Uitspraak
1.De procedure
- de nadere producties 12 tot en met 14 van [eiser]
- het verweerschrift, tevens houdende een eis in reconventie, met 5 producties
- de mondelinge behandeling van 22 juni 2026
[gedaagde] van deze bedingen en betaling van boetes voor het overtreden van de bedingen. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] gedeeltelijk toe.
[gedaagde] wordt veroordeeld om tot 31 augustus 2026 alle werkzaamheden in strijd met het concurrentiebeding te staken en geen contact te leggen met relaties van [eiser] op straffe van een dwangsom. [gedaagde] wordt ook veroordeeld om een voorschot op verbeurde boetes voor het overtreden van het concurrentie- en het relatiebeding te betalen. De kantonrechter ziet aanleiding voor matiging van de verbeurde boetes en de op te leggen dwangsom. De vorderingen van [gedaagde] in reconventie tot schorsing van het concurrentie- en het relatiebeding en tot toekenning van een schadevergoeding worden afgewezen.
3.De achtergrond van de zaak
15.Relatiebeding
20.Boetebeding
[gedaagde] .
4.De beoordeling
[gedaagde] wel nieuw was of gedateerd. Deze stukken bestaan uit e-mails met bijlagen, die in de periode van 2022-2024 aan [gedaagde] zijn doorgestuurd of e-mails die
[gedaagde] tijdens de arbeidsovereenkomst met [eiser] vanuit zijn zakelijke e-mailadres bij [eiser] heeft verstuurd. Ook omdat [gedaagde] tijdens de zitting heeft meegedeeld dat hij dyslectisch is, is de kantonrechter van oordeel dat het betrekken van productie 14 bij de beoordeling in strijd is met de beginselen van de goede procesorde, in het bijzonder het verdedigingsbeginsel. De kantonrechter laat de stukken bij productie 14 buiten beschouwing. Dit laat onverlet dat de gemachtigde van [eiser] tijdens de zitting de kern van deze stukken mondeling heeft toegelicht en dat [gedaagde] heeft gereageerd op wat [eiser] hierover heeft gezegd.
[gedaagde] in beginsel aan deze bedingen is gebonden.
de werkzaamheden voor [bedrijf]
[gedaagde] (enige) kennis had van prijsstellingen via offertes waarover hij als Voorman bij [eiser] beschikte. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is het voldoende aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat door de indiensttreding van [gedaagde] bij [bedrijf] [eiser] in haar bedrijfsdebiet is aangetast.
de oprichting van [handelsnaam]
‘in enigerlei vorm werkzaam of betrokken zijn in of bij enige onderneming met concurrerende activiteiten binnen een straal van 35 kilometer van de vestigingsplaats van de Werkgever’. Bij een eenmanszaak ligt het voor de hand dat [gedaagde] die op zijn woonadres vestigt. [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde] met de oprichting van [handelsnaam] vanuit zijn woonadres met [eiser] concurrerende activiteiten binnen een straal van 35 kilometer van [eiser] heeft verricht. [eiser] heeft zelf tijdens de zitting ook bevestigd dat [gedaagde] heel goed buiten de straal van 35 kilometer werk kan verrichten, als boomverzorger of als industrieel klimmer. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat
[gedaagde] met de oprichting van [handelsnaam] het concurrentiebeding niet heeft overtreden.
[gedaagde] in totaal in beginsel een boete van € 30.000,- aan [eiser] verschuldigd (1 x € 10.000,- voor het concurrentiebeding en 2 x € 10.000,- voor het relatiebeding).
[gedaagde] heeft verzocht om matiging van de boetes.
[gedaagde] voor [bedrijf] zou gaan werken. Pas bijna zeven maanden later, eind maart 2026, heeft [eiser] [gedaagde] meegedeeld dat hij met deze werkzaamheden het concurrentiebeding heeft overtreden. [eiser] heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zij door het contact van [gedaagde] met [E] schade heeft geleden en wat de hoogte van die schade is. [gedaagde] ontving blijkens zijn arbeidsovereenkomst voor zijn werkzaamheden bij [eiser] een maandloon van circa € 3.090,37 bruto. [gedaagde] heeft tijdens de zitting gesteld dat zijn omzet met [handelsnaam] per maand ongeveer € 8.000,- bedraagt.
[gedaagde] voor aanvang van het werk bij [bedrijf] niet gewezen op de overtreding daarmee van het concurrentiebeding, terwijl zij wist dat hij voor dat bedrijf zou gaan werken. Door [gedaagde] daarop pas later te wijzen, heeft [eiser] [gedaagde] de mogelijkheid ontnomen om van indiensttreding bij [bedrijf] af te zien, om overtreding van het concurrentiebeding te voorkomen. De omstandigheid dat [eiser] pas in maart 2026 heeft ontdekt dat qua geografische ligging [bedrijf] toch onder de reikwijdte van het concurrentiebeding valt, is aan [eiser] zelf te wijten, zodat dit tijdsverloop voor rekening en risico van [eiser] komt. Ook omdat [gedaagde] na het contact met [E] daarvoor zijn excuus bij [eiser] heeft aangeboden en niet is gebleken dat [gedaagde] daarna nog een keer contact heeft opgenomen met [E] of een andere klant van [eiser] , acht de kantonrechter een matiging van het totale boetebedrag voor de drie overtredingen tot in totaal € 2.000,- in dit geval gepast.
Vorderingen in reconventie” en boven de kop “
Mitsdien”. [eiser] heeft tijdens de zitting bezwaar gemaakt tegen het inlezen van de reconventionele vordering in het petitum. De kantonrechter gaat aan dit bezwaar voorbij omdat een redelijke uitleg van het petitum [5] met zich brengt dat de vorderingen in reconventie, die in het verweerschrift onder een afzonderlijk kop “
Vorderingen in reconventie” en boven de kop “
Mitsdien” zijn vermeld, daarin gelezen moeten worden. Dat [eiser] dat overigens ook zo heeft begrepen blijkt uit haar pleitnota, waarin zij vanaf de kop “
IV. Reconventie” op de reconventionele vordering is ingegaan.
[gedaagde] erop gewezen dat hij een jonge dertiger en kostwinner is.
[gedaagde] om al vóór 31 augustus 2026 binnen de reikwijdte van het concurrentiebeding als industrieel klimmer te werken en zijn belang om klanten te werven.
[gedaagde] door het concurrentie- en relatiebeding in belangrijke mate wordt belemmerd om werkzaam te zijn. De kantonrechter acht het daarom niet aannemelijk dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat [eiser] gehouden is tot het betalen van een schadevergoeding aan [gedaagde] . De verzochte schadevergoeding wordt daarom afgewezen.
5.De beslissing
[gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,