bezwaarprocedure en € 395,- voor het voeren van een beroepsprocedure. [5] Deze vergoedingen zijn niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. [6] Naar het oordeel van de rechtbank voldeed het bedrijfsmodel van het kantoor van de gemachtigde van eiser daarom ten tijde van het instellen van beroep kennelijk niet aan het in overweging 5.4. onder (i) genoemde kenmerk. Dat betekent dat sprake is van een bijzonder geval en de eerste zin van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ geen toepassing vindt. Het bedrag dat strekt tot vergoeding van de kosten die betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt dus niet vermenigvuldigd met 0,25. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding tot matiging van de vergoeding van proceskosten, zoals ter zitting door de heffingsambtenaar verzocht. Het feit dat er meerdere zaken op één zitting worden behandeld is geen omstandigheid die leidt tot matiging.
11. De rechtbank stelt de proceskosten voor de beroepsfase vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,-, wegingsfactor 1).
12. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar ook het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- kosten vergoeden.
13. Op grond van artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ mag de heffingsambtenaar de in deze uitspraak toegekende proceskosten en het griffierecht uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiser. Voor dit artikel geldt geen overgangsrecht.

Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

14. De rechtbank overweegt dat in dit geval de redelijke termijn van twee jaar is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift door de heffingsambtenaar op 28 september 2023. Deze periode is ten einde gekomen op 24 september 2025 met het overeengekomen compromis en verlaging van de WOZ-waarde en de aanslag OZB. Daarmee is namelijk een einde gekomen aan het geschil inzake de belastingheffing. [7] Dat daarna nog een beroepsprocedure is gevoerd over de vergoeding van de proceskosten maakt dit niet anders. Dit betekent dat de redelijke termijn niet is overschreden en het verzoek van eiser wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • verlaagt de waarde van de woning aan de [adres] in [plaats] tot € 314.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022;
  • bepaalt dat de aanslag onroerendezaakbelastingen en watersysteemheffing dienovereenkomstig wordt verminderd;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet voldoen;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, Hoge Raad 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670 en Hoge Raad 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1383.
2.ECLI:NL:GHARL:2025:6427. Voor het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer, zie bijlage bij ECLI:NL:GHARL:2024:5335
3.HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.1 en 3.5.2.
4.HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670, r.o. 3.4.3.
5.https://www.wozconsultants.nl/wp-content/uploads/2025/10/Overeenkomst-2025.pdf
6.HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1375, r.o. 2.6.2 en 2.7.1.
7.Zie het arrest van de Hoge Raad, 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1128.