ECLI:NL:RBMNE:2026:4629

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
12300403 \ UV EXPL 26-169
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Titel 10 Boek 7 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering werknemer statutair directeur-bestuurder wegens ontbreken arbeidsrelatie

Eiseres verrichtte vanaf 15 januari 2026 werkzaamheden als directeur-bestuurder voor gedaagde en werd op 6 juni 2026 geschorst door de Raad van Toezicht (RvT). Zij vorderde in kort geding wedertewerkstelling en doorbetaling van loon, stellende dat zij werknemer was met ontslagbescherming. Gedaagde stelde dat zij statutair bestuurder was.

De voorzieningenrechter beoordeelde of eiseres aannemelijk had gemaakt dat zij werknemer was, wat noodzakelijk was om de vorderingen op grond van het gewone arbeidsrecht te kunnen toewijzen. Uit de feiten, waaronder de inschrijving in het Handelsregister en het ontbreken van een formeel benoemingsbesluit, maar wel aanwijzingen van benoeming en aanvaarding, concludeerde de rechter dat eiseres statutair directeur-bestuurder is.

Omdat een statutair bestuurder geen rechten kan ontlenen aan het gewone arbeidsrecht, werd de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen achterwege gelaten en deze afgewezen. Eiseres werd veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan op 10 juli 2026.

Uitkomst: De voorzieningenrechter oordeelt dat eiseres statutair directeur-bestuurder is en wijst haar vorderingen tot tewerkstelling en loonbetaling af.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12300403 \ UV EXPL 26-169
Vonnis in kort geding van 10 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. B.K. van de Ven-Meier,
tegen
[gedaagde],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A.J.D. Bekius.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 juli 2026,
- de producties van [eiser] ,
- de producties van [gedaagde] .
1.2
Op 8 juli 2026 is de zaak tijdens de mondelinge behandeling (zitting) besproken. Daarbij was [eiser] aanwezig met haar gemachtigde, mr. B.K. van de Ven-Meier. Namens [gedaagde] was aanwezig de heer [A] (voorzitter van de Raad voor Toezicht) met de gemachtigde van [gedaagde] , mr. A. Bekias. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Door [eiser] en [gedaagde] zijn pleitaantekeningen overgelegd.
1.3
De voorzieningenrechter heeft op 10 juli 2026 een kop-staartvonnis gegeven. Dat is een vonnis zonder uitleg. De uitleg van die uitspraak staat in het onderstaande.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] heeft vanaf 15 januari 2026 werkzaamheden verricht voor [gedaagde] in de functie van directeur-bestuurder. Met ingang van 6 juni 2026 is zij door de Raad van Toezicht (hierna: RvT) geschorst. Zij vordert – kortgezegd – dat zij weer tewerk wordt gesteld en dat haar loon wordt doorbetaald. Aan de inhoudelijke beoordeling van die vorderingen kan alleen worden toegekomen als [eiser] aannemelijk kan maken dat zij een werknemer is van [gedaagde] waarop het ‘gewone’ arbeidsrecht uit titel 10, boek 7 Burgerlijk Wetboek van toepassing is. Volgens [gedaagde] is [eiser] statutair directeur-bestuurder van [gedaagde] . De kantonrechter komt tot het oordeel dat [eiser] niet aannemelijk heeft kunnen maken dat zij een werknemer van [gedaagde] is. Het is eerder aannemelijk dat [eiser] statutair directeur-bestuurder is. Aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [eiser] wordt niet toegekomen. De voorzieningenrechter wijst haar vorderingen dan ook af.

3.De beoordeling

Wat is er gebeurd?
3.1
[eiser] is op 12 december 2025 als directeur-bestuurder van [gedaagde] en haar werkmaatschappijen met [gedaagde] een arbeidsovereenkomst aangegaan per 15 januari 2026. De RvT heeft [eiser] met ingang van 6 juni 2026 geschorst, omdat de RvT meent dat de arbeidsrelatie met [eiser] is verstoord. De RvT is daarom van plan om [eiser] als statutair directeur-bestuurder te ontslaan. Op 10 juli 2026 om 11.30 uur vindt er een gecombineerde vergadering plaats waarin het door RvT voorgenomen ontslag van [eiser] als statutair directeur-bestuurder op de agenda staat. [eiser] vindt dat zij een werknemer is van [gedaagde] en dat de schorsing onrechtmatig is. Volgens haar kan de RvT haar op 10 juli 2026 niet ontslaan, omdat zij als werknemer van [gedaagde] ontslagbescherming geniet. Zij vordert in deze procedure daarom dat zij weer tewerk wordt gesteld en doorbetaling van haar salaris, beide op straffe van een dwangsom.
Het toetsingskader in kort geding
3.2
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
[eiser] heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen
3.3
[eiser] heeft een spoedeisend belang bij haar vordering. Op 10 juli 2026 om 11.30 uur vindt er een gecombineerde vergadering plaats waarin het door de RVT voorgenomen ontslag van [eiser] als statutair directeur-bestuurder zal worden voorgelegd. Partijen voeren discussie over de vraag of [eiser] wel statutair directeur-bestuurder is van [gedaagde] . Volgens [gedaagde] is [eiser] statutair bestuurder. Volgens [eiser] is zij slechts werknemer. Als blijkt dat [eiser] geen statutair directeur-bestuurder is, dan kan het besluit tot ontslag van [eiser] als statutair directeur-bestuurder in de gecombineerde vergadering van 10 juli 2026 niet worden genomen. Het is daarom van belang dat [eiser] voor aanvang van de gecombineerde vergadering antwoord heeft op de vraag of zij statutair directeur-bestuurder is.
Het is niet aannemelijk dat [eiser] een werknemer is van [gedaagde]
3.4
De voorzieningenrechter komt alleen aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [eiser] toe, als zij aannemelijk maakt dat zij werknemer van [gedaagde] is. Dit zijn immers vorderingen die zijn gegrond op titel 10, boek 7 BW en aan die titel kan een statutair bestuurder geen rechten ontlenen.
[eiser] is tot statutair directeur-bestuurder benoemd
3.5
[eiser] stelt dat zij geen statutair directeur-bestuurder is, omdat er geen benoemingsbesluit is. [gedaagde] heeft op de mondelinge behandeling aangevoerd dat [eiser] benoemd is tot statutair directeur-bestuurder en heeft hiertoe het volgende aangevoerd:
  • In de arbeidsovereenkomst is [eiser] aangesteld als “
  • Een paar dagen na de ondertekening van de arbeidsovereenkomst is intern gecommuniceerd dat [eiser] de nieuwe directeur-bestuurder zou worden.
  • [gedaagde] heeft [eiser] als statutair bestuurder ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK). Uit de het KvK-uittreksel dat [eiser] heeft overgelegd volgt dat [eiser] sinds 20 maart 2026 statutair bestuurder is en dit op 26 maart 2026 heeft geregistreerd.
3.6
Volgens de statuten van [gedaagde] is de RvT bevoegd de statutair bestuurder te benoemen. Een besluit tot benoeming van een statutair bestuurder is vormvrij. Een formeel schriftelijk benoemingsbesluit is dus niet vereist, in tegenstelling tot wat [eiser] meent. Voldoende is dat er aanwijzingen zijn dat [eiser] als statutair directeur-bestuurder is benoemd. Dat is hier het geval. De feiten en omstandigheden die [gedaagde] noemde, onderbouwd met stukken, leiden tot het oordeel van de voorzieningenrechter dat het aannemelijk is dat de RvT [eiser] heeft benoemd als statutair directeur-bestuurder.
[eiser] heeft haar benoeming aanvaard
3.7
[eiser] heeft daarnaast aangevoerd dat als zij al benoemd zou zijn tot statutair directeur-bestuurder, zij die benoeming niet heeft aanvaard. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] de benoeming wel degelijk aanvaard. Zij heeft hiertoe het volgende aangevoerd:
  • [eiser] heeft de arbeidsovereenkomst ondertekend waarin zij is aangesteld als “
  • [eiser] heeft haar inschrijving als statutair bestuurder in het Handelsregister van de KvK geaccepteerd, omdat zij een link heeft gehad waarmee zij most inloggen met haar DigiD om toestemming te geven voor de inschrijving als statutair bestuurder.
  • [eiser] heeft vanaf het moment dat zij het stokje van haar voorganger overnam, haar e-mails ondertekent met:

Liane [eiser]
Directeur-bestuurder
  • [eiser] heeft haar notitie “
  • [eiser] heeft zich beziggehouden met activiteiten die behoren tot het domein van de statutair bestuurder, zoals governance, begroting etc.
  • In de voorgenomen overname van [bedrijf] B.V. heeft [eiser] [gedaagde] vertegenwoordigd in haar functie van statutair directeur-bestuurder. Dit volgt uit de intentieovereenkomst van 9 april 2026 (productie 5 [gedaagde] ).
3.8
Gelet op deze feiten en omstandigheden, onderbouwd met stukken, is het aannemelijk dat [eiser] haar benoeming als statutair directeur-bestuurder heeft aanvaard. Bovendien heeft [eiser] op de mondelinge behandeling gesteld dat zij op momenten wel heeft gedacht dat zij statutair directeur-bestuurder was. Dit bevestigt dat zij zich als statutair directeur-bestuurder heeft gedragen en dus de benoeming heeft aanvaard.
Conclusie
3.9
het voorgaande leidt tot de conclusie dat het onvoldoende aannemelijk is dat [eiser] werknemer is van [gedaagde] . Het is eerder aannemelijk dat [eiser] statutair directeur-bestuurder is. De vorderingen van [eiser] zijn om die reden niet toewijsbaar.
De voorzieningenrechter komt aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen dan ook niet toe.
De proceskosten
3.1
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.154,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.298,00

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.
69134