ECLI:NL:RBMNE:2026:4401

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/3359
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking beroep wegens tijdige beslissing op Woo-verzoek

Verzoekster diende op 11 mei 2026 een beroep in bij de rechtbank omdat het college van Gedeputeerde Staten van Utrecht niet tijdig had beslist op haar verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). Verweerder nam op 12 mei 2026 alsnog een besluit op het Woo-verzoek, waarna verzoekster haar beroep introk en een vergoeding van proceskosten vorderde.

De rechtbank oordeelde dat verweerder met het besluit aan verzoekster tegemoet was gekomen en veroordeelde verweerder tot vergoeding van de proceskosten. De proceskosten werden vastgesteld op € 467,-, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarbij rekening werd gehouden met het indienen van het beroepschrift en de verleende rechtsbijstand.

Daarnaast wees de rechtbank erop dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 200,- te vergoeden, zoals bepaald in artikel 8:41, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Verzoekster dient zich hiervoor rechtstreeks tot verweerder te wenden.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting, omdat de rechtbank voldoende informatie had om het verzoek te beoordelen. De beslissing werd op 25 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door rechter G. Schnitzler.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt het college van Gedeputeerde Staten van Utrecht tot betaling van € 467,- aan proceskosten na intrekking van het beroep wegens een alsnog genomen besluit op het Woo-verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/3359

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: A. van Straaten),
en

het college van Gedeputeerde Staten van Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft op 11 mei 2026 beroep ingesteld bij de rechtbank, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).
Verweerder heeft op 12 mei 2026 alsnog een besluit genomen op het Woo-verzoek van verzoekster. Verzoekster heeft het beroep daarna ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen. [1]
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen
.Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster. Verweerder heeft wel op 9 juni 2026 een e-mail gestuurd, waarin verweerder aangeeft dat verzoekster in aanmerking komt voor een proceskostenvergoeding.
4. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het besluit van 12 mei 2026 tegemoet is gekomen aan verzoekster. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom tot vergoeding van de door verzoekster gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze proceskosten met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde van verzoekster verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). [2]
5. Uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 200,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
de griffier is niet in de gelegenheid
te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Voetnoten

1.Artikel 8:75a in combinatie met artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.Conform de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1796.