ECLI:NL:RBMNE:2026:493

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
11690844 \ LC EXPL 25-1038
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:94 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Matiging contractuele boete wegens niet-nakoming exploitatieverplichting winkelruimte

De zaak betreft een huurovereenkomst van een winkelruimte in Lelystad, waarbij de huurder een exploitatieverplichting had om de ruimte als levensmiddelenwinkel te gebruiken. De huurder staakte de exploitatie per 5 maart 2024 en ondanks aanmaningen en een veroordelend vonnis heeft hij de exploitatie niet hervat.

De verhuurder vordert betaling van contractuele boetes van in totaal € 69.951,13, terwijl de huurder om matiging verzoekt. De kantonrechter oordeelt dat de boete onredelijk hoog is, mede omdat de exploitatieverplichting alleen in de algemene bepalingen staat en niet in de hoofdhuurovereenkomst, en de boete ruim 2,5 keer de maandhuur bedraagt.

Daarnaast heeft de verhuurder onvoldoende onderbouwd welke schade zij lijdt door het niet-exploiteren. De kantonrechter matigt daarom de boete tot de helft, € 34.975,57, en veroordeelt de huurder tot betaling van deze boete, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De kantonrechter matigt de contractuele boete tot de helft en veroordeelt de huurder tot betaling van € 34.975,57 plus rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11690844 \ LC EXPL 25-1038
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
in [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. L. Koolen, werkzaam bij Ad Fundum Juridisch Advies & Incasso B.V.,
tegen
[gedaagde] , (voorheen) h.o.d.n. [handelsnaam],
in [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: E.P. de Jong, werkzaam bij Koppert Legal.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord,
- de conclusie van repliek,
- de conclusie van dupliek,
- de akte van [eiseres] .
1.2.
Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde] huurde van vanaf 20 januari 2023 voor 2 jaar een winkelruimte in Lelystad van [eiseres] . In de huurovereenkomst is opgenomen dat [gedaagde] de ruimte uitsluitend als winkel in levensmiddelen moet gebruiken en in de algemene bepalingen is een exploitatieverplichting opgenomen [1] . Per 5 maart 2024 heeft [gedaagde] de exploitatie in de winkelruimte gestaakt. Ondanks diverse aanmaningen van [eiseres] [2] en een veroordelend vonnis [3] heeft [gedaagde] de exploitatie niet hervat. In deze procedure vordert [eiseres] de contractuele boetes op het niet-exploiteren, in totaal (na deelbetaling) € 69.951,13, met nevenvorderingen. [gedaagde] verzoekt om matiging. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] € 34.975,57 aan boetes moet betalen, plus rente en kosten.

3.De beoordeling

3.1.
De kantonrechter begrijpt het verweer van [gedaagde] zo, dat [gedaagde] wel erkent dat hij boetes verschuldigd is geworden maar dat hij verzoekt om matiging. [gedaagde] lijkt zich bij zijn conclusie van antwoord nog wel te beroepen op een schikking die tussen partijen overeengekomen zou zijn, maar daaraan gaat de kantonrechter voorbij. De voorwaarden voor die schikking (overeengekomen op de zitting in kort geding op 12 juli 2024 [4] ) waren dat [gedaagde] binnen 7 dagen drie maanden huur zou betalen en de inventaris in de winkel compleet zou laten staan. Aan die voorwaarden heeft [gedaagde] niet voldaan, zoals [eiseres] onweersproken stelt.
3.2.
De kantonrechter matigt de boete. Bij dat oordeel heeft geen rol gespeeld dat [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij in financiële problemen zou zitten. Betalingsonmacht staat niet in de weg aan betalingsplicht. Wel van belang zijn de volgende omstandigheden:
  • De exploitatieverplichting is uitsluitend opgenomen in de algemene bepalingen, waarover (iets anders blijkt niet) niet is onderhandeld of gesproken. In de huurovereenkomst staat alleen
  • De aanvangshuur bedroeg € 2.833,33 exclusief btw per maand. Het gefixeerde boetebedrag is € 250,00 per dag, dus (30 x € 250,00 =) € 7.500,00 per maand, dus ruim 2,5 keer de maandhuur. Als prikkel tot nakoming van een voorwaarde die niet eens in de huurovereenkomst zelf is opgenomen, is dat onbillijk.
  • [eiseres] heeft aangevoerd dat haar belang bij exploitatie van de winkel is om verpaupering tegen te gaan. Daardoor zou (zo stelt [eiseres] ) de waarde van haar andere panden in de buurt verminderen en zou [eiseres] schade lijden. Maar [eiseres] heeft op geen enkele manier duidelijk gemaakt wat de orde van grootte van zo’n schade is. Helder is dat een dergelijke schade moeilijk te kwantificeren valt, maar op zijn minst had [eiseres] kunnen stellen hoeveel panden zij in de buurt bezit en wat een procentuele achteruitgang van die waarde concreet in geld betekent. Omdat [eiseres] dat niet doet, blijft volstrekt onduidelijk hoe hoog de schade van [eiseres] is.
  • Als prikkel tot nakoming voldeed de boete op een gegeven moment niet meer. Nadat [gedaagde] de exploitatie had gestaakt in maart 2024 heeft [eiseres] [gedaagde] naar behoren aangemaand om deze terug op te pakken, inclusief een door [eiseres] aangespannen kort gedingprocedure. Kennelijk heeft [gedaagde] € 30.000,00 aan dwangsommen betaald aan [eiseres] . Maar nadat dat allemaal niet tot gevolg had dat [gedaagde] zijn verplichtingen nakwam, moet duidelijk zijn geweest dat [gedaagde] dat niet meer ging doen. Volledige verschuldigdheid van de boete tot aan het eind van de huurperiode acht de kantonrechter dan onbillijk. Van belang daarbij is ook dat [gedaagde] kennelijk de huur altijd heeft doorbetaald.
3.3.
Op grond van dit alles, matigt de kantonrechter de boetes op de voet van artikel 6:94 BW Pro tot de helft. [gedaagde] wordt in hoofdsom veroordeeld tot betaling van (50% x € 69.951,13 =) € 34.975,57. De wettelijke rente daarover wordt zoals gevorderd toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding, 14 april 2025, tot de betaling.
3.4.
[eiseres] vordert primair vergoeding van de contractuele buitengerechtelijke incassokosten (€ 1.784,16). Maar in de algemene bepalingen is niet concreet te herleiden hoe dat bedrag is berekend. Subsidiair vordert [eiseres] betaling van buitengerechtelijke incassokosten op basis van de wet, namelijk artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan die eisen voor toekenning is voldaan. De hoogte van het toe te wijzen bedrag moet worden berekend aan de hand van de staffel van het Besluit. Berekend over de toe te wijzen hoofdsom is dat € 1.124,76. De gevorderde rente daarover zal worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding, 14 april 2025, tot de betaling.
3.5.
[gedaagde] is het meest in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,21
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
1.442,50
(2,5 punten × € 577,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.176,71
3.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 34.975,57, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 14 april 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.124,76 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.176,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
RW1368

Voetnoten

1.Zie voor de huurovereenkomst en algemene bepalingen productie 1 van [eiseres]
2.Brieven van [eiseres] vanaf 21 maart 2024, producties 5, 7, 10 en 13
3.Vonnis in kort geding van 14 augustus 2024, productie 11 van [eiseres]
4.Zie het proces-verbaal van die zitting, productie 3 van [gedaagde]