ECLI:NL:RBMNE:2026:4437

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/6130
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 AwirArt. 8 AwirArt. 2 Awir
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Dienst Toeslagen mocht definitief jaarinkomen gebruiken bij berekening zorgtoeslag 2023

Eiser ontving zorgtoeslag voor 2023, maar kreeg meer toegekend dan waar hij recht op had omdat zijn definitieve jaarinkomen hoger was dan het geschatte inkomen waarop de voorschotten waren gebaseerd.

Dienst Toeslagen berekende de definitieve toeslag op basis van het definitieve jaarinkomen van €30.763,-, terwijl eiser betoogde dat alleen het inkomen tot zijn vertrek uit Nederland in augustus 2023 in aanmerking had moeten worden genomen. De rechtbank oordeelt dat de wet voorschrijft dat het definitieve jaarinkomen leidend is, ook als iemand niet het hele jaar in Nederland woonde.

Daarnaast stelde eiser dat de terugvordering van het teveel ontvangen bedrag van €744,- onevenredig was, maar de rechtbank vond dit niet aannemelijk. Zorgtoeslag is immers inkomensafhankelijk en het terugvorderen van het verschil is gerechtvaardigd.

De rechtbank verleende eiser vrijstelling van griffierecht en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van het vonnis.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat Dienst Toeslagen het definitieve jaarinkomen mocht gebruiken en de terugvordering niet onevenredig is.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6130

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht

(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] )

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of Dienst Toeslagen eisers jaarinkomen mocht betrekken bij het berekenen van zijn recht op zorgtoeslag terwijl eiser niet het hele jaar in Nederland woonde en stond ingeschreven. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Dienst Toeslagen eisers jaarinkomen kon gebruiken bij het berekenen van zijn recht op zorgtoeslag. Ook komt de rechtbank tot het oordeel dat het terugvorderen van de teveel ontvangen zorgtoeslag niet onevenredig is in het geval van eiser. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser dus geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

5. Met het besluit van 5 september 2025 heeft Dienst Toeslagen eisers zorgtoeslag voor het jaar 2023 definitief berekend op € 992,- en het teveel verstrekte voorschot van
€ 744,- teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 21 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
6. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
7. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
8. De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser met behulp van een beeldverbinding en de gemachtigden van Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

Vrijstelling griffierecht
9. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen. Eiser heeft voldoende aangetoond dat hij aan de voorwaarden voor deze vrijstelling voldoet. De rechtbank verleent eiser daarom vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen.
Het bestreden besluit
10. Dienst Toeslagen heeft voor het jaar 2023 twee voorschotten voor zorgtoeslag aan eiser toegekend. Op 28 december 2022 heeft Dienst Toeslagen het voorschot voor zorgtoeslag vastgesteld op € 1.858,-. Op 2 februari 2024 heeft Dienst Toeslagen het voorschot voor zorgtoeslag vastgesteld op € 1.703,-. Dienst Toeslagen is bij het berekenen van deze voorschotten uitgegaan van eisers jaarinkomen van € 11.204,-.
11. Dienst Toeslagen heeft eisers zorgtoeslag voor 2023 definitief berekend op
€ 992,-. Dienst Toeslagen heeft het teveel verstrekte voorschot van € 744,- daarom teruggevorderd. Dienst Toeslagen is bij de definitieve berekening uitgegaan van een definitief jaarinkomen van € 30.763,-.
Het standpunt van eiser
12. Eiser vindt dat Dienst Toeslagen onterecht uitgaat van een definitief jaarinkomen van € 30.763,- voor 2023. Eiser is sinds 10 augustus 2023 niet meer ingeschreven in Nederland, omdat hij naar Duitsland is verhuisd. Volgens eiser had Dienst Toeslagen zijn recht op zorgtoeslag moeten berekenen aan de hand van het inkomen dat hij in de periode januari tot en met augustus van 2023 had. Dienst Toeslagen had dus niet het definitieve jaarinkomen van 2023 mogen gebruiken bij het berekenen van zijn recht op zorgtoeslag voor dat jaar. Verder vindt eiser dat de terugvordering van de teveel ontvangen zorgtoeslag niet evenredig is. Eiser heeft op de zitting toegelicht dat hij voldoet aan de voorwaarden voor het ontvangen van zorgtoeslag en dat de terugvordering daarom niet evenredig is.
Jaarinkomen
13. De rechtbank oordeelt dat Dienst Toeslagen bij het berekenen van eisers zorgtoeslag voor 2023 mocht uitgaan van het definitieve jaarinkomen van € 30.763,-. Uit de wet blijkt dat Dienst Toeslagen bij het berekenen van het recht op toeslagen uitgaat van het inkomen dat de Belastingdienst vaststelt. [1] In het geval van eiser is dat € 30.763,-. Voor zover eiser het niet eens is met deze vaststelling van zijn jaarinkomen voor 2023 ligt het op de weg van eiser om bezwaar te maken tegen deze vaststelling van de Belastingdienst in het kader van de inkomstenbelasting voor dat jaar.
14. Ook oordeelt de rechtbank dat eiser niet van Dienst Toeslagen kan verwachten dat zijn recht op zorgtoeslag wordt berekend aan de hand van zijn maandinkomen over de periode januari tot en met augustus van 2023 in plaats van zijn jaarinkomen van 2023. Uit de tekst van artikel 8, eerste lid, van de Awir en uit rechtspraak volgt dat Dienst Toeslagen bij het berekenen van het recht op zorgtoeslag uitgaat van het jaarinkomen. [2] Dat is dus ook het geval als iemand niet het hele jaar in Nederland heeft gewoond of alleen een deel van het jaar recht heeft op zorgtoeslag.

Evenredigheid

15. Verder oordeelt de rechtbank dat de terugvordering van de teveel ontvangen zorgtoeslag niet onevenredig is. Eiser stelt terecht dat hij in 2023 voldeed aan de voorwaarden voor het ontvangen van zorgtoeslag. Zorgtoeslag is een inkomensafhankelijke regeling. Dat wil zeggen dat de hoeveelheid zorgtoeslag waar eiser recht op heeft afhankelijk is van de hoogte van zijn inkomen. Omdat Dienst Toeslagen bij de definitieve berekening is uitgegaan van een hoger jaarinkomen dan bij de voorschotten is eisers recht op zorgtoeslag uiteindelijk lager dan eerder is vastgesteld bij de voorschotten. Dat Dienst Toeslagen dit verschil terugvordert is niet alleen daarom al onevenredig. Eiser heeft verder geen redenen naar voren gebracht waarom het in zijn geval onevenredig is om de teveel ontvangen zorgtoeslag terug te vorderen.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juni.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dat volgt uit artikel 7, eerste lid en artikel 8, eerste lid en artikel 2, eerste lid, onder o, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 november 2022, vindplaats ECLI:NL:RVS:2022:3484, overweging 8.2.