ECLI:NL:RBMNE:2026:4780

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
26 juli 2026
Zaaknummer
11900440 \ UC EXPL 25-7577
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:230l BWArt. 6:230m BWArt. 6:230t BWArt. 6:203 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing restant aanneemsom schilderwerk na oplevering en afwijzing herstelvordering

De zaak betreft twee overeenkomsten van aanneming van werk tussen eiser en gedaagde: herstelwerkzaamheden en schilderwerkzaamheden aan houtwerk van de woning en bijgebouwen van gedaagde. Eiser vordert betaling van het restantbedrag van de aanneemsom voor het schilderwerk, terwijl gedaagde betwist dat het werk is opgeleverd en stelt dat een uurtarief op regiebasis was afgesproken. Tevens vordert gedaagde schadevergoeding voor herstelkosten wegens tekortkomingen.

De kantonrechter oordeelt dat de herstel- en schilderwerkzaamheden zijn opgeleverd omdat gedaagde het werk niet binnen een redelijke termijn heeft gekeurd, waardoor het risico op haar overgaat. De stelling dat een uurtarief was afgesproken voor het schilderwerk wordt verworpen; de aanneemsom is voldoende onderbouwd en niet weersproken. De vorderingen van gedaagde tot schadevergoeding en kosten worden afgewezen.

Verder wordt vastgesteld dat eiser heeft voldaan aan zijn informatieverplichtingen jegens gedaagde als consument, en dat eventuele schendingen niet tot een sanctie leiden. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het restantbedrag van € 3.270,00, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten, en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het restantbedrag van €3.270,00 met rente en kosten, vorderingen tot schadevergoeding worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11900440 \ UC EXPL 25-7577
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
[eiser]handelen onder de naam
[handelsnaam],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. F.J. Boonstra,
tegen
[gedaagde ],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde ] ,
gemachtigde: mr. L. Rood, werkzaam bij ARAG SE RECHTSBIJSTAND.

1.De procedure

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 10 september 2025 met producties,
  • de conclusie van antwoord in conventie tevens van eis in reconventie van 26 november 2025 met producties,
  • de conclusie van antwoord in reconventie van 12 februari 2026 met producties.
1.2
De mondelinge behandeling vond plaats op 23 februari 2026. Daarbij was [eiser] aanwezig met zijn gemachtigde mr. F.J. Boonstra. [gedaagde ] was niet aanwezig, maar haar gemachtigde mr. L. Rood wel. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Partijen hebben na de mondelinge behandeling de mogelijkheid gekregen om de onderzoeken of zij er onderling uit zouden kunnen komen. Op 9 maart 2026 heeft de gemachtigde van [gedaagde ] namens partijen de kantonrechter bericht dat partijen er onderling niet uitgekomen zijn.
1.3
Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt gewezen.
2 De kern van de zaak
2.1
[eiser] en [gedaagde ] hebben twee overeenkomsten van aanneming van werk met elkaar gesloten. Eén overeenkomst heeft betrekking op herstelwerkzaamheden aan houtwerk aan de buitenzijde van de woning en bijgebouwen van [gedaagde ] en de andere overeenkomst heeft betrekking op schilderwerkzaamheden aan houtwerk aan de buitenzijde van de woning en bijgebouwen van [gedaagde ] . [gedaagde ] heeft de voor de herstelwerkzaamheden gefactureerde bedragen betaald.
[eiser] vordert betaling van het restantbedrag van de aanneemsom (€ 3.270,00) voor de schilderwerkzaamheden die hij heeft verricht aan de woning en bijgebouwen van [gedaagde ] .
Volgens [eiser] zijn de werkzaamheden opgeleverd. [gedaagde ] vindt dat zij het bedrag van € 3.270,00 niet hoeft te betalen, omdat zij en [eiser] hadden afgesproken dat zij hem € 40,00 per uur zou betalen op regiebasis en zij alles al (zelfs te veel) aan [eiser] heeft betaald. Daarnaast zijn de herstel- en schilderwerkzaamheden volgens haar niet opgeleverd. [gedaagde ] vindt ook dat [eiser] niet heeft voldaan aan informatieverplichtingen en dat daarom als sanctie de eventueel toe te wijzen hoofdsom met 40% moet worden verlaagd.
In reconventie stelt [gedaagde ] dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomsten en hij haar een schadevergoeding moet betalen voor de herstelkosten die zij moet maken om het werk van [eiser] alsnog goed te laten uitvoeren. Deze herstelkosten zijn volgens het expertiserapport dat [gedaagde ] heeft overgelegd € 12.150,00 en dit bedrag vordert [gedaagde ] van [eiser] .
2.2
De kantonrechter is van oordeel dat de herstel- en schilderwerkzaamheden zijn opgeleverd omdat [gedaagde ] het werk van [eiser] niet op tijd heeft gekeurd waardoor het werk voor risico van [gedaagde ] komt en zij [eiser] daarom moet betalen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om een sanctie op te leggen wegens het (gesteld) schenden van informatieverplichtingen. De vorderingen in reconventie van [gedaagde ] worden afgewezen.

3.De beoordeling

3.1
De kantonrechter behandelt de vorderingen in conventie en reconventie vanwege de onderlinge samenhang, gezamenlijk.
De vorderingen van [eiser] worden toegewezen – De verweren van [gedaagde ] slagen niet – De vorderingen van [gedaagde ] worden afgewezen
2 overeenkomsten
3.2
De kantonrechter stelt voorop dat als gesteld en niet (voldoende) weersproken, vaststaat dat [eiser] en [gedaagde ] twee overeenkomsten met elkaar hebben gesloten, namelijk:
één overeenkomst van aanneming van werk die betrekking heeft op herstelwerkzaamheden aan houtwerk aan de buitenzijde van de woning
en bijgebouwen van [gedaagde ] ;
en
één overeenkomst van aanneming van werk die betrekking heeft op schilderwerkzaamheden aan houtwerk aan de buitenzijde van de woning en bijgebouwen van [gedaagde ] .
Overeenkomst 1 - De herstelwerkzaamheden
3.3
Uit de stukken in het dossier en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken volgt dat:
  • [eiser] eerst houtwerk aan de buitenzijde van de woning en bijgebouwen van [gedaagde ] heeft hersteld;
  • hij deze werkzaamheden in november 2024 heeft afgerond;
  • [gedaagde ] vervolgens de facturen daarvoor heeft betaald.
Vaststaat dat [eiser] en [gedaagde ] met betrekking tot deze werkzaamheden zijn overeengekomen dat deze voor € 40,00 per uur exclusief btw (zijnde € 43,60 inclusief btw) op regiebasis werden uitgevoerd. Deze prijsafspraak blijkt onder andere uit de facturen van 25 en 29 november 2024 [1] .
3.4
Omdat niet gesteld of gebleken is, dat [gedaagde ] binnen een redelijke termijn van één maand nadat [eiser] na afronding van deze werkzaamheden in november 2024 door middel van het versturen van de facturen voor dit werk te kennen heeft gegeven dat dit werk klaar is om te worden opgeleverd, dit werk heeft gekeurd (en al dan niet onder voorbehoud heeft aanvaard dan wel onder aanwijzing van de gebreken heeft geweigerd), wordt [gedaagde ] geacht dit werk stilzwijgend te hebben aanvaard. Na de aanvaarding wordt dit werk als opgeleverd beschouwd. [2] Na de oplevering van dit werk komt het werk voor risico van [gedaagde ] en moet zij de overeengekomen prijs hiervoor betalen. [3]
3.5
[eiser] heeft gesteld dat één maand een redelijke termijn is voor het keuren van het door hem uitgevoerde werk, dus niet alleen het in 2024 verrichte herstelwerk maar ook het in 2025 verrichte schilderwerk. [gedaagde ] heeft tijdens de mondelinge behandeling betwist dat één maand een redelijke termijn is om het werk van [eiser] te keuren, omdat zij geen specialist is op dit gebied en sommige van de uitgevoerde werkzaamheden aan de bovenste houten delen van de woning zijn uitgevoerd. De kantonrechter gaat hier niet in mee. Uit de foto’s in het dossier en wat tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen volgt dat de woning van [gedaagde ] een bungalow is. De uitgevoerde werkzaamheden zijn daarom, zonder daarvoor onredelijk veel moeite te hoeven doen, te controleren door [gedaagde ] of een door haar in te schakelen ter zake deskundige. [4] Van [gedaagde ] mocht worden verwacht dat zij bijvoorbeeld met behulp van een ladder en/of een ter zake deskundige deze werkzaamheden aan de woning binnen één maand nadat [eiser] te kennen heeft gegeven dat het werk klaar is om te worden opgeleverd, zou controleren. Dat zij dat niet heeft gedaan – zie in dit verband ook wat onder 3.7. staat – komt en blijft voor haar rekening en risico.
3.6
[gedaagde ] is van mening dat [eiser] de herstelwerkzaamheden niet goed heeft uitgevoerd. Zij voert onder andere aan dat de herstelwerkzaamheden slordig zijn uitgevoerd en dat door de manier waarop de herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd juist meer schade aan de kozijnen is/zal ontstaan. Als onderbouwing heeft [gedaagde ] een rapport van [deskundige] van 13 november 2025 [5] overgelegd.
3.7
De eerste (schriftelijke) klacht over de (herstel- en/of schilder)werkzaamheden die [gedaagde ] bij [eiser] heeft gedaan is via de email van 9 juli 2025 (17:37 uur). [6] In deze email staat dat [gedaagde ] herstel/vervanging en anders schadevergoeding van [eiser] wil vanwege ‘het vernielen van drie ramen met draaiende delen alsmede het breken van één ruit’. Los van de vraag of deze klacht inhoudelijk voldoende is om te worden gezien als een ingebrekestelling ten aanzien van de door [eiser] verrichte (herstel- en/of schilder)werkzaamheden, heeft [gedaagde ] hiermee niet binnen een redelijke termijn van één maand nadat [eiser] na afronding van de herstelwerkzaamheden in november 2024 door middel van de daarvoor verstuurde facturen te kennen heeft gegeven dat het herstelwerk klaar is om te worden opgeleverd, over de herstelwerkzaamheden als zodanig geklaagd.
3.8
Gelet op het bovenstaande is het risico voor de verrichte herstelwerkzaamheden overgegaan op [gedaagde ] en wordt haar vordering tot betaling van herstelkosten van de door [eiser] verrichte herstelwerkzaamheden aan het houtwerk daarom afgewezen.
Overeenkomst 2 - De schilderwerkzaamheden
3.9
De tweede overeenkomst betreft schilderwerkzaamheden van houtwerk aan de buitenzijde van de woning en bijgebouwen van [gedaagde ] .
3.1
[eiser] stelt dat partijen voor voormelde werkzaamheden een aanneemsom hebben afgesproken van € 8.720,00 (inclusief btw) en dat [gedaagde ] een voorschot van € 1.744,00 (20% van de aanneemsom) zou betalen. Als [eiser] bij het uitvoeren van de schuur- en schilderwerkzaamheden nog onvoorziene (extra) problemen aan de kozijnen zou tegenkomen die hersteld moesten worden, dan zou hij daarvoor € 40,00 (exclusief btw) per uur in rekening brengen bij [gedaagde ] . [gedaagde ] heeft het bestaan van deze afspraken tegengesproken. Haar betwistingen worden onder 3.16. besproken.
3.11
Tijdens de schilderwerkzaamheden is [eiser] drie ramen tegengekomen waarvan de kozijnen zó verrot waren dat hij deze niet kon herstellen en schilderen. Twee van deze ramen zitten in de buitengevel van de bungalow en het andere raam zit in de buitengevel van de schuur. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] uitgelegd dat er bosjes voor deze ramen zitten en hij ze waarschijnlijk daarom gemist heeft tijdens het voorbereiden en uitvoeren van de herstelwerkzaamheden in november 2024. De gemachtigde van [gedaagde ] heeft hier tegenover gezet dat de drie kozijnen niet dusdanig door houtrot waren aangetast dat [eiser] mocht afzien van de schilderwerkzaamheden hieraan. De kantonrechter verwerpt deze stelling van [gedaagde ] . Uit de foto’s in het dossier [7] en het rapport van [deskundige] [8] volgt dat de drie kozijnen dusdanig rot zijn dat deze helemaal vervangen moeten worden. De stelling van [eiser] dat [bedrijf] al daarvoor was benaderd, heeft [gedaagde ] niet weersproken. [eiser] heeft op 31 mei 2025 de prijs die [gedaagde ] aan hem moest betalen met € 436,00 inclusief btw verminderd omdat hij de drie verrotte raamkozijnen niet kon schilderen. [9] Deze gang van zaken wordt bevestigd in het door [gedaagde ] overgelegde rapport van [deskundige] . [eiser] mocht de prijs op deze manier verminderen [10] en [gedaagde ] heeft niet weersproken dat het schilderen van de drie kozijnen € 436,00 inclusief btw vertegenwoordigt.
3.12
In haar reactie op een vraag van de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [gedaagde ] verduidelijkt dat in deze procedure geen schadevergoeding wordt gevorderd voor de drie ramen en de barst in een ruit, waarvoor (onder randnummer 26.1.) in de conclusie van antwoord in conventie tevens van eis in reconventie van [gedaagde ] aandacht wordt gevraagd.
3.13
Uit de overgelegde, tussen partijen verzonden Whatsapp-berichten [11] volgt, dat [eiser] in ieder geval op/rond 30 mei 2025 te kennen heeft gegeven dat de verrichte schilderwerkzaamheden klaar zijn om te worden opgeleverd [12] en partijen hadden afgesproken dat [gedaagde ] op 31 mei 2025 de verrichte werkzaamheden zou keuren. Op 31 mei 2025 heeft [gedaagde ] deze afspraak afgezegd. Op 2 juni 2025 heeft [eiser] voorgesteld de keuring van de werkzaamheden de volgende dag te verrichten, waarop [gedaagde ] antwoordde dat dat niet ging lukken. Op de vraag van [eiser] wanneer de keuring dan wel kon plaatsvinden antwoordde [gedaagde ] op 6 juni 2025 dat zij ziek was en op de vervolgvraag van [eiser] op 9 juni 2025 wanneer het die week wel zou uitkomen heeft [gedaagde ] niet gereageerd. [gedaagde ] had op deze vervolgvraag van [eiser] kunnen reageren zoals zij dat ook op 6 juni 2025 heeft gedaan, toen zij naar eigen zeggen ziek was, en een afspraak met [eiser] kunnen maken om binnen een redelijke termijn van één maand [13] het schilderwerk alsnog te keuren, maar dit heeft zij niet gedaan. Dat komt en blijft voor haar rekening en risico.
3.14
Omdat [gedaagde ] niet binnen een redelijke termijn van één maand nadat [eiser] te kennen heeft gegeven dat het schilderwerk klaar is om te worden opgeleverd, het schilderwerk heeft gekeurd (en al dan niet onder voorbehoud heeft aanvaard dan wel onder aanwijzing van de gebreken heeft geweigerd), wordt [gedaagde ] geacht dit werk stilzwijgend te hebben aanvaard. Na de aanvaarding wordt dit werk als opgeleverd beschouwd. [14] Na de oplevering van dit werk komt het werk voor risico van [gedaagde ] en moet zij de overeengekomen prijs hiervoor betalen. [15] Haar vordering tot betaling van de herstelkosten van het door [eiser] verrichte schilderwerk wordt daarom ook afgewezen.
Kosten van [deskundige]
3.15
Omdat alle door [gedaagde ] gevorderde herstelkosten worden afgewezen, worden de door [gedaagde ] gevorderde kosten voor de vaststelling van schade en aansprakelijkheid van € 2.268,73 (de kosten van [deskundige] ) eveneens afgewezen.
Geen uurtarief en regiebasis afgesproken voor de schilderwerkzaamheden
3.16
[gedaagde ] heeft de inhoud van overeenkomst 2 betwist wat betreft de prijs en stelt dat geen sprake was van een aanneemsom, maar van een overeengekomen uurtarief op regiebasis van € 40,00 per uur exclusief btw (€ 43,60 inclusief btw), net als bij overeenkomst 1.
3.17
De kantonrechter gaat hier niet in mee. Als gesteld en niet weersproken staat vast, dat [eiser] op 31 maart 2025 [gedaagde ] een aangepaste offerte voor het schilderwerk heeft verstuurd, waarin een aanneemsom is opgenomen en de verplichting voor [gedaagde ] om een voorschot van 20% van de aanneemsom te betalen. [16] Niet gesteld of gebleken is , dat [gedaagde ] na ontvangst hiervan de inhoud van deze offerte heeft weersproken. Dit zou wel in de lijn der verwachting liggen als de inhoud niet een juiste weergave zou zijn van wat partijen volgens [gedaagde ] wel zouden hebben afgesproken. [gedaagde ] heeft vervolgens na ontvangst van deze aangepaste offerte het voorschot van 20% van de aanneemsom (€ 1.744,00) betaald. Het voorschot van 20% heeft zij bovendien op 28 april 2025, voordat [eiser] met de schilderwerkzaamheden is begonnen, zonder protest voldaan. Al het voormelde spreekt haar stelling dat voor de schilderwerkzaamheden een uurtarief op regiebasis was afgesproken, tegen. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde ] vóórdat [eiser] kenbaar heeft gemaakt dat hij klaar is met zijn schilderwerkzaamheden bij [eiser] heeft geklaagd en heeft gezegd dat de door hem verzonden offerte onjuist is omdat zij en [eiser] zouden hebben afgesproken dat de schilderwerkzaamheden voor een uurtarief op regiebasis zouden worden uitgevoerd. [gedaagde ] heeft simpelweg de helft van de slotfactuur van € 6.540,00 niet betaald. Pas in het kader van het door [deskundige] verrichte onderzoek in november 2025 heeft [gedaagde ] richting [deskundige] het standpunt ingenomen dat zij en [eiser] hebben afgesproken dat de schilderwerkzaamheden voor een uurtarief op regiebasis zouden worden gedaan. [gedaagde ] heeft geen enkele onderbouwing overgelegd die op het bestaan van de door haar gestelde prijsafspraak voor de schilderwerkzaamheden wijst. Gelet op al het voormelde staat als voldoende gemotiveerd en/of onderbouwd door [eiser] gesteld en als onvoldoende gemotiveerd en/of onderbouwd door [eiser] weersproken vast, dat partijen een aanneemsom voor de schilderwerkzaamheden hebben afgesproken. [gedaagde ] moet in principe dus alles betalen voor de uitgevoerde schilderwerkzaamheden, in dit geval het restantbedrag dat [eiser] vordert (€ 3.270,00).
Consumentenbescherming met betrekking tot overeenkomst 2
3.18
[gedaagde ] heeft gesteld dat sprake is van schending van informatieverplichtingen door [eiser] en gesteld dat daar een sanctie aan moet worden verbonden die maakt dat zij niet het hele gevorderde bedrag voor de schilderwerkzaamheden hoeft te betalen. De kantonrechter verwerpt deze stelling en legt dat hieronder uit.
3.19
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde ] consument is en [eiser] een handelaar, zodat de overeenkomst die zij hebben gesloten een consumentenovereenkomst is in de zin van zowel de Richtlijn oneerlijke bedingen [17] als de Richtlijn consumentenrechten [18] .
3.2
[gedaagde ] stelt dat [eiser] in de offerte geen vermelding heeft gemaakt van enige garantie, de duur van de werkzaamheden of het herroepingsrecht. Daarnaast is er ten aanzien van de prijs van eventueel meerwerk een tarief exclusief btw genoemd. Daarmee is volgens [gedaagde ] ook niet voldaan aan de informatieplicht om [gedaagde ] volledig te informeren over de totale prijs van de diensten. Ook is het vermelden van een prijs exclusief btw op grond van artikel 38 Wet Pro op de Omzetbelasting 1968 volgens [gedaagde ] verboden.
[gedaagde ] is van mening dat ten minste vier informatieplichten geschonden zijn.
3.21
De kantonrechter bespreekt eerst de gestelde schending van de informatieverplichting over het kostenbeding ten aanzien van het meerwerk en daarna de (gestelde schending van de overige) informatieverplichtingen.
 Informatie over het kostenbeding ten aanzien van het meerwerk
3.22
De kantonrechter hoeft
in dit gevalniet (ambtshalve) te beoordelen of het kostenbeding ten aanzien van het meerwerk in de overeenkomst die [eiser] en [gedaagde ] met elkaar zijn aangegaan, onredelijk bezwarend is. [eiser] heeft geen meerwerk uitgevoerd of in rekening gebracht bij [gedaagde ] . De vordering van [eiser] ziet alleen op de overeengekomen aanneemsom voor de overeengekomen schilderwerkzaamheden en niet op meerwerk.
 De overige informatieverplichtingen
3.23
[gedaagde ] heeft gesteld dat de overeenkomst op 9 april 2025 bij haar thuis is gesloten en daarom sprake is van een overeenkomst buiten de verkoopruimte. Hoewel de overeenkomst niet in een verkoopruimte tot stand is gekomen, is geen sprake van een overeenkomst buiten de verkoopruimte waarop de wettelijke bepalingen van toepassing zijn waarop [gedaagde ] zich beroept. [19]
3.24
De kantonrechter begrijpt uit de stukken in het dossier dat [eiser] en [gedaagde ] in het najaar van 2024 hebben afgesproken dat [eiser] in het voorjaar van 2025 zou terugkeren voor de schilderwerkzaamheden. [eiser] heeft op 31 maart 2025 de (aangepaste) offerte voor de schilderwerkzaamheden (per e-mail) naar [gedaagde ] gestuurd. [gedaagde ] heeft op 9 april 2025 de offerte mondeling bij haar thuis goedgekeurd. [gedaagde ] heeft dus na kunnen denken over de offerte en het laten verrichten van de schilderwerkzaamheden door [eiser] , vóórdat zij akkoord ging met de overeenkomst voor de schilderwerkzaamheden. Aldus is de onderhavige overeenkomst niet een overeenkomst buiten de verkoopruimte als hiervoor bedoeld. De artikelen 6:230m en 6:230t BW zijn in dit geval dus niet van toepassing. Van schending van uit deze artikelen voortvloeiende informatieverplichtingen is dan ook geen sprake.
3.25
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat op de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde ] de informatieplichten uit artikel 6:230l BW van toepassing zijn. Het gaat hier namelijk om een overeenkomst met een consument anders dan op afstand en buiten de verkoopruimte. Uit artikel 6:230l BW volgt dat [eiser] [gedaagde ] moet informeren over, onder andere en voor zover van belang: de totale prijs van de overeenkomst, de duur van de overeenkomst en commerciële garanties, voor zover van toepassing.
Op basis van dit artikel heeft [eiser] niet de verplichting [gedaagde ] te informeren over een recht de overeenkomst na sluiting binnen veertien dagen te ontbinden. Omdat gesteld noch gebleken is dat commerciële garanties contractueel van toepassing zijn, is er geen verplichting voor [eiser] om [gedaagde ] daarover te informeren. De gevorderde sancties op de schendingen van die informatieplichten worden dus afgewezen.
3.26
Mede op grond van wat hiervoor is overwogen onder 3.22. is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] heeft voldaan aan de verplichting om [gedaagde ] voldoende te informeren over de totale prijs van zijn diensten. [20] Daarom wordt de gevorderde sanctie voor dit punt ook afgewezen. [eiser] en [gedaagde ] zijn voor de schilderwerkzaamheden een aanneemsom overeengekomen. Deze aanneemsom is berekend inclusief 9% btw en alle kosten van de gebruikte materialen.
3.27
De gemachtigde van [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat [eiser] [gedaagde ] mondeling erover heeft geïnformeerd, dat de duur van de werkzaamheden afhankelijk is van de weersomstandigheden. Maar, dat hij dit heeft gedaan heeft hij op geen enkele manier onderbouwd. Daarom kan hij niet worden gevolgd in voormelde stelling. De kantonrechter moet beoordelen of gedeeltelijke vernietiging op zijn plaats is als sanctie voor de schending van het niet informeren over de duur van de overeenkomst. De rechtbanken/ kantonrechters hebben voor de schending van de essentiële informatieverplichtingen een sanctierichtlijn opgesteld. Deze sanctierichtlijn houdt samengevat in dat de betalingsverplichting van de consument wordt verminderd met een bepaald percentage afhankelijk van het aantal voldoende ernstige schendingen. Volgens de sanctierichtlijn wordt bij één tot drie voldoende ernstige schendingen van de essentiële informatieplichten de prijs met 20% verminderd. De Hoge Raad heeft overwogen dat rechters (gemotiveerd) van de richtlijn kunnen afwijken. [21]
3.28
De kantonrechter ziet in deze zaak geen aanleiding om de verschuldigde hoofdsom te verminderen. Hoewel [eiser] zijn precontractuele informatieplicht over de duur van de overeenkomst heeft geschonden, heeft deze schending niet tot nadeel voor [gedaagde ] geleid en is de ernst van de schending beperkt. [eiser] was op 2 mei 2025 begonnen met de schilderwerkzaamheden en op 30 mei 2025 had [eiser] deze werkzaamheden afgerond. [22] [gedaagde ] heeft dit tijdsbestek niet betwist en de kantonrechter is van oordeel dat dit geen onredelijk lange termijn is geweest waarbinnen [eiser] houtwerk aan de buitenzijde van de woning en bijgebouwen van [gedaagde ] heeft geschuurd en geschilderd.
Tussenconclusie: [gedaagde ] moet € 3.270,00 & wettelijke rente betalen
3.29
Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde ] de gevorderde hoofdsom van € 3.270,00 aan [eiser] moet betalen.
3.3
De gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf 6 augustus 2025 wordt ook toegewezen. De gemachtigde van [eiser] heeft [gedaagde ] op 22 juli 2025 een brief gestuurd waarin hij [gedaagde ] een termijn van vijftien dagen na ontvangst van de brief geeft om het openstaande bedrag te voldoen en, als [gedaagde ] dat niet doet, [eiser] na het verstrijken van die termijn (ook) aanspraak maakt op de wettelijke rente.
Geen onverschuldigde betaling door [gedaagde ]
3.31
Gelet op al het voorgaande verwerpt de kantonrechter de stelling van [gedaagde ] , dat zij te veel aan [eiser] heeft betaald en daarom een vordering op grond van onverschuldigde betaling [23] jegens [eiser] heeft. De vordering van [gedaagde ] om [eiser] te voordelen om aan haar te betalen wat zij te veel heeft betaald, wordt dan ook afgewezen.
[gedaagde ] moet de buitengerechtelijke incassokosten & wettelijke rente betalen
3.32
[eiser] vordert € 452,00 aan vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en dit bedrag wordt toegewezen. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde ] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft aan [gedaagde ] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro.
3.33
De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt ook toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
[gedaagde ] moet de proceskosten in conventie en in reconventie van [eiser] betalen
3.34
[gedaagde ] is in conventie in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. [24] Dit betekent dat zij haar eigen proceskosten moet dragen en de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] aan hem moet betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,43
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
506,00
(2 punten × € 253,00)
Totaal
909,43
3.35
[gedaagde ] is ook in reconventie in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. De proceskosten van [eiser] in reconventie worden begroot op € 432,00 (= 2 punten × factor 0,5 vanwege de samenhang tussen de zaken in conventie en in reconventie × € 432,00).
3.36
Tot de proceskosten horen ook de nakosten. Vanwege de samenhang tussen de zaken in conventie en in reconventie worden de nakosten begroot op € 144,00 en de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
3.37
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.38
De kantonrechter verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad. [25] Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
4.1
veroordeelt [gedaagde ] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.270,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 6 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde ] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 452,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis, tot de dag van volledige betaling,
4.3
veroordeelt [gedaagde ] in de kosten; zij moet de proceskosten van [eiser] van € 909,43 aan hem betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
4.4
wijst de vorderingen van [gedaagde ] af,
4.5
veroordeelt [gedaagde ] in de kosten; zij moet de proceskosten van [eiser] van € 432,00 aan hem betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
4.6
veroordeelt [gedaagde ] in de nakosten van € 144,00, te betalen aan [eiser] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.7
veroordeelt [gedaagde ] tot betaling van de kosten van betekening als [gedaagde ] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.8
veroordeelt [gedaagde ] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.9
verklaart wat onder 4.1., 4.2., 4.3., 4.5., 4.6., 4.7. en 4.8. van dit vonnis staat uitvoerbaar bij voorraad,
4.1
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
61312

Voetnoten

1.Productie 2 van [gedaagde ] .
2.Artikel 7:758 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
3.Artikel 7:758 lid 2 BW Pro.
4.Zoals [deskundige] in opdracht van [gedaagde ] dat op 7 november 2025 heeft gedaan. Zie productie 11 van [gedaagde ] .
5.Productie 11 van [gedaagde ] .
6.Productie 6 van [gedaagde ] .
7.Productie 4 van [gedaagde ] .
8.Pagina 14 van het rapport van [deskundige] (productie 11 van [gedaagde ] ).
9.Productie 2 bij dagvaarding van [eiser] .
10.Artikel 7:757 lid 1 BW Pro.
11.Productie 2 bij dagvaarding.
12.Zoals bedoeld in artikel 7:757 lid 1 BW Pro.
13.Zie wat onder 3.5. staat over een termijn van één maand.
14.Artikel 7:758 lid 1 BW Pro.
15.Artikel 7:758 lid 2 BW Pro.
16.Zie productie 1 bij dagvaarding in verbinding met productie 1 bij conclusie van antwoord in reconventie van [eiser] .
17.Richtlijn 93/13
18.Richtlijn 2011/83
19.Vergelijk met het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 april 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:1157).
20.Artikel 6:230l lid 1 sub c BW.
21.Zie de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677).
22.Zie onder randnummers 4. en 5. van de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser] .
23.Artikel 6:203 BW Pro.
24.Artikel 237 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
25.Artikel 233 Rv Pro.