ECLI:NL:RBMNE:2026:4726

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/5124
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 6:22 AwbArt. 7:3 AwbArt. 7:3b AwbArt. 8:42 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag wegens ontbreken aanvraag en schending hoorplicht

Eiseres verzocht compensatie in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag, stellende dat zij in 2005 een aanvraag had ingediend en gebruik maakte van kinderopvang. Dienst Toeslagen vond geen bewijs van een aanvraag of ontvangen toeslag over 2005-2007 en wees het verzoek af.

De rechtbank oordeelt dat eiseres onvoldoende bewijs heeft geleverd van een aanvraag kinderopvangtoeslag en dat Dienst Toeslagen de systemen adequaat heeft doorzocht. Er is geen aanwijzing voor schade of institutionele vooringenomenheid jegens eiseres. Het beginsel van equality of arms is niet geschonden.

Wel is de hoorplicht geschonden doordat verweerder ten onrechte afzag van een hoorzitting in bezwaar. De rechtbank passeert deze schending omdat eiseres tijdens de beroepsprocedure voldoende gelegenheid kreeg haar standpunt toe te lichten en daardoor niet in haar belangen is geschaad.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand, maar Dienst Toeslagen wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van compensatie blijft in stand, ondanks een gepasseerde schending van de hoorplicht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5124

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. W. Kort)
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Inleiding

1.1
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van Dienst Toeslagen om aan eiseres compensatie toe te kennen in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag.
1.2
Dienst Toeslagen heeft het verzoek om compensatie in het besluit van
7 januari 2025 (het primaire besluit) afgewezen. Met het besluit van 22 augustus 2025 (het bestreden besluit) is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
1.3
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dienst Toeslagen heeft gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en namens verweerder is zijn gemachtigde verschenen.

Totstandkoming van het besluit

2.1
Eiseres heeft zich op 9 december 2022 bij Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2005 tot en met 2007.
2.2
Dienst Toeslagen heeft in het kader van de integrale beoordeling geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat eiseres een gedupeerde is van de toeslagenaffaire omdat eiseres volgens de gegevens van Dienst Toeslagen geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, en dus ook niet ontvangen, over de jaren 2005 tot en met 2007.

Overwegingen

3. De vraag die de rechtbank in deze zaak moet beantwoorden is of Dienst Toeslagen het verzoek van eiseres om compensatie op goede gronden heeft afgewezen.
Beoordelingskader
4. De rechtbank stelt voorop dat uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding van materiële en immateriële schade. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) volgt dat Dienst Toeslagen compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiseres daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de besluiten van Dienst Toeslagen. Daarnaast volgt uit de memorie van toelichting bij de Wht [1] dat de bewijslast voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt. Eiseres moet dus meer doen dan alleen zeggen dat zij een aanvraag om kinderopvangtoeslag heeft ingediend. Zij moet dat met bewijsstukken, zoals bijvoorbeeld bankafschriften, onderbouwen.
Standpunt van eiseres
5.1
Eiseres voert aan dat zij in 2005 een aanvraag om kinderopvangtoeslag heeft ingediend. Ze was een alleenstaande ouder met een fulltime baan dus haar kind moest opgevangen worden. Eiseres heeft hiertoe een plaatsingscontract overgelegd waaruit blijkt dat gebruik is gemaakt van kinderopvang/BSO in de jaren 2004 tot en met 2006. Ter zitting heeft eiseres haar beroepsgrond zo toegelicht dat de kinderopvang van haar dochter werd vergoed door de gemeente tot 2005. Daarna stopte deze regeling en werd de opvangplek niet meer door de gemeente gesubsidieerd. Daarom heeft eiseres op dat moment een aanvraag om kinderopvangtoeslag gedaan. Over de periode van 2005 tot 2007 heeft eiseres gebruik kunnen maken van kinderopvang voor haar dochter en daar heeft eiseres naar haar weten niet zelf voor betaald. Zij ging ervan uit, zo stelt zij, dat zij de kinderopvangtoeslag ontving en daar de kinderopvang van haar dochter mee financierde. Vanwege de destijds roerige gezinssituatie en een plotselinge verhuizing heeft eiseres dat niet gecontroleerd en kan eiseres dat nu ook niet meer controleren omdat ze niet (meer) beschikt over haar administratie. Eiseres stelt dan ook in bewijsnood te verkeren. Zij is volledig afhankelijk van de informatie vanuit Dienst Toeslagen en eiseres is van mening dat Dienst Toeslagen onvoldoende inzicht heeft gegeven in haar volledige dossier. Zo ontbreekt haar persoonlijke dossier en is onvoldoende toegelicht hoe verweerder heeft gezocht in de systemen. Op basis van de overgelegde stukken kan eiseres niet controleren of Dienst Toeslagen voldoende heeft gezocht en of zij zich voor de afwijzing op de juiste informatie heeft gebaseerd. Dit maakt dat volgens eiseres dat sprake is van schending van het beginsel van equality of arms. Dat de informatie van verweerder niet compleet is, blijkt volgens eiseres bijvoorbeeld uit het feit dat in het SAS-rapport alleen de toeslagen vanaf 2012 zichtbaar zijn terwijl eiseres ook voor 2012 toeslagen heeft ontvangen, namelijk zorgtoeslag en huurtoeslag.
5.2
Daarnaast stelt eiseres zich op het standpunt dat haar bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard zonder haar in de gelegenheid te stellen haar standpunt nader toe te lichten tijdens een hoorzitting.
Standpunt van verweerder
6.1
Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de gegevens van Dienst Toeslagen niet blijkt dat eiseres een aanvraag om kinderopvangtoeslag heeft gedaan. Het afnemen van kinderopvang betekent niet per definitie dat daarmee ook kinderopvangtoeslag is aangevraagd, ook niet wanneer eiseres stelt dat zij zonder toeslag de afgenomen kinderopvang niet had kunnen betalen. Bovendien blijkt uit de door eiseres overgelegde plaatsingsovereenkomst dat het ging om door de gemeente gesubsidieerde buitenschoolse opvang. De overeenkomst heeft namelijk als titel: “Gemeentelijk gesubsidieerd plaatsingscontract kinderopvang.”
6.2
Ter zitting heeft verweerder de wijze van zoeken naar een eventuele aanvraag om kinderopvang toeslag van eiseres, zoals welke systemen worden geraadpleegd en welke informatie deze systemen bevatten, uitgebreid toegelicht. Hierbij heeft verweerder verwezen naar een uitspraak van de Raad van State, waarin de manier van zoeken ook wordt toegelicht. [2] Verweerder heeft toegelicht dat ter voorbereiding op de zitting nogmaals eenzelfde zoekslag is uitgevoerd en dat daarbij geen gegevens zijn gevonden die erop wijzen dat eiseres een aanvraag om kinderopvangtoeslag heeft gedaan of kinderopvangtoeslag heeft ontvangen. Ten aanzien van het overgelegde SAS-rapport waarin alleen beschikkingen vanaf 2012 zichtbaar zijn, heeft verweerder ter zitting toegelicht dat het SAS-systeem geen brondocumenten bevat maar een systeem is dat gevuld kan worden als een overzicht van verzamelde informatie uit andere brondocumenten. In dit geval is het SAS-systeem pas vanaf 2012 gevuld met informatie van eiseres. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat eiseres voor 2012 inderdaad andere toeslagen heeft ontvangen en dat Dienst Toeslagen ook beschikt over die gegevens. Dat dat niet uit het SAS-systeem blijkt, biedt geen aanknopingspunt dat er gegevens moeten zijn geweest ten aanzien van kinderopvangtoeslag van voor die periode.
6.3
Ten aanzien van het afzien van een hoorzitting in bezwaar stelt verweerder zich op het standpunt dat op grond van artikel 7:3b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 3 lid 3 onder Pro c van de Instellingsregeling Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen, heeft Dienst Toeslagen terecht afgezien van een hoorgesprek, doordat het op voorhand evident duidelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een ander besluit en daarom kennelijk ongegrond is verklaard. Bovendien is eiseres op 7 juli 2025 in de gelegenheid gesteld om middels een zienswijze te reageren op de destijds voorlopige conclusie dat er geen aanvraag kinderopvangtoeslag was teruggevonden in de systemen en het voornemen om het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren. Wel heeft de gemachtigde van verweerder op de zitting gezegd te begrijpen dat eiseres zich door het niet plaatsvinden van de hoorzitting niet gehoord heeft gevoeld en dat een hoorzitting juist veel kan betekenen als onderdeel van de hersteloperatie.
Het oordeel van de rechtbank
Afwijzing compensatie
7.1
De rechtbank kan zich, gezien de turbulente privéomstandigheden van eiseres, het gevoel van onmacht van eiseres voorstellen. Tegelijkertijd is de rechtbank van oordeel dat Dienst Toeslagen alle op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van Pro de Awb heeft overgelegd en dat het dossier van eiseres geen stukken bevat waaruit blijkt dat een aanvraag om kinderopvangtoeslag is gedaan. Het persoonlijk dossier is geen op de zaak betrekking hebbend stuk in de zin van artikel 8:42 van Pro de Awb. [3]
7.2
Verweerder heeft uitgebreid toegelicht dat, en hoe, de informatiesystemen zijn doorzocht en dat er zelfs een extra zoekslag is uitgevoerd. Daarbij is geen aanvraag of beschikking ten aanzien van kinderopvangtoeslag over de periode van 2005 tot 2007 van eiseres aangetroffen. Ook is niet gebleken dat eiseres voor die jaren met een daadwerkelijke correctie, stopzetting of terugvordering van de kinderopvangtoeslag geconfronteerd is geweest. Om die reden kan dus ook geen sprake zijn van schade als gevolg van het handelen van Dienst Toeslagen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de toelichting van Dienst Toeslagen. Te meer omdat eiseres geen begin van bewijs heeft geleverd op grond waarvan aannemelijk geacht zou kunnen worden dat zij daadwerkelijk een aanvraag kinderopvangtoeslag heeft ingediend. Ook heeft de rechtbank in het dossier geen aanwijzingen gevonden voor het oordeel dat Dienst Toeslagen over de jaren 2005 tot en met 2007 vooringenomen zou hebben gehandeld. Van strijd met het beginsel van equality of arms is geen sprake.
7.3
Gelet op het voorgaande, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat eiseres gedupeerd is als gevolg van de toeslagenaffaire. Dienst Toeslagen heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat voor het toekennen van een compensatie aan eiseres.
Hoorplicht
8.1
Ten aanzien van het afzien van horen in de bezwaarfase oordeelt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard omdat eiseres evident buiten de reikwijdte van de Wht zou vallen. De rechtbank denkt daar anders over. Van het horen kan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien als er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. [4] Dat betekent dat een hoorzitting slechts mag worden onthouden als toelichting redelijkerwijs geen toegevoegde waarde kan hebben. Aan die maatstaf is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan. Eiseres mocht tijdens de hoorzitting nieuwe gronden en nieuwe documenten presenteren. Bovendien had een hoorzitting zich goed kunnen lenen om uit te leggen waarom verweerder inschatte dat het bezwaar kansloos zou zijn.
8.2
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank ziet aanleiding om de schending van de hoorplicht met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb te passeren. Eiseres heeft namelijk in beroep en op de zitting de gelegenheid gekregen om haar standpunt naar voren te brengen. Gelet hierop overweegt de rechtbank dat eiseres niet in haar belangen is geschaad. Omdat er sprake is van een gebrek in de bezwaarprocedure bepaalt de rechtbank wel dat verweerder de proceskosten en het griffierecht aan eiseres moet vergoeden.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Daarom blijft het bestreden besluit in stand. Verweerder moet wel de proceskosten die eiseres gemaakt heeft en het door haar betaalde griffierecht vergoeden. De proceskostenvergoeding bedraagt op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht in totaal € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde van € 934,- per punt en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt Dienst Toeslagen op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van
mr. E. Stumpel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, pagina 72.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 16 december 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:7506.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1478.