Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.[eiseres sub 1] ,
2.
[eiser sub 2],
3.
[eiseres sub 3],
4.
[eiser sub 4],
1.[gedaagde sub 1] ,
2.
[gedaagde sub 2],
3.
[gedaagde sub 3],
4.
[gedaagde sub 4],
[gedaagde sub 5],
6.
[gedaagde sub 6],
1.De procedure
2.De kern van de zaak
3.De beoordeling
overalmaximaal 3 meter breed moet zijn. Uit de overgelegde stukken volgt dat aan dit vereiste wordt voldaan. Het tracé is namelijk op alle plekken breder dan 3 meter, in de bocht richting het perceel [eisers] is het zelfs tot 5 meter breed. [6] De palen, kisten en kooien van [gedaagden] staan dus niet op het tracé zelf.
en dat het [gedaagden] is toegestaan om aan weerszijden van de weg vanaf de toegangspoort van het heersende erf tot aan het pad dat aansluit op de [locatie] voorzieningen en obstakels aan te brengen ter markering van de weg en ter voorkoming dat [eisers] nog langer gebruik kan maken van de eigendom van [gedaagden] buiten de weg’’. Omdat [gedaagden] volgens het hof dus direct vanaf het perceel van [eisers] obstakels mag aanbrengen ter markering van het tracé, ziet de voorzieningenrechter niet in waarom [eisers] bij de bocht richting haar perceel meer ruimte zou moeten krijgen om te draaien. Hierbij speelt ook mee dat het hof expliciet, en juist in aanvulling op de veroordeling die was uitgesproken door de rechtbank, heeft bepaald dat het [eisers] niet is toegestaan buiten het tracé ter breedte van 3 meter te draaien, keren, steken, rangeren en/of manoeuvreren met (motor)voertuigen.