ECLI:NL:RBMNE:2026:4440

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
12240316 \ UV EXPL 26-127
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:94 BWArt. 6:119 BWArt. 7:653 lid 3 BWArt. 7:653 lid 5 BWArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming concurrentie- en relatiebeding met matiging boetes en dwangsom

In deze kortgedingprocedure vordert eiser nakoming van het concurrentie- en relatiebeding uit de arbeidsovereenkomst met gedaagde, die na beëindiging van het dienstverband werkzaamheden verrichtte bij een concurrent en contact had met klanten van eiser.

De kantonrechter oordeelt dat gedaagde het concurrentiebeding heeft overtreden door werkzaamheden te verrichten voor een concurrent binnen de geografische straal en het relatiebeding door contact te leggen met klanten van eiser. De oprichting van een eenmanszaak door gedaagde vormt geen overtreding van het concurrentiebeding.

De boetes worden gematigd tot € 2.000,- wegens onvoldoende onderbouwing van schade en disproportionaliteit. Gedaagde wordt veroordeeld tot staken van werkzaamheden binnen de straal van 35 km en nakoming van het relatiebeding tot 31 augustus 2026, met een dwangsom van € 500,- per dag. De vorderingen tot schorsing van de bedingen en schadevergoeding worden afgewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot nakoming concurrentie- en relatiebeding, betaling van gematigde boetes en dwangsom, vorderingen tot schorsing en schadevergoeding worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12240316 \ UV EXPL 26-127
Vonnis in kort geding van 6 juli 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser],
statutair gevestigd te [plaats] , kantoorhoudend te [kantoorhoudend] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. I.D.C.J. van Driel,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam [handelsnaam] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. T.H.H. Pham.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 11 producties
- de nadere producties 12 tot en met 14 van [eiser]
- het verweerschrift, tevens houdende een eis in reconventie, met 5 producties
- de mondelinge behandeling van 22 juni 2026
- de pleitnota’s van de gemachtigden.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 juni 2026. Namens [eiser] waren aanwezig de heer [A] , bestuurder, en mevrouw [B] , gevolmachtigde, bijgestaan door de gemachtigde, mr. Van Driel. [gedaagde] was aanwezig, samen met zijn echtgenote, [C] , bijgestaan door de gemachtigde, mr. Pham. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht aan de hand van een pleitnota. Partijen hebben geantwoord op de door de kantonrechter gestelde vragen en zij hebben op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.
1.3
Daarna is uitspraak bepaald.
2 De kern van de zaak
2.1
[eiser] verwijt [gedaagde] dat hij de tussen hen overeengekomen concurrentie- en relatiebedingen heeft overtreden. [eiser] vordert in deze procedure nakoming door
[gedaagde] van deze bedingen en betaling van boetes voor het overtreden van de bedingen. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] gedeeltelijk toe.
[gedaagde] wordt veroordeeld om tot 31 augustus 2026 alle werkzaamheden in strijd met het concurrentiebeding te staken en geen contact te leggen met relaties van [eiser] op straffe van een dwangsom. [gedaagde] wordt ook veroordeeld om een voorschot op verbeurde boetes voor het overtreden van het concurrentie- en het relatiebeding te betalen. De kantonrechter ziet aanleiding voor matiging van de verbeurde boetes en de op te leggen dwangsom. De vorderingen van [gedaagde] in reconventie tot schorsing van het concurrentie- en het relatiebeding en tot toekenning van een schadevergoeding worden afgewezen.

3.De achtergrond van de zaak

3.1
[eiser] is een onderneming die zich bezighoudt met boomverzorging, dienstverlening voor de bosbouw, onderhoud van tuinen, parken en plantsoenen, en het ter beschikking stellen van arbeidskrachten. [eiser] is gevestigd in [plaats] en heeft negen werknemers.
3.2
[gedaagde] , 32 jaar oud, is op 17 augustus 2020 in dienst getreden bij [eiser] . Zijn laatst verrichte functie bij [eiser] was Voorman A Boomverzorger op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De laatste arbeidsovereenkomst is ondertekend op 8 maart 2023.
3.3
In de arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding (artikel 14), een relatiebeding (artikel 15) en een boetebeding (artikel 20.2) opgenomen. Deze bedingen luiden als volgt:
“14 Concurrentiebeding
Het is werknemer zowel tijdens de arbeidsovereenkomst als gedurende een periode van
1 jaar na het eindigen daarvan verboden om zonder schriftelijke toestemming van Werkgever binnen een straal van 35 kilometer van de vestigingsplaats van Werkgever, direct noch indirect, noch voor zichzelf noch voor derden, in enigerlei vorm werkzaam of betrokken te zijn in of bij enige onderneming met activiteiten die gelijk, gelijksoortig, aanverwant of op enig andere wijze concurrerend zijn aan of met de activiteiten van Werkgever of die van met Werkgever gelieerde ondernemingen, hieronder onder meer begrepen het financieel of op andere wijze deelnemen aan en/of het hebben van directe of indirecte zeggenschap over een dergelijke onderneming.

15.Relatiebeding

15.1
Werknemer verbindt zich gedurende 1 jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst zich ervan te zullen onthouden contacten te (doen) leggen en/of te (doen) onderhouden, zowel direct als indirect, zowel voor zichzelf als voor derden, met klanten, leveranciers of andere relaties van Werkgever, en de aan haar gelieerde ondernemingen, een en ander voor zover met als doel om daarmee commerciële relaties te onderhouden of aan te gaan.
15.2
Onder klanten dienen te worden verstaand die consumenten, overheden, bedrijven, ondernemingen en/of instellingen in wier opdracht, al dan niet direct, Werkgever gedurende de laatste 36 maanden van het dienstverband met Werknemer werkzaamheden heeft verricht, (..).
15.3 (..)
Uitgezonderd van het relatiebeding zijn contacten die strikt persoonlijk zijn, dat wil zeggen geen direct of indirect zakelijk of wervend karakter hebben.

20.Boetebeding

20.2
Werkgever behoudt zich het recht voor om bij overtreding of niet-nakoming door werknemer van één of meer van de in artikelen (..) 14, 15 (..) genoemde verplichtingen, zonder dat ingebrekestelling is vereist, aan Werknemer voor iedere overtreding een onmiddellijk opeisbare boete van € 10.000,00 op te leggen, alsmede een aanvullende boete van € 500,00 voor elke dag dat de overtreding na mededeling van de ontdekking daarvan door Werkgever voortduurt, een gedeelte van een dag daaronder begrepen.
3.4
De arbeidsovereenkomst is op 31 augustus 2025 geëindigd na opzegging door
[gedaagde] .
3.5
[gedaagde] is vanaf september 2025 tot en met maart 2026 werkzaam geweest voor [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) in Utrecht.
3.6
[gedaagde] heeft per 1 februari 2026 de eenmanszaak [handelsnaam] opgericht, met als vestigingsplaats [vestigingsplaats] .
3.7
[gedaagde] heeft in maart 2026 contact opgenomen met [D] , eigenaar van de bedrijven [bedrijf] en [bedrijf] , klanten van [eiser] .
3.8
[eiser] heeft [gedaagde] op 31 maart 2026 schriftelijk gesommeerd zijn activiteiten te staken en € 40.000,- aan verbeurde boetes te betalen. [gedaagde] heeft [eiser] geantwoord dat hij hieraan niet zal voldoen. Daarbij heeft hij een schikkingsvoorstel gedaan, dat [eiser] heeft afgewezen.
3.9
[eiser] heeft vervolgens een dagvaarding in kort geding laten uitbrengen.
De vordering van [eiser] in conventie
3.1
[eiser] vordert - samengevat - de veroordeling van [gedaagde] om:
I. alle werkzaamheden in strijd met het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst te staken en gestaakt te houden, waaronder het verrichten van werkzaamheden voor of via [handelsnaam] en/of voor of via enige andere onderneming met activiteiten die gelijk, gelijksoortig, aanverwant of concurrerend zijn met die van [eiser] , binnen een straal van 35 kilometer van de vestigingsplaats van [eiser] ( [plaats] ), tot 31 augustus 2026;
II. de eenmanszaak [handelsnaam] uit te schrijven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, althans de bedrijfsactiviteiten die gelijk, gelijksoortig, aanverwant of concurrerend zijn met die van [eiser] (waaronder “Boomverzorger” en “Dienstverlening voor de bosbouw”) te verwijderen uit de inschrijving, en daarvan bewijs te leveren aan [eiser] ;
III. het relatiebeding in de arbeidsovereenkomst onverkort na te komen, meer in het bijzonder hem te verbieden direct of indirect contact te leggen of te onderhouden met klanten, leveranciers of andere relaties van [eiser] , waaronder uitdrukkelijk [bedrijf] en [bedrijf] , met commercieel oogmerk, tot 31 augustus 2026;
IV. een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere dag of deel daarvan dat
[gedaagde] in gebreke blijft aan de onder I, II en/of III genoemde veroordelingen te voldoen, met een maximum van € 200.000,-;
V. een bedrag van € 40.000,- aan [eiser] te betalen als voorschot op de verbeurde contractuele boetes (4 x € 10.000,-), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2026 tot de dag van algehele voldoening;
VI. een bedrag van € 500,- te betalen per dag dat de overtredingen na 31 maart 2026 hebben voortgeduurd, tot aan de dag van algehele nakoming van de onder I tot en met III genoemde veroordelingen, als voorschot op de verbeurde dagboetes ex artikel 20.2 van de arbeidsovereenkomst;
VII. de proceskosten van [eiser] te betalen.
3.11
[eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat op grond van de tussen hen overeengekomen arbeidsovereenkomst een concurrentiebeding en een relatiebeding geldt. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] met zijn werkzaamheden voor [bedrijf] , de oprichting van [handelsnaam] en het contact opnemen met [bedrijf] en [bedrijf] , deze bedingen vier keer overtreden waardoor op grond van het boetebeding in de arbeidsovereenkomst boetes zijn verschuldigd.
3.12
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. Indien de vorderingen van [eiser] worden toegewezen, verzoekt [gedaagde] tot matiging van de hoogte van de dwangsom, de verbeurde boetes en de wettelijke rente. Daarnaast verzoekt [gedaagde] bij een veroordeling i) het concurrentie- en het relatiebeding geheel of gedeeltelijk te schorsen of ii) om een voorschot op de schadevergoeding ter hoogte van
€ 8.000,- bruto per maand voor de duur waarvoor hij aan de bedingen wordt gehouden.
De vordering van [gedaagde] in reconventie
3.13
[gedaagde] vordert primair om gehele schorsing van het concurrentie- en het relatiebeding. [gedaagde] vordert subsidiair zodanige schorsing van de bedingen dat het hem is toegestaan om industrieel klimmen activiteiten te verrichten en meer subsidiair dat [eiser] wordt veroordeeld om aan hem een schadevergoeding te betalen voor de duur van de beperking waarin hij belemmerd wordt om industrieel klimmen werkzaamheden te verrichten met [handelsnaam] .

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
Er is sprake van een spoedeisend belang
4.1
De kantonrechter moet beoordelen of [eiser] en [gedaagde] een spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen. Van een spoedeisend belang is sprake als een onmiddellijke voorziening nodig is en van de eisende partij niet kan worden gevraagd dat de uitkomst van een bodemprocedure wordt afgewacht.
4.2
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een dergelijk spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Uit die vorderingen volgt namelijk dat die tot doel hebben op korte termijn te voorkomen dat [gedaagde] in de periode tot 31 augustus 2026 concurrerende werkzaamheden gaat verrichten en/of contact legt met relaties van [eiser] als bedoeld in de arbeidsovereenkomst. De omstandigheid dat [eiser] vijf maanden heeft gewacht om [gedaagde] aan te schrijven over de overstap naar [bedrijf] waarmee zij destijds al bekend was, betekent niet dat [eiser] geen spoedeisend belang meer heeft bij haar vorderingen, die ook gaan over andere gedragingen van [gedaagde] die daarna hebben plaatsgevonden. Ook de omstandigheid dat [eiser] de dagvaarding pas eind mei 2026 heeft betekend terwijl de bedingen twaalf maanden na 31 augustus 2025 eindigen, doet er niet af dat [eiser] een spoedeisend belang heeft. Ook [gedaagde] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen tot schorsing van de bedingen en/of het toekennen van een schadevergoeding. Uit de vorderingen van [gedaagde] volgt dat hij belang heeft bij duidelijkheid over de vraag of hij met zijn werkzaamheden of bedrijfsactiviteiten in de periode tot 31 augustus 2026 de bedingen overtreedt. De spoedeisendheid is hiermee gegeven.
Een deel van de nadere producties wordt niet betrokken bij de beoordeling
4.3
[gedaagde] heeft aan het begin van de zitting bezwaar gemaakt tegen het tijdstip waarop hij van [eiser] de nadere producties heeft ontvangen, rond 9.30 uur. Dit is vier uur voor de zitting om 13.30 uur op dezelfde dag. De kantonrechter is van oordeel dat het betrekken bij de beoordeling van een deel van de nadere producties van [eiser] geen strijd oplevert met de beginselen van de goede procesorde, in bijzonder het verdedigingsbeginsel, ook al heeft [eiser] deze na de indieningstermijn van 24 uur voor de zitting ingediend. Uit de toelichting van [gedaagde] tijdens de zitting blijkt dat de nadere producties bij hem grotendeels al bekend waren. De foto’s die als productie 12 zijn overgelegd, zijn afkomstig uit de bedrijfscatalogus op het Whatsapp-profiel van [gedaagde] . Productie 13 is een tekstbericht van een gemiste telefonische oproep van [gedaagde] aan [eiser] eind maart 2026. De producties 12 en 13 waren [gedaagde] dus voldoende bekend, zodat deze daarom wel betrokken kunnen worden bij de beoordeling. Verder is tijdens de zitting, die twee keer kort is geschorst, gebleken dat [gedaagde] inhoudelijk op deze nadere producties heeft kunnen reageren. De kantonrechter ziet daarom onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat [gedaagde] zich tegen de nadere producties 12 en 13 niet goed heeft kunnen verweren. Het meenemen van deze producties is daarom niet in strijd met de beginselen van de goede procesorde, in het bijzonder het verdedigingsbeginsel. De kantonrechter betrekt deze producties bij de beoordeling.
4.4
Tijdens de zitting bleek dat een gedeelte van de stukken bij productie 14 voor
[gedaagde] wel nieuw was of gedateerd. Deze stukken bestaan uit e-mails met bijlagen, die in de periode van 2022-2024 aan [gedaagde] zijn doorgestuurd of e-mails die
[gedaagde] tijdens de arbeidsovereenkomst met [eiser] vanuit zijn zakelijke e-mailadres bij [eiser] heeft verstuurd. Ook omdat [gedaagde] tijdens de zitting heeft meegedeeld dat hij dyslectisch is, is de kantonrechter van oordeel dat het betrekken van productie 14 bij de beoordeling in strijd is met de beginselen van de goede procesorde, in het bijzonder het verdedigingsbeginsel. De kantonrechter laat de stukken bij productie 14 buiten beschouwing. Dit laat onverlet dat de gemachtigde van [eiser] tijdens de zitting de kern van deze stukken mondeling heeft toegelicht en dat [gedaagde] heeft gereageerd op wat [eiser] hierover heeft gezegd.
in conventie
Toetsingskader
4.5
In dit kort geding moet, op basis van de processtukken en dat wat tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, worden beoordeeld of het in deze zaak aannemelijk is dat de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat, vooruitlopend daarop, toewijzing van de vorderingen in dit kort geding is gerechtvaardigd. De kantonrechter moet in deze zaak dus beoordelen of het voldoende aannemelijk is geworden dat in een bodemprocedure wordt bepaald dat het concurrentiebeding en het relatiebeding nog werking hebben of dat de bedingen niet (gedeeltelijk) zullen worden vernietigd.
4.6
Vooropgesteld wordt dat een concurrentiebeding bedoeld is om het bedrijfsdebiet (de opgebouwde knowhow en goodwill) van de werkgever te beschermen. Het beding is niet bedoeld om werknemers te binden, of om te bewerkstelligen dat een werknemer pas na betaling van een vergoeding kan vertrekken. Het enkele feit dat een werknemer in de uitoefening van zijn functie kennis en ervaring heeft opgedaan, betekent nog niet dat de werkgever bij het vertrek van die werknemer, ook niet bij vertrek naar een concurrent, in zijn bedrijfsdebiet wordt aangetast op zodanige wijze dat dit bescherming verdient. Dat een werknemer bij zijn vertrek kennis en ervaring die is opgedaan bij zijn werkgever meeneemt is immers inherent aan zijn vertrek.
De bedingen in de arbeidsovereenkomst gelden nog
4.7
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] de arbeidsovereenkomst met daarin het concurrentiebeding, het relatiebeding en het boetebeding heeft ondertekend. Dit betekent dat de bedingen tussen partijen rechtsgeldig zijn overeengekomen en dat
[gedaagde] in beginsel aan deze bedingen is gebonden.
4.8
[gedaagde] heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat [eiser] bij hem de verwachting heeft gewekt dat zij [gedaagde] niet zou houden aan de beperkende bedingen. Volgens [gedaagde] volgt dit uit de vaststellingsovereenkomst die [eiser] hem in juli 2025 had aangeboden, die hij uiteindelijk niet heeft getekend, en uit de omstandigheid dat [eiser] niet gelijk bezwaar heeft gemaakt tegen zijn overstap naar [bedrijf] , terwijl zij daarvan op de hoogte was.
4.9
De kantonrechter is voorshands van oordeel dat [gedaagde] aan deze omstandigheden niet een gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat [eiser] hem niet zou houden aan de bedingen. De vaststellingsovereenkomst is door [gedaagde] niet ondertekend en dus niet tot stand gekomen. Bovendien zag de vaststellingsovereenkomst op een beëindigingsregeling, niet op de huidige situatie waarin [gedaagde] zelf heeft opgezegd. In de vaststellingsovereenkomst staat niet dat [gedaagde] niet meer aan de bedingen wordt gehouden. De kantonrechter kan dit ook niet afleiden uit artikel 5.1 van de (concept) vaststellingsovereenkomst, waarnaar [gedaagde] heeft verwezen.
4.1
Ook het beroep van [gedaagde] op het vijf maanden ‘stilzitten’ van [eiser] slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking moet naast tijdsverloop sprake zijn van bijkomende omstandigheden waardoor bij de andere partij het vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde de aanspraak niet meer geldend zal maken [1] . Ook al is tijdens de zitting duidelijk geworden dat [eiser] in augustus 2025 wist dat [gedaagde] bij [bedrijf] zou gaan werken, niet is gebleken dat [eiser] [gedaagde] mededelingen heeft gedaan of zich zodanig heeft gedragen waaruit hij heeft kunnen opmaken dat [eiser] hem niet aan de bedingen zou houden. Dit was anders dan in de door [gedaagde] aangehaalde rechtspraak [2] waarin de werkgever haar medewerkers zelf had geïnformeerd over het vertrek van de werknemer naar een andere werkgever. Bovendien heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij [gedaagde] wel eerder op de overtreding van het concurrentiebeding had willen aanspreken, maar dat zij pas later heeft ontdekt dat de vestiging van [bedrijf] binnen de geografische straal van 35 kilometer ligt waardoor de werkzaamheden van [gedaagde] voor [bedrijf] wel onder het concurrentiebeding bleken te vallen. Ook gelet op deze verklaring van [eiser] ziet de kantonrechter in het enkele tijdsverloop na aanvang van de werkzaamheden van [gedaagde] voor [bedrijf] niet een zodanige gedraging dat [gedaagde] daaruit mocht afleiden dat [eiser] hem niet meer aan de bedingen zou houden. Rechtsverwerking door [eiser] is daarom ook niet aan de orde.
[gedaagde] heeft het concurrentiebeding één keer geschonden
1)
de werkzaamheden voor [bedrijf]
4.11
Tussen partijen is niet in geschil dat [bedrijf] een onderneming is die onder het concurrentiebeding valt. [bedrijf] is namelijk ook een boomverzorgingsbedrijf, in welk kader zij activiteiten verricht die gelijk of gelijksoortig zijn aan die van [eiser] . Verder is [bedrijf] gevestigd binnen een straal van 35 kilometer van de vestigingsplaats van [eiser] . [gedaagde] verrichtte bij [bedrijf] ook boomverzorgingswerkzaamheden. Daarmee staat vast dat [gedaagde] met het werk bij [bedrijf] het concurrentiebeding heeft overtreden.
4.12
Het concurrentiebeding biedt in beginsel geen bescherming tegen het vertrek van [gedaagde] naar concurrent [bedrijf] . Het concurrentiebeding kan alleen bescherming bieden tegen de door bijkomende omstandigheden optredende aantasting van het bedrijfsdebiet van [eiser] door de overstap van [gedaagde] . Van zo’n aantasting zal bijvoorbeeld sprake zijn wanneer [gedaagde] door zijn functie op de hoogte is van essentiële relevante commerciële en technische informatie of van unieke werkprocessen en strategieën van [eiser] , waarvan [bedrijf] geen kennis draagt en waarvan de kennisname bij [bedrijf] leidt tot een concurrentievoordeel dat zij anders niet zou hebben gehad. [eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [bedrijf] een bestaande klant van haar was en dat [gedaagde] in juni 2025 ook nog door [eiser] bij [bedrijf] was ingezet. Na aanvang van de werkzaamheden door [gedaagde] bij [bedrijf] zijn de opdrachten van [bedrijf] aan [eiser] opgedroogd. Verder heeft [eiser] aannemelijk gemaakt dat
[gedaagde] (enige) kennis had van prijsstellingen via offertes waarover hij als Voorman bij [eiser] beschikte. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is het voldoende aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat door de indiensttreding van [gedaagde] bij [bedrijf] [eiser] in haar bedrijfsdebiet is aangetast.
4.13
[gedaagde] is op grond van het boetebeding in de arbeidsovereenkomst voor de overtreding van het concurrentiebeding door de werkzaamheden bij [bedrijf] in beginsel een boete van € 10.000,- verschuldigd. De kantonrechter beoordeelt hierna bij de bespreking van het gevorderde voorschot op de boetes of er aanleiding is om deze boete te matigen.
2)
de oprichting van [handelsnaam]
4.14
[gedaagde] voert als verweer dat de oprichting van [handelsnaam] het bedrijfsdebiet van [eiser] niet aantast zodat het concurrentiebeding daarmee niet is geschonden. [gedaagde] stelt onder meer dat [handelsnaam] wel is gevestigd op zijn huisadres in [woonplaats] , maar dat de klantenportefeuille voornamelijk is gevestigd in Rotterdam en Amsterdam, buiten de straal van 35 kilometer van [plaats] .
4.15
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat de oprichting van [handelsnaam] een overtreding van het concurrentiebeding vormt. In artikel 14 van Pro de arbeidsovereenkomst worden als verboden handelingen genoemd
‘in enigerlei vorm werkzaam of betrokken zijn in of bij enige onderneming met concurrerende activiteiten binnen een straal van 35 kilometer van de vestigingsplaats van de Werkgever’. Bij een eenmanszaak ligt het voor de hand dat [gedaagde] die op zijn woonadres vestigt. [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde] met de oprichting van [handelsnaam] vanuit zijn woonadres met [eiser] concurrerende activiteiten binnen een straal van 35 kilometer van [eiser] heeft verricht. [eiser] heeft zelf tijdens de zitting ook bevestigd dat [gedaagde] heel goed buiten de straal van 35 kilometer werk kan verrichten, als boomverzorger of als industrieel klimmer. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat
[gedaagde] met de oprichting van [handelsnaam] het concurrentiebeding niet heeft overtreden.
[gedaagde] heeft het relatiebeding twee keer geschonden
4.16
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] het relatiebeding in de arbeidsovereenkomst heeft geschonden door in maart 2026 telefonisch contact op te nemen met de heer [E] , eigenaar van de bedrijven [bedrijf] en [bedrijf] . Daarna hebben [E] en [gedaagde] via Whatsapp berichten uitgewisseld. Dit contact valt onder de reikwijdte van het relatiebeding, op grond waarvan [gedaagde] zich dient te onthouden van contacten met klanten van [eiser] . Niet in geschil is dat [bedrijf] en [bedrijf] klanten van [eiser] zijn en dat [gedaagde] daarvan op de hoogte was, ook omdat hij door [eiser] voor deze bedrijven is ingezet. [gedaagde] heeft in zijn verweerschrift bevestigd dat hij met [E] contact heeft opgenomen.
4.17
[eiser] stelt dat [gedaagde] het relatiebeding twee keer heeft geschonden door met [E] contact op te nemen. De kantonrechter onderschrijft deze stelling. Omdat [E] eigenaar/contactpersoon is van twee bedrijven, [bedrijf] en [bedrijf] , die beide klant van [eiser] zijn, heeft [gedaagde] via [E] met twee klanten contact opgenomen. Daarmee heeft [gedaagde] het relatiebeding twee keer geschonden.
4.18
[gedaagde] is door de schendingen van het relatiebeding op grond van het boetebeding in de arbeidsovereenkomst voor deze overtreding in beginsel een boete van € 20.000,- (2 x € 10.000,-) verschuldigd.
De omstandigheden voor matiging van de boetes
4.19
Op grond van het overeengekomen concurrentiebeding en het relatiebeding is
[gedaagde] in totaal in beginsel een boete van € 30.000,- aan [eiser] verschuldigd (1 x € 10.000,- voor het concurrentiebeding en 2 x € 10.000,- voor het relatiebeding).
[gedaagde] heeft verzocht om matiging van de boetes.
4.2
Voor matiging [3] is alleen grond als de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Dit brengt mee dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij moet worden gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder:
de aard van de overeenkomst,
de inhoud en de strekking van het beding,
de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete,
e omstandigheden waaronder het beding is ingeroepen, en
ook de hoedanigheid van partijen mag worden meegenomen [4] .
4.21
[gedaagde] is vijf jaar werkzaam geweest voor [eiser] , laatstelijk als Voorman boomverzorger A. Tussen partijen is niet in geschil dat de arbeidsovereenkomst per 31 augustus 2025 is geëindigd nadat de arbeidsverhoudingen verstoord waren geraakt. Het doel van het concurrentie- en het relatiebeding is dat het bedrijfsdebiet van [eiser] , waaronder haar commerciële relaties, voor een jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst wordt beschermd. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij na het vertrek van [gedaagde] naar [bedrijf] geen opdrachten van [bedrijf] meer heeft gehad. [gedaagde] heeft tijdens de zitting toegelicht dat [bedrijf] de werkzaamheden die zij eerder aan [eiser] uitbesteedde, voortaan door een eigen werknemer wilde laten verrichten, waarna hij via een vacature bij [bedrijf] voor haar is gaan werken. Dat doet er echter niet aan af dat [eiser] na de overstap van [gedaagde] naar [bedrijf] financieel nadeel heeft ondervonden door het kwijtraken van deze klant. [eiser] was al in augustus 2025 op de hoogte dat
[gedaagde] voor [bedrijf] zou gaan werken. Pas bijna zeven maanden later, eind maart 2026, heeft [eiser] [gedaagde] meegedeeld dat hij met deze werkzaamheden het concurrentiebeding heeft overtreden. [eiser] heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zij door het contact van [gedaagde] met [E] schade heeft geleden en wat de hoogte van die schade is. [gedaagde] ontving blijkens zijn arbeidsovereenkomst voor zijn werkzaamheden bij [eiser] een maandloon van circa € 3.090,37 bruto. [gedaagde] heeft tijdens de zitting gesteld dat zijn omzet met [handelsnaam] per maand ongeveer € 8.000,- bedraagt.
De boetes worden gematigd tot € 2.000,-
4.22
Op basis van de bovenstaande omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat de boetes moeten worden gematigd. [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd welke schade zij heeft geleden, terwijl de gevorderde boetes voor de drie overtredingen ongeveer vier keer de maandomzet van [gedaagde] betreffen. Het opleggen van de gevorderde boetes lijdt dan ook tot een buitensporig resultaat. Een matiging tot nihil is echter niet gepast, omdat [gedaagde] met zijn indiensttreding bij [bedrijf] en het éénmalige contact met [E] het concurrentiebeding en het relatiebeding heeft overtreden. [eiser] heeft
[gedaagde] voor aanvang van het werk bij [bedrijf] niet gewezen op de overtreding daarmee van het concurrentiebeding, terwijl zij wist dat hij voor dat bedrijf zou gaan werken. Door [gedaagde] daarop pas later te wijzen, heeft [eiser] [gedaagde] de mogelijkheid ontnomen om van indiensttreding bij [bedrijf] af te zien, om overtreding van het concurrentiebeding te voorkomen. De omstandigheid dat [eiser] pas in maart 2026 heeft ontdekt dat qua geografische ligging [bedrijf] toch onder de reikwijdte van het concurrentiebeding valt, is aan [eiser] zelf te wijten, zodat dit tijdsverloop voor rekening en risico van [eiser] komt. Ook omdat [gedaagde] na het contact met [E] daarvoor zijn excuus bij [eiser] heeft aangeboden en niet is gebleken dat [gedaagde] daarna nog een keer contact heeft opgenomen met [E] of een andere klant van [eiser] , acht de kantonrechter een matiging van het totale boetebedrag voor de drie overtredingen tot in totaal € 2.000,- in dit geval gepast.
De wettelijke rente
4.23
De gevorderde wettelijke rente over de boete wordt toegewezen zoals gevorderd vanaf de datum van de sommatie (31 maart 2026).
[gedaagde] is geen dagboetes verbeurd
4.24
[eiser] heeft ook gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan haar van € 500,- per dag dat de overtredingen na 31 maart 2026 hebben voortgeduurd. De kantonrechter wijst deze vordering af. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de overtredingen van [gedaagde] na 31 maart 2026 hebben voortgeduurd. Daarom is er geen grond voor toewijzing van dagboetes.
[gedaagde] moet het concurrentiebeding naleven
4.25
De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] alle werkzaamheden in strijd met het concurrentiebeding te staken tot 31 augustus 2026. Gelet op wat hiervoor in dit vonnis is overwogen en geoordeeld, staat vast dat [gedaagde] het concurrentiebeding heeft geschonden door te werken voor [bedrijf] . Omdat de werkzaamheden van [gedaagde] voor [bedrijf] al enkele maanden zijn geëindigd, ziet het gevorderde verbod met name op werkzaamheden van [gedaagde] via [handelsnaam] . Omdat [gedaagde] het concurrentiebeding moet nakomen is er ook voldoende grond om hem te verplichten binnen 24 uur na betekening van dit vonnis alle werkzaamheden te staken en gestaakt te houden die in strijd zijn met het concurrentiebeding zoals opgenomen in artikel 14 van Pro de arbeidsovereenkomst, tot 31 augustus 2026. [gedaagde] heeft tijdens de zitting zelf aangegeven dat hij de afgelopen maanden via [handelsnaam] heeft gewerkt bij klanten in Rotterdam en in Amsterdam en ook de komende maanden in deze regio’s via [handelsnaam] genoeg werk kan verrichten. [gedaagde] moet zich echter wel onthouden van werkzaamheden via [handelsnaam] of een andere onderneming binnen een straal van 35 kilometer van de vestigingsplaats van [eiser] , [plaats] . De kantonrechter acht het voldoende aannemelijk dat [gedaagde] voor de duur van de komende twee maanden ondanks het geldende concurrentiebeding, inkomsten uit arbeid of onderneming kan behouden door - als industrieel klimmer - te blijven werken voor klanten in plaatsen als Rotterdam en Amsterdam, welke regio’s niet onder de reikwijdte van het concurrentiebeding vallen. Het gevorderde verbod wordt niet toegewezen voor zover het gaat om het staken van werkzaamheden voor of via [handelsnaam] , omdat werkzaamheden via [handelsnaam] die worden verricht buiten de straal van 35 kilometer van de vestigingsplaats van [eiser] , niet onder het concurrentiebeding vallen.
[gedaagde] hoeft de inschrijving van [handelsnaam] in het handelsregister niet te wijzigen
4.26
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] de inschrijving van [handelsnaam] en/of de bedrijfsactiviteiten van [handelsnaam] in het handelsregister van de Kamer van Koophandel niet hoeft te verwijderen. Enkel de oprichting van een onderneming door inschrijving in het handelsregister is nog niet een activiteit die concurrerend is aan de activiteiten van [eiser] . De inschrijving van [handelsnaam] in het handelsregister vormt daarom geen overtreding van het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst. Dit geldt ook voor de activiteiten van [handelsnaam] (Boomverzorger en Dienstverlening voor de bosbouw) die [gedaagde] in het handelsregister heeft vermeld. [eiser] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat enkel met de inschrijving van i) [handelsnaam] en ii) haar activiteiten van Boomverzorger en Dienstverlening voor de bosbouw in het handelsregister, haar bedrijfsdebiet (klantenportefeuille) wordt aangetast.
[gedaagde] moet het relatiebeding naleven
4.27
De kantonrechter is verder van oordeel dat [gedaagde] tot 31 augustus 2026 het relatiebeding in artikel 15 van Pro de arbeidsovereenkomst moet naleven. [gedaagde] heeft dit beding één keer geschonden, waaruit blijkt dat [eiser] belang heeft bij een veroordeling van [gedaagde] om het relatiebeding na te komen. [gedaagde] heeft tijdens de procedure toegezegd geen contact met [E] te onderhouden. [gedaagde] heeft verder bevestigd dat hij via klanten buiten de straal van 35 kilometer van Tiel ook inkomsten kan verkrijgen. Gelet op het belang van [eiser] bij nakoming van het relatiebeding, wijst de kantonrechter de gevorderde veroordeling van [gedaagde] tot nakoming van dit beding toe voor de resterende duur van het relatiebeding, tot 31 augustus 2026.
Dwangsom
4.28
De gevorderde dwangsom wordt toegewezen voor de nakoming van het concurrentiebeding en het relatiebeding, waarbij de hoogte wordt bepaald op € 500,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde] een van en/of beide bedingen overtreedt, met een maximum van € 20.000,00.
in reconventie
4.29
[gedaagde] vordert in reconventie (gedeeltelijke) schorsing van het concurrentiebeding en het relatiebeding en schadevergoeding voor de duur waarin hij wordt beperkt om industrieel klimmen werkzaamheden te verrichten met [handelsnaam] .
4.3
[gedaagde] heeft deze vordering in het lichaam van zijn verweerschrift genoemd, namelijk onder de kop “
Vorderingen in reconventie” en boven de kop “
Mitsdien”. [eiser] heeft tijdens de zitting bezwaar gemaakt tegen het inlezen van de reconventionele vordering in het petitum. De kantonrechter gaat aan dit bezwaar voorbij omdat een redelijke uitleg van het petitum [5] met zich brengt dat de vorderingen in reconventie, die in het verweerschrift onder een afzonderlijk kop “
Vorderingen in reconventie” en boven de kop “
Mitsdien” zijn vermeld, daarin gelezen moeten worden. Dat [eiser] dat overigens ook zo heeft begrepen blijkt uit haar pleitnota, waarin zij vanaf de kop “
IV. Reconventie” op de reconventionele vordering is ingegaan.
4.31
Ook ten aanzien van de vordering in reconventie moet de vraag worden beantwoord of de vorderingen van [gedaagde] een zodanige kans van slagen hebben in een eventuele bodemprocedure dat het verantwoord is daarop in kort geding vooruit te lopen. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat niet het geval. Daartoe overweegt de kantonrechter als volgt.
De (gedeeltelijke) schorsing van het concurrentiebeding en het relatiebeding wordt afgewezen
4.32
[gedaagde] vordert de (gedeeltelijke) schorsing van het concurrentiebeding en het relatiebeding.
4.33
Vernietiging en - vooruitlopend daarop - schorsing is op grond van artikel 7:653, derde lid aanhef en sub b BW mogelijk indien [gedaagde] in verhouding tot het te beschermen belang van [eiser] door het beding onbillijk wordt benadeeld. Dat betekent dat de belangen van [eiser] en [gedaagde] tegen elkaar moeten worden afgewogen.
4.34
In dit verband heeft [gedaagde] erop gewezen dat de gedragingen van [eiser] ertoe hebben geleid dat hij dacht dat hij niet aan de bedingen zou worden gehouden en dat zijn taken niet zodanig waren dat hij het debiet van [eiser] kan aantasten. Voorts heeft
[gedaagde] erop gewezen dat hij een jonge dertiger en kostwinner is.
4.35
[eiser] heeft gewezen op het feit dat [gedaagde] actief het concurrentiebeding overtreedt door zich als boomverzorger te presenteren met foto’s van [eiser] en op het feit dat het werk van [bedrijf] is opgedroogd.
4.36
De kantonrechter onderschrijft het standpunt van [eiser] dat [gedaagde] zich op dit moment presenteert als boomverzorger met foto’s van [eiser] , foto’s waar zij pas kort voor de zitting achter is gekomen. Gelet daarop is het aannemelijk dat [gedaagde] zonder concurrentiebeding en/of relatiebeding het bedrijfsdebiet van [eiser] kan schaden door zich naar derden te presenteren als boomverzorger in de bedrijfskleding van [eiser] . Het belang van [eiser] bij behoud van haar debiet is evident. Ook is ter verzekering van dit behoud van belang dat zij gedurende een zekere periode er nog op mag rekenen dat [gedaagde] zijn kennis van de klantenkring en de door [eiser] gehanteerde prijsstellingen niet gebruikt voor eigen doeleinden en ook niet in de situatie komt te verkeren waarin dat gebruik verleidelijk is. Daarbij komt dat de bedingen nog maar voor korte tijd gelden, tot 31 augustus 2026, en dat [gedaagde] zelf heeft bevestigd dat hij voldoende omzet kan behalen met werkzaamheden buiten de straal van het concurrentiebeding. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de belangenafweging in het nadeel van [gedaagde] uitvalt. Dit betekent dat gehele vernietiging van het concurrentiebeding in een bodemprocedure niet waarschijnlijk is. Ook de vordering tot gedeeltelijke schorsing van het concurrentiebeding, waarbij [gedaagde] wel wordt toegestaan te werken als industrieel klimmen, is niet toewijsbaar. [eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij ook activiteiten verricht op het gebied van industrieel klimmen. Uit de door haar overgelegde foto’s in het Whatsapp-profiel van [gedaagde] blijkt, wat door [gedaagde] niet is weersproken, dat daarop ook foto’s staan van [gedaagde] als industrieel klimmer op projecten van [eiser] . Gelet daarop dient het belang van [eiser] bij handhaving van het volledige concurrentiebeding en het relatiebeding zwaarder te wegen dan het belang van
[gedaagde] om al vóór 31 augustus 2026 binnen de reikwijdte van het concurrentiebeding als industrieel klimmer te werken en zijn belang om klanten te werven.
De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen
4.37
Voor het geval het concurrentie- en het relatiebeding gehandhaafd blijven, maakt [gedaagde] aanspraak op een vergoeding als bedoeld in artikel 7:653 lid 5 BW Pro of op grond van artikel 6:162 BW Pro. Maar, [gedaagde] heeft zelf bevestigd dat hij buiten de reikwijdte van het concurrentie- en het relatiebeding klanten heeft en daardoor voldoende omzet kan behalen. Daaruit blijkt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat
[gedaagde] door het concurrentie- en relatiebeding in belangrijke mate wordt belemmerd om werkzaam te zijn. De kantonrechter acht het daarom niet aannemelijk dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat [eiser] gehouden is tot het betalen van een schadevergoeding aan [gedaagde] . De verzochte schadevergoeding wordt daarom afgewezen.
in conventie en in reconventie
Proceskosten
4.38
[gedaagde] is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. [6] Dit betekent [gedaagde] zijn eigen proceskosten moet dragen en de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] aan haar moet betalen. Omdat een gedeelte van de vordering wordt afgewezen, dient het griffierecht, voor zover dit een bedrag van € 397,00 te boven gaat, als nodeloos veroorzaakt voor rekening van [eiser] te blijven. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
129,54
- griffierecht
397,00
- salaris gemachtigde
865,00
Totaal
1.391,54
4.39
[gedaagde] is ook in reconventie de overwegend in het ongelijk gestelde partij. Daarom wordt hij in de kosten veroordeeld. Omdat de vordering in reconventie voortvloeit uit het verweer in conventie worden de proceskosten van [eiser] begroot op € 432,50 aan salaris gemachtigde (zijnde de helft van het toepasselijke tarief in kort geding).
4.4
Tot de proceskosten behoren ook de nakosten. De nakosten worden vanwege de samenhang tussen de zaken in conventie en in reconventie vastgesteld op € 144,00 aan salaris gemachtigde, die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen. [gedaagde] moet ook de kosten van de betekening van het vonnis aan [eiser] betalen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
4.41
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

5.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie:
5.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een voorschot op de drie verbeurde contractuele boetes van € 2.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag, met ingang van 31 maart 2026 tot de dag van volledige betaling,
5.2
veroordeelt [gedaagde] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis alle werkzaamheden te staken en gestaakt te houden die in strijd zijn met het concurrentiebeding als opgenomen in artikel 14 van Pro de arbeidsovereenkomst tot 31 augustus 2026,
5.3
veroordeelt [gedaagde] tot nakoming van het relatiebeding als opgenomen in artikel 15 van Pro de arbeidsovereenkomst, en verbiedt [gedaagde] direct of indirect contact te leggen of onderhouden met klanten, leveranciers of andere relaties van [eiser] , waaronder [bedrijf] en [bedrijf] , met commercieel oogmerk, tot 31 augustus 2026,
5.4
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan een van en/of beide veroordelingen onder 5.2. of 5.3. voldoet, tot een maximum van € 20.000,00 is bereikt,
5.5
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.391,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, betekend,
in reconventie:
5.6
wijst de vorderingen af,
5.7
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser] van € 432,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie:
5.8
veroordeelt [gedaagde] in de nakosten van € 144,00, te betalen aan [eiser] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en de kosten van betekening als
[gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.9
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.1
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.
40160

Voetnoten

1.Zie het arrest van de Hoge Raad van 11 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2574).
2.Het arrest van gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 16 februari 2021 (ECLI:NL:GHSHE:2021:429).
3.Artikel 6:94 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
4.Zie het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW4986).
5.Zie het arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:22).
6.Artikel 237 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)