ECLI:NL:RBMNE:2026:4829

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/2308
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 4:13 AwbArt. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting tot tijdige beslissing op herbeoordeling WIA-uitkering en oplegging dwangsom

De Stichting Amaris Zorggroep heeft beroep ingesteld tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) omdat UWV niet tijdig heeft beslist op een verzoek om herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van een cliënt op grond van de WIA.

De rechtbank stelt vast dat UWV de aanvraag op 2 juli 2025 heeft ontvangen en dat de ingebrekestelling op 8 september 2025 is ontvangen, waarna twee weken zijn verstreken zonder besluit. UWV heeft het verzoek administratief afgedaan zonder inhoudelijke beoordeling, met het argument dat de uitkering al was beëindigd.

De rechtbank oordeelt dat UWV desalniettemin verplicht is een besluit te nemen, ook als de uitkering is beëindigd. Gezien de achterstanden bij UWV stelt de rechtbank een termijn van vier maanden voor het nemen van het besluit. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd voor elke dag dat de termijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank UWV tot betaling van het griffierecht en een vergoeding van proceskosten aan eiseres. Het beroep wordt gegrond verklaard en het niet tijdig nemen van een besluit wordt vernietigd.

Uitkomst: UWV moet binnen vier maanden een besluit nemen op de herbeoordeling van de WIA-uitkering en betaalt een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2308

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen

Stichting Amaris Zorggroep, gevestigd te Laren, eiseres

(gemachtigde: B. van der Plas),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling van mevrouw [naam] haar arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
Verweerder heeft op 1 april 2026 een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft op 4 mei 2026 een reactie op dit verweerschrift gegeven.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de
betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar aanvraag. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Per brief van 1 oktober 2024 deelt verweerder aan mevrouw [naam] mee dat de WIA-uitkering per 11 april 2025 zal worden beëindigd. Verweerder heeft op 1 oktober 2024 een kopie van deze brief gestuurd aan eiseres en eiseres hiermee ook op de hoogte gesteld van de mogelijkheid tot het maken van bezwaar tegen de beslissing.
4. Eiseres heeft haar aanvraag om herbeoordeling ingediend op 30 juni 2025.
Verweerder heeft de aanvraag ontvangen op 2 juli 2025. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 8 september 2025 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken. Eiseres heeft op 20 maart 2026 beroep ingesteld.
5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift van 1 april 2026 aan dat hij het verzoek om herbeoordeling niet inhoudelijk heeft beoordeeld, maar administratief heeft afgedaan. Verweerder geeft aan dat hierbij ten onrechte is opgemerkt dat het verzoek om herbeoordeling in behandeling wordt genomen. Er is immers geen sprake van een lopende uitkering. Gelet op het voorgaande verzoekt verweerder de rechtbank het beroep ongegrond te verklaren.
6. De rechtbank volgt deze redenering niet. De uitkering is dus per 11 april 2025 beëindigd en op 30 juni 2025 heeft eiseres haar aanvraag om herbeoordeling ingediend. Verweerder dient tijdig een besluit te nemen na ontvangst van de aanvraag (artikel 4:13, lid 1, Awb). Een afwijzing van een aanvraag valt hierbij ook onder een besluit (artikel 1:3, lid 2, Awb). Een afwijzing of het niet in behandeling nemen van de aanvraag is dus ook een beslissing, maar verweerder dient wel een besluit te nemen. Het feit dat de WIA-uitkering al beëindigd is, doet hier niets aan af.
7. In artikel 4:17 van Pro de Awb staat dat als een bestuursorgaan niet op tijd een besluit neemt, het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor elke dag dat het in gebreke is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden (artikel 4:18, lid 1, Awb).
8. Verweerder stelt dat de dwangsomregeling als bedoeld in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb
in deze zaak van toepassing is en heeft bij besluit van 5 november 2025 de maximale dwangsom van € 1.442,- toegekend. Dat verweerder in zijn verweerschrift aangeeft dat de maximale dwangsom ten onrechte is toegekend in dit besluit doet hier niets aan af. De rechtbank zal zich hier dan ook verder niet over uitlaten.
9. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat
verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
10. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat verweerder door een tekort aan
verzekeringsartsen grote achterstanden heeft bij de afhandeling van aanvragen en bezwaarschriften. De rechtbank ziet hier aanleiding in om de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025. [2] De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
11. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke
dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.

Conclusie

12. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van vier maanden na
verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op de aanvraag van eiseres.
13. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten
die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
14. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 397,- aan
eiseres betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
E.H.M. Jansen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).