ECLI:NL:RBMNE:2026:4873

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/2838
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot tijdige beslissing Eerstejaars Ziektewetbeoordeling gegrond verklaard

Secretary Plus Management Support B.V. heeft beroep ingesteld tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) omdat het niet tijdig een besluit nam op de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) van een ex-werkneemster die sinds 3 maart 2025 ziek was. Volgens de wet moest het EZWb-besluit uiterlijk in week 52 van de ziekte worden genomen, wat neerkomt op uiterlijk 6 maart 2026.

De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestelling van eiseres op 5 maart 2026 terecht was, ondanks dat het EZWb een ambtshalve beslissing betreft en geen aanvraag. Omdat verweerder niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling een besluit heeft genomen, verklaart de rechtbank het beroep gegrond en draagt verweerder op alsnog binnen een redelijke termijn te beslissen.

Gezien de door verweerder aangevoerde omstandigheden, zoals het tekort aan verzekeringsartsen, stelt de rechtbank een termijn van vier maanden vast voor het nemen van het besluit. Tevens legt zij een dwangsom van € 100,- per dag op bij overschrijding, met een maximum van € 15.000,-. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en het griffierecht aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen vier maanden alsnog een besluit te nemen met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2838

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen

Secretary Plus Management Support B.V., gevestigd te Almere, eiseres

(gemachtigde: mr. M. Bockting),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet tijdig een besluit op de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (hierna: EZWb) van haar (ex-)werkneemster mevrouw [naam] heeft genomen.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de
betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar aanvraag. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. De EZWb is een ambtshalve beslissing van verweerder. Een EZWb-besluit moet
uiterlijk in week 52 van de ziekte van de (ex-)werkneemster worden genomen. [2] De werkneemster van eiseres is op 3 maart 2025 ziek uitgevallen. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 6 maart 2026 een EZWb-besluit had moeten nemen. Verweerder heeft op 5 maart 2026 een ingebrekestelling van eiseres ontvangen.
4. Verweerder geeft in zijn verweerschrift van 24 april 2026 aan dat de ingebrekestelling van eiseres niet in behandeling is genomen door hem. Hij stelt hierbij dat een EZWb een ambtshalve beslissing is en geen beslissing op een aanvraag. Verweerder stelt dat uitsluitend beslissingen op aanvraag eventueel in aanmerking komen voor een vergoeding van dwangsom. Verder verzoekt verweerder de rechtbank het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren.
5. Op 14 april 2026 heeft eiseres beroep ingesteld in verband met het uitblijven van een besluit van verweerder. Omdat verweerder niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling een besluit heeft genomen, en dat nog altijd niet heeft gedaan, verklaart de rechtbank het beroep gegrond. Dat er geen aanvraag ten grondslag ligt aan de ingebrekestelling doet hier niets aan af. De ingebrekestelling is terecht ingediend en verweerder dient nog steeds binnen de wettelijke termijn een EZWb-besluit te nemen.
6. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
7. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan
verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om de aanvraag binnen de gestelde termijn af te handelen. De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025. [3] Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke
dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.
9. In het beroepschrift vraagt eiseres om vergoeding van de geleden schade en de nog te lijden schade. Eiseres heeft niet vermeld welke schade zij vergoed wil hebben en heeft de schade ook niet nader onderbouwd. De rechtbank zal het verzoek om de geleden schade te vergoeden daarom afwijzen.

Conclusie

10. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van vier maanden na
verzending van deze uitspraak een beslissing nemen.
11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten
die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
12. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 397,- aan
eiseres betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
E.H.M. Jansen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 19aa, eerste lid, van de Ziektewet.