ECLI:NL:RBMNE:2026:4653

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
16613258 KG ZA 26-365
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering verwijdering obstakels op erfdienstbaarheid en proceskostenveroordeling

Eisers en gedaagden zijn buren en hebben een geschil over een erfdienstbaarheid die eisers het recht geeft om via het perceel van gedaagden op de openbare weg te komen. Na een bodemprocedure heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de inhoud en omvang van deze erfdienstbaarheid vastgesteld. Eisers stelt dat gedaagden zich niet aan deze omschrijving houdt door obstakels te plaatsen die het gebruik belemmeren.

In dit kort geding vordert eisers dat gedaagden de obstakels, waaronder palen, kisten, kooien en een grindlaag, verwijdert. De voorzieningenrechter oordeelt dat het niet aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat gedaagden zich niet houdt aan de omschrijving van de erfdienstbaarheid. Het tracé voldoet aan de maximale breedte van drie meter en de obstakels staan buiten het tracé. Het grind wordt als een normale verharding beschouwd en belemmert het gebruik niet.

Daarnaast vordert eisers opheffing van een verbod op foto- en filmopnames, maar dit wordt afgewezen wegens gebrek aan belang. Eisers wordt in het ongelijk gesteld en veroordeeld tot betaling van de proceskosten van gedaagden, inclusief griffierecht, advocaatkosten en nakosten. Het vonnis is gewezen door de voorzieningenrechter en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af en veroordeelt eisers in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/613258 / KG ZA 26-365
Vonnis in kort geding van 23 juli 2026
in de zaak van

1.[eiseres sub 1] ,

wonend in [woonplaats] ,
2.
[eiser sub 2],
wonend in [woonplaats] ,
3.
[eiseres sub 3],
wonend in [woonplaats] ,
4.
[eiser sub 4],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. J. van Weerden,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

wonend in [woonplaats] ,
2.
[gedaagde sub 2],
wonend in [woonplaats] ,
3.
[gedaagde sub 3],
wonend in [woonplaats] ,
4.
[gedaagde sub 4],
wonend in [woonplaats] ,
5.
[gedaagde sub 5],
wonend in [woonplaats] ,
6.
[gedaagde sub 6],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. P.P.J. van der Rijt.

1.De procedure

1.1.
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding van 1 juli 2026 met producties 1 tot en met 10,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 16,
- het bericht van [eisers] met productie 11.
1.2.
Op 9 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens [eisers] waren [eiseres sub 1] en [eiser sub 4] aanwezig, bijgestaan door mr. J. van Weerden. Aan de kant van [gedaagden] zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 5] verschenen. Zij werden bijgestaan door mr. P.P.J. van der Rijt. Beide partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling een pleitnotitie voorgedragen. Van al het overige dat is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Na de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter laten weten dat vandaag een vonnis wordt gewezen in deze procedure.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eisers] en [gedaagden] wonen naast elkaar en zijn het oneens over een erfdienstbaarheid, die [eisers] het recht geeft om via het perceel van [gedaagden] (uiteindelijk) op de openbare weg te komen. Hierover hebben partijen een bodemprocedure gevoerd, waarna het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een eindarrest de inhoud en omvang van de erfdienstbaarheid heeft vastgesteld. Volgens [eisers] houdt [gedaagden] zich hier niet aan, omdat zij fysieke obstakels op en rondom het tracé van de erfdienstbaarheid (hierna: het tracé) zou hebben aangebracht. Hierom vordert [eisers] in dit kort geding onder meer dat [gedaagden] de obstakels moet weghalen. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eisers] af. Dit komt doordat niet is gebleken dat [gedaagden] zich niet houdt aan de omschrijving van de erfdienstbaarheid zoals het hof die heeft gegeven.

3.De beoordeling

[eisers] heeft een spoedeisend belang
3.1.
De zaak is op dit moment voldoende spoedeisend voor een kort geding. Naar eigen zeggen kan [eisers] op dit moment geen gebruik maken van de erfdienstbaarheid, terwijl onder meer haar eigen bedrijfsvoering daarvan afhankelijk is. Als dat zo is, kan van [eisers] niet worden verwacht dat zij een einduitspraak van de bodemrechter afwacht. Daarmee is het spoedeisend belang van [eisers] gegeven.
Het toetsingskader in deze procedure
3.2.
Vervolgens moet in dit kort geding worden beoordeeld of de vorderingen van [eisers] , in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat, vooruitlopend
daarop toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Daarbij is
het uitgangspunt dat in een kort geding geen plaats is voor bewijslevering.
De voorzieningenrechter stemt af met de beslissingen in het arrest in de bodemzaak
3.3.
De rechter die in kort geding beslist op een vordering tot het geven van een
voorlopige voorziening nadat de civiele bodemrechter een uitspraak in de hoofdzaak heeft
gedaan, moet in beginsel zijn uitspraak afstemmen op het oordeel van die bodemrechter.
ongeacht of dit oordeel is gegeven in een tussenuitspraak of in een einduitspraak, in de
overwegingen of in het dictum van de uitspraak, en ongeacht of de uitspraak in kracht van
gewijsde is gegaan.
3.4.
Voor dit kort geding is dus van belang dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zijn arrest van 21 oktober 2025 (hierna: het arrest [1] ) de inhoud en omvang van de erfdienstbaarheid heeft beoordeeld en vastgesteld. Hierin is onder meer het volgende bepaald:
- dat de erfdienstbaarheid van weg een breedte heeft van maximaal drie meter en dat het [gedaagden] is toegestaan om aan weerszijden van deze weg vanaf de toegangspoort van het heersende erf tot aan het pad dat ontsluit op [locatie] voorzieningen en obstakels aan te brengen ter markering van de weg en ter voorkoming dat [eisers] gebruik (kan) maken van de eigendom van [gedaagden] buiten de verharde weg [2] ;
- dat [eisers] deze voorzieningen en obstakels dient te gehengen en gedogen nadat deze ter markering van de weg zijn aangebracht [3] ;
- dat het [eisers] en haar bezoekers niet is toegestaan de eigendom van [gedaagden] te gebruiken om buiten de weg ter breedte van drie meter te draaien, keren, steken, rangeren en/of manoeuvreren met (motor)voertuigen [4] ; en
- dat het gebruik van de weg niet beperkt is tot personenauto’s [5] .
[gedaagden] hoeft de obstakels rondom het tracé niet te verwijderen
3.5.
In deze procedure gaat het dus vooral om de vraag of de huidige situatie ter plaatse voldoet aan de bovenstaande omschrijving van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Volgens [eisers] is dit niet het geval doordat [gedaagden] palen, kisten en kooien langs/op het tracé heeft geplaatst. [eisers] stelt dat de bocht van het tracé richting haar eigen perceel hierdoor te smal is geworden, met als gevolg dat zij hier met de meeste voertuigen niet meer doorheen kan draaien. Om deze reden vordert [eisers] dat de voorzieningenrechter bepaalt dat [gedaagden] deze obstakels moet verwijderen en daar in de toekomst geen nieuwe obstakels meer mag plaatsen.
3.6.
De voorzieningenrechter zal deze vorderingen afwijzen. Het is namelijk onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat op dit moment niet wordt voldaan aan de omschrijving die het hof van de erfdienstbaarheid heeft gegeven. Hiervoor is allereerst van belang dat in het arrest is bepaald dat het tracé
overalmaximaal 3 meter breed moet zijn. Uit de overgelegde stukken volgt dat aan dit vereiste wordt voldaan. Het tracé is namelijk op alle plekken breder dan 3 meter, in de bocht richting het perceel [eisers] is het zelfs tot 5 meter breed. [6] De palen, kisten en kooien van [gedaagden] staan dus niet op het tracé zelf.
3.7.
Voor zover [eisers] bedoelt dat het vereiste van 3 meter niet geldt voor de bocht richting haar eigen perceel (en het tracé daar dus breder moet zijn), volgt de voorzieningenrechter haar daar ook niet in. Weliswaar heeft het hof bepaald dat het gebruik van het tracé door [eisers] niet beperkt is tot verkeer met personenauto’s, zodat het dus gebruikt mag worden voor vrachtverkeer (wat volgens [eisers] nu niet mogelijk is). Maar in het arrest staat dus ook dat het tracé een breedte heeft van maximaal 3 meter, ‘’
en dat het [gedaagden] is toegestaan om aan weerszijden van de weg vanaf de toegangspoort van het heersende erf tot aan het pad dat aansluit op de [locatie] voorzieningen en obstakels aan te brengen ter markering van de weg en ter voorkoming dat [eisers] nog langer gebruik kan maken van de eigendom van [gedaagden] buiten de weg’’. Omdat [gedaagden] volgens het hof dus direct vanaf het perceel van [eisers] obstakels mag aanbrengen ter markering van het tracé, ziet de voorzieningenrechter niet in waarom [eisers] bij de bocht richting haar perceel meer ruimte zou moeten krijgen om te draaien. Hierbij speelt ook mee dat het hof expliciet, en juist in aanvulling op de veroordeling die was uitgesproken door de rechtbank, heeft bepaald dat het [eisers] niet is toegestaan buiten het tracé ter breedte van 3 meter te draaien, keren, steken, rangeren en/of manoeuvreren met (motor)voertuigen.
3.8.
Dit samengenomen maakt dat dus onvoldoende aannemelijk is dat een bodemrechter zal oordelen dat momenteel niet wordt voldaan aan omschrijving van de erfdienstbaarheid die in het arrest is gegeven.
[gedaagden] hoeft het grind op het tracé niet weg te halen
3.9.
[eisers] stelt dat zij ook wordt belemmerd in het gebruik van het tracé, omdat [gedaagden] er een te dikke laag grind op heeft laten storten. Hierom vordert zij dat de voorzieningenrechter bepaalt dat [gedaagden] het grind moet verwijderen. Maar ook deze vordering zal de voorzieningenrechter afwijzen.
3.10.
Het is in dit geval niet in te zien hoe [eisers] door het storten van grind wordt belemmerd in het gebruik van de weg. Grind is beginsel een normale manier om een weg zoals die in geschil te verharden. Uit de door [gedaagden] overgelegde videobeelden blijkt bovendien dat het tracé nog steeds begaanbaar is voor diverse soorten voertuigen. [7] Verder heeft ook het bedrijf dat het grind heeft gestort verklaard dat de door haar aangebrachte grindlaag gangbaar is. [8] Omdat er dus nog steeds over het tracé kan worden gereden, en daarnaast nergens uit blijkt dat het om een ongebruikelijke hoeveelheid grind gaat, hoeft [gedaagden] de grindlaag dan ook niet te verwijderen. Het is tegen deze achtergrond immers onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter deze vordering zal toewijzen.
Ook de overige vorderingen van [eisers] zullen worden afgewezen
3.11.
Voor zowel [eisers] als [gedaagden] is het verboden om foto-
en/of filmopnames te maken van elkaar, elkaars perceel en gasten (hierna: het film- en verbod). [eisers] vordert schorsing van het film- en fotoverbod, om zo te kunnen bewijzen dat [gedaagden] zich niet aan de omschrijving van de erfdienstbaarheid uit het arrest houdt. Maar ook deze vordering zal de voorzieningenrechter afwijzen. [eisers] heeft hier geen belang bij (en dat is wel vereist), omdat de voorzieningenrechter gelet op de bovenstaande overwegingen niet voldoende aannemelijk acht dat [gedaagden] zich niet aan het arrest van het hof houdt.
3.12.
Dit betekent ook dat [gedaagden] [eisers] geen dwangsommen of andere vergoedingen hoeft te betalen.
[eisers] moet de proceskosten van [gedaagden] betalen
3.13.
[eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht
1.414,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.780,00

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
4.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 2.780,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026.
5793

Voetnoten

1.Productie 2 [eisers]
2.Rechtsoverweging 3.6 van het arrest.
3.Rechtsoverweging 3.6 van het arrest.
4.Rechtsoverweging 3.3 van het arrest.
5.Rechtsoverweging 2.18 jo. 2.17 van het arrest.
6.Productie 5 van [gedaagden]
7.Producties 9-12 en 14 van [gedaagden]
8.Productie 8 van [gedaagden]