ECLI:NL:RBMNE:2026:4467

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/5578
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening wegens niet-ontvankelijkheid bezwaar PGB-tarief

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders om een Persoonsgebonden Budget (PGB) toe te kennen tegen een lager, informeel tarief. Dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding. Verzoekster stelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege onduidelijkheid over het besluit en druk waaronder zij stond.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het besluit duidelijk was over het toegekende tarief en de bezwaartermijn, en dat verzoekster tijdig bezwaar had kunnen maken. Er was geen sprake van schending van gerechtvaardigd vertrouwen of ontbrekende informatie. De termijnoverschrijding kon aan verzoekster worden toegerekend en was niet verschoonbaar.

Hoewel verzoekster een spoedeisend belang had bij een voorlopige voorziening vanwege het bijna uitgeputte PGB-depot, was het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het college had bovendien aangegeven bereid te zijn het formele tarief toe te passen per 1 november 2025. De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het bezwaar niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/5578

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster(gemachtigde: mr. B.B.A. Willering)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats] , het college

(gemachtigde: mr. M. Stoelinga).

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college om hulp in de vorm van een Persoonsgebonden Budget toe te kennen tegen het informele tarief. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het besluit
2. Aan verzoekster is bij besluit van 8 oktober 2025 begeleiding groep/dagbesteding voor gemiddeld 8 dagdelen per week en vervoer regulier voor gemiddeld 4 etmalen per week toegekend. Deze hulp is toegekend in de vorm van een Persoonsgebonden Budget (PGB) voor de periode van 1 november 2025 tot en met 31 oktober 2026, waarbij het tarief voor begeleiding groep/ dagbesteding op € 26,31 per dagdeel en het tarief voor vervoer regulier op € 28,63 per etmaal is vastgesteld. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is gedateerd op 29 november 2025 en door het college ontvangen op 3 december 2025. Het college heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet tijdig is ingediend en er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing. Ook heeft zij om een voorlopige voorziening verzocht.
3. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting [1] , omdat er geen twijfel mogelijk is over de uitkomst van de zaak.
Spoedeisend belang
3. Deze procedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van de beroepsprocedure een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Van onverwijlde spoed is sprake als er bijvoorbeeld een onomkeerbare situatie dreigt (bijvoorbeeld faillissement) of sprake is van acute financiële nood. Verzoeker stelt dat zij een spoedeisend belang heeft. Het PGB-depot is nagenoeg uitgeput en declaraties kunnen niet langer volledig worden verwerkt. Hierdoor komt de continuïteit van de voor verzoekster noodzakelijke begeleiding en ondersteunding direct in gevaar. Het college heeft dit door verzoekster aangegeven spoedeisend belang niet betwist.
4. De voorzieningenrechter neemt gelet op vorengaande aan dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening en zal het verzoek verder inhoudelijk behandelen.
Inhoudelijke beoordeling
5. De voorzieningenrechter dient (voorlopig) te beoordelen of het college het bezwaar op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard, met als gevolg dat het bezwaar niet inhoudelijk is beoordeeld.
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het bezwaarschrift is verzonden na afloop van de wettelijke bezwaartermijn. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de termijnoverschrijding in bezwaar verschoonbaar is.
7. Verzoekster heeft als reden voor de te late indiening gegeven dat zij in de veronderstelling was dat haar verzoek om herziening van het tarief, dat zij in november had ingediend, zou worden behandeld als een lopende bezwaarhandeling. Ook had zij wisselende informatie ontvangen van de gemeente waardoor voor haar het moment van het definitieve besluit en de start van de bezwaartermijn niet helder was. Verder heeft zij aangegeven dat zij onder enorme druk stond en zich in een afhankelijke positie bevond. Ook heeft zij aangegeven dat de fout voor haar niet eerder kenbaar was en zich buiten haar zicht bevond. Tenslotte voert verzoekster aan dat de gemeente informatie zou hebben achtergehouden die zij nodig had om de besluitvorming te kunnen beoordelen en dat zij erop mocht vertrouwen dat de zorg op de juiste grondslag werd vergoed.
8. De voorzieningenrechter stelt vast dat in het besluit van 8 oktober 2025 staat vermeld wat en tegen welk tarief aan verzoekster wordt toegekend. Ook staat in het besluit vermeld hoe en binnen welke termijn hier bezwaar tegen kan worden gemaakt. In het besluit is vermeld dat eerst zo spoedig mogelijk contact kan worden opgenomen met het college en dat, indien men er samen niet uit komt, binnen zes weken na verzending van het besluit een bezwaarschrift kan worden ingediend. Ook is nadrukkelijk vermeld dat verzoekster een bezwaarschrift binnen zes weken na de verzenddatum van het besluit moet indienen om te voorkomen dat het niet meer in behandeling kan worden genomen omdat het te laat is. Naar het (voorlopig) oordeel van de voorzieningenrechter had het daarmee voor verzoekster duidelijk kunnen en moeten zijn wat aan haar werd toegekend en hoe en binnen welke termijn zij hiertegen bezwaar moest maken, als zij het daar niet mee eens was. Dat er informatie zou ontbreken die nodig was om het bestreden besluit te kunnen beoordelen volgt de voorzieningenrechter dan ook niet. Dat er sprake zou zijn van een schending van gerechtvaardigd vertrouwen zodat de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn volgt de voorzieningenrechter evenmin. Als verzoekster het niet eens was met het bestreden besluit, dan had zij tijdig bezwaar kunnen en moeten maken. Verder heeft het college er niet ten onrechte op gewezen dat tussen het bestreden besluit en de afloop van de bezwaartermijn geen informatie-uitwisseling tussen de gemeente en verzoekster heeft plaatsgevonden. Verzoekster heeft ook pas na afloop van de bezwaartermijn, namelijk op 25 november 2025, een verzoek ingediend om herziening van het tarief. Ook de omstandigheid dat verzoekster zich eerder geïntimideerd en onder druk gezet heeft gevoeld, maakt niet dat zij niet (al dan niet met hulp van derden) tijdig bezwaar had kunnen indienen. Vorengaande leidt dan ook tot de conclusie dat de termijnoverschrijding aan verzoekster kan worden toegerekend en niet verschoonbaar is.
9. De voorzieningenrechter is gelet op vorengaande van voorlopig oordeel dat het bezwaar van verzoekster op goede gronden niet-ontvankelijk is verklaard.
Belangenafweging
10. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoekster te laten uitvallen. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter ook dat het college op 7 januari 2026 heeft aangegeven bereid te zijn om per 1 november 2025 het formele tarief te hanteren voor begeleiding groep/dagbesteding. Dit betreft een tarief van € 49,83 in plaats van € 26,31 per dagdeel.

Conclusie en gevolgen

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).