ECLI:NL:RBMNE:2026:4492

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
19 juli 2026
Zaaknummer
C/16/601311 / HL ZA 25-275
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:94 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:248 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gematigde boete wegens te late opzegging en niet-overdragen speelautomatenexploitatie

Partijen sloten op 1 september 2019 een exploitatieovereenkomst voor speelautomaten met een looptijd van 24 maanden, stilzwijgend verlengbaar met gelijke termijnen. De gedaagde verkocht zijn horecazaak en zegde de overeenkomst op via een Whatsapp-bericht op 28 juni 2025, wat eiseres te laat en niet volgens het vormvereiste van aangetekende brief vond.

De rechtbank oordeelt dat de overeenkomst op 1 september 2025 is geëindigd en dat de opzegging via Whatsapp rechtsgeldig was, omdat eiseres het bericht ontving en als opzegging opvatte. De rechtbank acht het onredelijk om de gedaagde aan een verlenging tot 2027 te houden, gezien de overdracht en het niet-gebruik van de speelautomaten.

Eiseres vordert een contractuele boete wegens het niet overdragen van de verplichtingen aan de nieuwe eigenaar en het niet gebruiken van de speelautomaten sinds 1 juni 2025. De rechtbank matigt de boete van €50 per dag tot het bedrag van de gemiddelde maandelijkse afdracht (€159,17) over drie maanden, totaal €477,51, vanwege disproportionaliteit en het ontbreken van schadebeperkende maatregelen door eiseres.

Daarnaast worden wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van deze bedragen en de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De overeenkomst eindigde op 1 september 2025 en gedaagde moet een gematigde boete van €477,51 plus rente en incassokosten betalen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/601311 / HL ZA 25-275
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
[eiseres] ,mede handelend onder de naam
[handelsnaam],
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. W.F. Wienen,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. P.P. Klokkers.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 3 producties,
- de conclusie van antwoord in conventie tevens vordering in voorwaardelijke reconventie met 2 producties,
- de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie,
- de mondelinge behandeling van 22 mei 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van het geschil

2.1
[eiseres] exploiteert speelautomaten en [gedaagde] had een horecazaak waar twee speelautomaten van [eiseres] staan. [gedaagde] heeft zijn zaak inmiddels verkocht aan een nieuwe eigenaar, die de exploitatie van de speelautomaten niet wil voortzetten. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] niet op tijd opgezegd en had hij ervoor moeten zorgen dat de nieuwe eigenaar de speelautomaten zou overnemen. [eiseres] wil daarom dat [gedaagde] de contractuele boete betaalt. [gedaagde] is het daar niet mee eens. Volgens [gedaagde] heeft hij de overeenkomst tijdig opgezegd en moet de boete worden gematigd. De rechtbank oordeelt dat de overeenkomst op 1 september 2025 is geëindigd en dat [gedaagde] een gematigde boete moet betalen.

3.De beoordeling

De overeenkomst is geëindigd op 1 september 2025
3.1
Partijen hebben op 1 september 2019 een exploitatieovereenkomst gesloten voor de duur van 24 maanden, die stilzwijgend kan worden verlengd. In artikel 2.1 van de overeenkomst is daarover het volgende opgenomen:
“De onderhavige overeenkomst is aangegaan voor de bepaalde tijd van 24 maanden ingaande op 01-09-2019 en eindigende op 01-09-2021
Behoudens opzegging bij aangetekende brief drie maanden voor einddatum van een lopende periode telkens stilzwijgend met een gelijke periode verlengd.”
3.2
Na het verstrijken van de eerste termijn van 24 maanden is de overeenkomst stilzwijgend verlengd. Partijen verschillen van mening over de duur van deze verlenging en de toepasselijke opzegtermijn.
3.3
Volgens [eiseres] is de overeenkomst op basis van artikel 2.1 van de overeenkomst steeds verlengd met een gelijke periode van 24 maanden. Dat betekent dat de overeenkomst eerst tot 1 september 2023 zou zijn verlengd en vervolgens tot 1 september 2025. Op 28 juni 2025 heeft [gedaagde] via een Whatsapp-bericht aan [eiseres] laten weten dat hij de overeenkomst wil opzeggen per 1 september 2025, omdat hij de zaak op 1 juni 2025 heeft overgedragen aan een nieuwe eigenaar. Volgens [eiseres] werd hij hiermee voor het eerst op de hoogte gesteld van het feit dat [gedaagde] de overeenkomst wilde opzeggen. [eiseres] stelt dat deze opzegging niet valt binnen de opzegtermijn van drie maanden en dus te laat is. Daarnaast stelt [eiseres] dat niet is voldaan aan het vormvereiste voor opzegging, namelijk opzegging via een aangetekende brief. Daarmee is de overeenkomst opnieuw verlengd en loopt deze door tot 1 september 2027.
3.4
Volgens [gedaagde] is de overeenkomst geëindigd op 1 september 2025. Hij stelt dat partijen in mei 2024 een opzegtermijn van twee maanden hebben afgesproken en dat hij met zijn Whatsapp-bericht van 28 juni 2025 dus tijdig heeft opgezegd. Verder blijkt volgens [gedaagde] uit artikel 2.1 niet duidelijk voor welke periode de overeenkomst stilzwijgend is verlengd en is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om hem te houden aan een nieuwe termijn van 24 maanden, omdat de speelautomaten niet meer worden gebruikt na de verkoop van zijn zaak.
3.5
De rechtbank acht het in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar [1] dat [eiseres] zich op de geringe overschrijding van de opzegtermijn beroept en om [gedaagde] tot 1 september 2027 aan zijn verplichtingen uit de overeenkomst te houden. [gedaagde] heeft namelijk zijn zaak overgedragen en de speelautomaten worden sinds 1 juni 2025 niet meer gebruikt, omdat de nieuwe eigenaar de speelautomaten niet wil. Het is voor [gedaagde] dus onmogelijk om de overeenkomst nog na te komen. Verder is de eerste contractstermijn van 24 maanden erop gericht om de investering van de exploitant terug te verdienen. Dat speelt niet meer bij de verlenging van het contract. [eiseres] heeft dat in ieder geval niet onderbouwd. Volgens [eiseres] kan dat wel een rol spelen als hij krediet heeft verstrekt aan een horecazaak, maar dat is hier niet aan de orde. Verder ziet de verlenging met steeds 24 maanden volgens [eiseres] op het buiten de deur houden van concurrenten. Ook dat speelt hier niet, omdat de nieuwe eigenaar van de zaak geen speelautomaten in zijn zaak wil hebben. Aan de andere kant heeft verlening van de exploitatieovereenkomst tot 1 september 2027 voor [gedaagde] het verstrekkende gevolg dat hij ruim twee jaar moet betalen voor automaten die hij niet kan gebruiken.
3.6
Het maakt geen verschil dat [gedaagde] niet per aangetekende brief heeft opgezegd. Vormvoorschriften zoals opgenomen in artikel 2.1 van de overeenkomst worden geacht te zijn opgenomen met het oog op de rechtszekerheid, om te waarborgen dat de opzegging de wederpartij tijdig heeft bereikt. Nu vaststaat dat [eiseres] het Whatsappbericht heeft ontvangen en dit ook daadwerkelijk als een opzegging heeft opgevat, staat het ontbreken van een aangetekende brief niet aan de rechtsgeldigheid van de opzegging in de weg.
3.7
Dit betekent dat de overeenkomst is geëindigd op 1 september 2025. Als partijen een kortere opzegtermijn hadden afgesproken, zoals [gedaagde] stelt en door [eiseres] wordt betwist, dan was de overeenkomst ook op 1 september 2025 geëindigd. De rechtbank komt daarom niet toe aan een bewijsopdracht voor die stelling van [gedaagde] , omdat de uitkomst van de procedure er niet door verandert.
3.8
Voor zover de overeenkomst nog bestaat, heeft [gedaagde] ontbinding van de overeenkomst gevorderd. Omdat de overeenkomst is geëindigd, hoeft de rechtbank die voorwaardelijke tegeneis niet te bespreken.
[gedaagde] moet een gematigde boete betalen
3.9
Op grond van artikel 3.1 van de overeenkomst heeft [eiseres] maandelijks recht op een deel van de opbrengst uit de speelautomaten:
“De netto-opbrengst van de speelautomaten wordt tussen partijen verdeeld in de verhouding van 50 % voor exploitant en 50 % voor mede-exploitant. […]”
3.1
Artikel 5.1 van de overeenkomst bevat daarnaast de volgende verplichting in het geval [gedaagde] de zaak overdraagt aan een nieuwe eigenaar:

Mede-exploitant is gehouden bij overdracht aan en/of voortzetting van zijn bedrijf door een derde, in welke vorm en onder welke titel dan ook, ervoor zorg te dragen dat die derde op eigen naam een exploitatie-overeenkomst met exploitant sluit, waarbij de inhoud van de exploitatieovereenkomst en de looptijd minimaal gelijk zijn aan die van de onderhavige overeenkomst. De mede-exploitant garandeert de exploitant dat bij gehele of gedeeltelijke overdracht van zijn bedrijf, dan wel bij staking van zijn bedrijf, de uit deze overeenkomst voor de mede-exploitant voortvloeiende rechten en verplichtingen zullen worden overgenomen door de persoon of de vennootschap die zijn bedrijf geheel of gedeeltelijk overneemt, dan wel - bij staking van zijn bedrijf - voor de mede-exploitant feitelijk in de plaats treedt, met welke overneming van rechten en verplichtingen de exploitant zich nu reeds akkoord verklaart.”
3.11
[eiseres] stelt dat [gedaagde] bovengenoemde bepalingen niet is nagekomen en vordert daarom de contractuele boete die volgt uit artikel 5.3 en 9.1 van de overeenkomst. In artikel 5.3 staat:

Bij niet-nakoming is mede-exploitant gehouden tot een contractuele boete als na te melden.”
3.12
En in artikel 9.1 staat:

Bij overtreding van een of meer van de bepalingen van deze overeenkomst verbeurt mede-exploitant, een direct opeisbare, niet voor verrekening in aanmerking komende boete van € 50 euro per dag of een gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt.”
3.13
Partijen zijn het erover eens dat de speelautomaten sinds 1 juni 2025 niet meer worden gebruikt en dat [eiseres] sindsdien geen opbrengsten meer heeft ontvangen uit de speelautomaten, terwijl hij daar wel recht op had gedurende de looptijd van de overeenkomst. Daarnaast is het [gedaagde] niet gelukt om de nieuwe eigenaar de speelautomaten te laten overnemen. Dit betekent dat [gedaagde] in principe de contractuele boete van € 50,- per dag verschuldigd is over de periode van 1 juni 2025 tot 1 september 2025. In totaal komt dat neer op € 4.600,-.
3.14
[gedaagde] heeft de rechtbank verzocht om de gevorderde boete te matigen. Daarbij doet hij een beroep op artikel 6:94 lid 1 BW Pro. De in dit artikel neergelegde maatstaf moet terughoudend worden toegepast. Matiging is slechts toegestaan indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, wat het geval is als toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. [2] Daarbij moet onder andere worden gelet op de aard van de overeenkomst, de inhoud en strekking van het beding, de verhouding tussen de werkelijke schade en de boete en de overige omstandigheden van het geval. Matiging mag niet verder gaan dan de wettelijke schadevergoeding. [3]
3.15
De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om de boete te matigen. Allereerst is sprake van een zogeheten 'eenheidsboete': artikel 9.1 geeft één vast boetebedrag voor iedere overtreding, ongeacht de aard of de ernst van de tekortkoming. [4] Daarnaast bestaat er een grove wanverhouding tussen de gevorderde boete en de daadwerkelijke schade die [eiseres] heeft geleden. [5] Uit e-mailcorrespondentie tussen de advocaat van [eiseres] en [gedaagde] blijkt dat de gemiddelde afdracht van [gedaagde] aan [eiseres] € 159,17 per maand bedraagt. Een boete van € 50,- per dag (wat neerkomt op ongeveer € 1.500,- per maand) is in verhouding tot dit schadebedrag buitensporig. Verder heeft [eiseres] na de overdracht geen actieve maatregelen genomen om zijn schade te beperken. Hij heeft de speelautomaten gewoon in de zaak laten staan, terwijl hij ruim de tijd heeft gehad deze op te (laten) halen. Tot slot is artikel 5.1 over het overnemen van speelautomaten door een nieuwe eigenaar geformuleerd als een resultaatsverbintenis, terwijl van [gedaagde] niet meer kan worden verwacht dan de nieuwe eigenaar te vragen om de automaten over te nemen.
3.16
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de boete matigen tot het bedrag van de gemiddelde maandelijkse afdracht voor de periode van 1 juni 2025 tot 1 september 2025. Dit komt neer op een bedrag van in totaal (3 maanden x € 159,17 =) € 477,51.
[eiseres] moet wettelijke rente betalen
3.17
[eiseres] vordert wettelijke (handels)rente over de hoofdsom. De toegewezen hoofdsom in deze zaak komt voort uit een boetebeding en betreft dus niet de kernprestatie van de overeenkomst. De wettelijke handelsrente is daarom niet toewijsbaar, maar de wettelijke rente zal wel worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen
3.18
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 71,63 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.2
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
1.108,00
(2 punten × € 554,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.817,14
Uitvoerbaar bij voorraad
3.21
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 477,51, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 71,63 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.817,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Landheer. Het vonnis is in het openbaar uitgesproken door mr. XXXX op 8 juli 2026.
68728

Voetnoten

1.Artikel 6:248 lid 2 BW Pro en Rechtbank Midden-Nederland 5 april 2023, ECLI:NL:RBMNE:2025:2706.
2.HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638 (Intrahof/Bart Smit).
3.Tekst & Commentaar Burgerlijk Wetboek, Matiging en aanvulling boete bij: Burgerlijk Wetboek Boek 6, Artikel 94.
4.Vgl. HR 13 februari 1998, NJ 1998/725 (
5.Vgl. HR 11 februari 2000,