Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:518

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
UTR 25/889
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.45 WkoArt. 1.1 WkoArt. 1.62 Wko
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Last onder dwangsom voor ongeregistreerde kinderopvang door naschoolse workshops

Eiser exploiteerde buitenschoolse activiteiten die het college kwalificeerde als ongeregistreerde kinderopvang, waarop het college een last onder dwangsom oplegde. Eiser betwistte dit en voerde onder meer aan dat zijn activiteiten informeel onderwijs zijn en niet onder de Wet kinderopvang vallen.

De rechtbank stelde vast dat het college een zorgvuldig onderzoek had verricht, waarbij toezichthouders op locatie kinderen aantroffen en vaststelden dat er sprake was van verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen. De activiteiten voldeden aan de ruime definitie van kinderopvang in de Wko, ook al werden de kinderen niet de hele dag opgevangen en was er geen verplichte afname van uren.

Verder oordeelde de rechtbank dat het college terecht handhavend optrad en de last onder dwangsom oplegde, omdat er geen bijzondere omstandigheden waren die handhaving onevenredig maakten. Het vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel werden niet geschonden, aangezien eiser geen concrete toezeggingen kon aantonen en vergelijkbare gevallen gelijk werden behandeld.

De rechtbank verwierp ook de stellingen over onzorgvuldig onderzoek, schending van hoor en wederhoor en vooringenomenheid. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en hij kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat het college terecht een last onder dwangsom heeft opgelegd wegens ongeregistreerde kinderopvang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/889

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , h.o.d.n. [handelsnaam] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Cortet),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigde: mr. N. Verkerk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om eiser een last onder dwangsom op te leggen. Het college heeft eiser een last onder dwangsom opgelegd wegens het aanbieden van ongeregistreerde kinderopvang op de [adres] in Utrecht . Dit is volgens het college in strijd met artikel 1.45, derde lid, van de Wet kinderopvang (Wko). Eiser werd per direct gelast geen kinderen meer op te vangen, zonder de hiervoor genoemde toestemming van het college. Eiser is het niet eens met het besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of eiser een kinderopvang exploiteerde in de zin van de Wko en vervolgens of het college een last onder dwangsom had mogen opleggen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser een kinderopvang exploiteerde en het college de last onder dwangsom mocht opleggen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft eiser een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 1.45, derde lid, van de Wko (het primaire besluit). Eiser is opgedragen geen kinderopvang aan te bieden. Als eiser toch (ongeregistreerde) kinderopvang aanbiedt, dan moet hij een dwangsom van € 22.500,- per dag betalen met een maximum van € 112.500,-.
2.1.
Eiser heeft bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. [1]
2.2.
Met de beslissing op het bezwaar van eiser van 19 december 2024 heeft het college de last onder dwangsom in stand gehouden (het bestreden besluit).
2.3.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben aan de kant van eiser deelgenomen: de gemachtigde van eiser en dr. [A] (adviseur en docent) en aan de kant van het college: de gemachtigde van het college, [B] (teammanager Inspectie Kinderopvang) en [C] en [D] (toezichthouders).

Beoordeling door de rechtbank

Wat ging er vooraf aan de last onder dwangsom?
3. Naar aanleiding van een anonieme melding bij het college over mogelijk niet-geregistreerde kinderopvang door eiser op het adres [adres] in Utrecht hebben toezichthouders van de gemeente op 26 maart 2024 ook een inspectie uitgevoerd op de [adres] in Utrecht . De toezichthouders troffen daar twee medewerkers en twintig kinderen in de leeftijd van 4 tot 10 jaar aan. De toezichthouders hebben van hun bevindingen verslag uitgebracht (het inspectierapport). Volgens de toezichthouders werd er kinderopvang aangeboden, zonder dat daarvoor een aanvraag bij het college is gedaan en voordat een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62 van de Wko heeft plaatsgevonden. Op 28 maart 2024 heeft een aanvullende inspectie plaatsgevonden op zowel de [adres] als bij basisschool ‘ [basisschool] ’ in Utrecht. De toezichthouders hebben gesproken met een leerkracht van de basisschool die meedeelde dat dezelfde kinderen op dezelfde dagen door begeleiders van eiser worden opgehaald. De toezichthouders hebben tijdens de aanvullende inspectie op de [adres] geconstateerd dat er in de door eiser gehuurde ruimte een groep van 17 kinderen met twee moeders aanwezig was.
3.1.
Het college heeft de conclusie van de toezichthouders uit het inspectierapport overgenomen en eiser meegedeeld dat hij zijn activiteiten per direct moet staken en gestaakt moet houden. Voorafgaand aan de last onder dwangsom is er telefonisch contact en contact per e-mail geweest tussen het college en eisers gemachtigde. Eiser is toen telefonisch uitgenodigd voor een gesprek. Eiser is niet op die uitnodiging ingegaan, omdat de uitnodiging volgens hem niet de indruk wekte dat het college een open dialoog wilde voeren.
Heeft het onderzoek zorgvuldig plaatsgevonden?
4. Eiser stelt dat het door het college uitgevoerde onderzoek onzorgvuldig en niet onafhankelijk is uitgevoerd. Er had niet op basis van een anonieme tip onderzoek mogen worden verricht en handhaving worden opgestart. Ook hadden de toezichthouders de cautie moeten geven voordat zij de medewerkers van eiser verhoorden. Daarbij hadden zij er rekening mee moeten houden dat een overtreding van de Wko kwalificeert als een economisch delict en er dus tot strafrechtelijke vervolging kan worden overgegaan. Daarnaast is het inspectierapport ondeugdelijk en had dat niet aan de last onder dwangsom ten grondslag mogen worden gelegd. Uit het inspectierapport kan worden opgemaakt dat de inspecteurs op hetzelfde tijdstip op de [adres] als de [adres] aanwezig waren en dat kan niet kloppen. Verder heeft eiser op de zitting verduidelijkt dat hij niet zozeer de geconstateerde feiten in het inspectierapport betwist, maar dat het erom gaat dat die feiten uit verband zijn getrokken en de context onvoldoende is meegenomen. Zo is de uitleg van de bevraagde medewerkers over het ophalen van de kinderen, de workshops en het eetmoment voorafgaand aan de start van de activiteiten door de toezichthouders niet meegenomen. Ook is ten onrechte voorbij gegaan aan de nadere verklaring van medewerkster [E] . Verder is geen aandacht besteed aan de uitleg van eiser op welke punten de website niet actueel was, hoe het aanbod geïnterpreteerd moest worden, hoe de inschrijfprocedure werkt en dat hij meer gebruik maakt van sociale media. Tot slot is geen aandacht besteed aan eisers verklaring dat hij niet op de hoogte was van de registratie bij de Kamer van Koophandel met de activiteit ‘kinderopvang’ en dat hij deze inschrijving heeft gecorrigeerd. Het college mocht zich dan ook niet baseren op het inspectierapport.
4.1.
De rechtbank overweegt, evenals de voorzieningenrechter, dat het onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het college zich mag baseren op het inspectierapport. Het college heeft niet gehandeld op basis van louter een anonieme melding. Het college heeft gehandeld op basis van een zorgvuldig onderzoek naar aanleiding van een anonieme melding. Ook hoefden de toezichthouders de medewerkers tijdens de inspectie geen cautie te geven. Er bestaat alleen een plicht tot het geven van de cautie als iemand wordt verhoord met het oog op een op te leggen bestraffende sanctie, zoals een boete. Dat was hier niet aan de orde, want de medewerkers zijn gesproken in het kader van een mogelijk op te leggen herstelmaatregel (de last onder dwangsom). Dat er eventueel een strafrechtelijke vervolging zou kunnen zijn opgestart door het Openbaar Ministerie betekent niet dat er alsnog sprake was van een verhoor met het oog op een op te leggen bestraffende sanctie.
4.2.
Anders dan eiser aanvoert, vindt de rechtbank het inspectierapport daarnaast zorgvuldig opgesteld. Uit het inspectierapport blijkt dat twee toezichthouders de [adres] hebben bezocht en twee andere toezichthouders de [adres] . De toezichthouders zijn bovendien deskundigen op het gebied van de kinderopvang en hebben op dat gebied de nodige kennis en ervaring. Uit het inspectierapport blijkt duidelijk met wie zij hebben gesproken en wat er is besproken, wat zij hebben geobserveerd en op basis waarvan zij tot de conclusie zijn gekomen dat de door eiser aangeboden activiteiten volgens hen een vorm van kinderopvang zijn. Daarmee is duidelijk en inzichtelijk gemotiveerd waarop de conclusie van de toezichthouders is gebaseerd en welk onderzoek daaraan ten grondslag lag. De rechtbank ziet niet dat te weinig aandacht is geweest voor de door de medewerkers gegeven uitleg en de context waarin de activiteiten plaatsvonden. Het één en ander is feitelijk door de toezichthouders beschreven in het inspectierapport. Ook zijn daarin de verklaringen van de medewerkers meegenomen. Dat de website niet actueel is en eiser stelt meer gebruik te maken van sociale media doet evenmin af aan de feitelijke waarnemingen van de toezichthouders op de locatie en het bij hun conclusie meenemen van informatie op de website. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat eiser stelt zich niet bewust te zijn geweest van de registratie bij de Kamer van Koophandel met de activiteit ‘kinderopvang’ en die inschrijving ongedaan heeft gemaakt. Ten tijde van de constatering van overtreding stond eiser wel als zodanig ingeschreven en dat hebben de toezichthouders mogen benoemen. Ook de verklaring van [E] geeft de rechtbank geen aanleiding om aan de bevindingen van de inspectie te twijfelen. Tot slot stelt de rechtbank vast dat eiser de geconstateerde feiten niet betwist, maar het niet eens is met de kwalificatie van de waargenomen feitelijkheden. Dit maakt het inspectierapport echter niet ondeugdelijk, maar heeft betrekking op de vraag of de activiteiten als kinderopvang kunnen worden gekwalificeerd, zoals later in deze uitspraak aan de orde zal komen.
4.3.
Kortom: het college heeft zich mogen baseren op het onderzoek en het inspectierapport van de toezichthouders. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is er sprake van kinderopvang en daarmee van een overtreding van de Wko?
5. Eiser voert aan dat hij geen kinderopvang aanbood. Hij heeft niet de ambitie of de intentie om kinderopvang aan te bieden. Er was geen structureel vaste groep en deelname was vrijblijvend. Eiser bood naschoolse workshops aan en dat is te scharen onder informeel onderwijs. De Wko is daarom niet op eiser van toepassing. Voor zover dat toch anders zou zijn, dan had het college moeten vaststellen dat eiser geen buitenschoolse opvang (bso) aanbiedt in de zin van artikel 1.1 van de Wko. De kinderen werden niet hele dagen opgevangen en werden niet opgevangen tijdens vakantie- en studiedagen en overige vrije dagen. Ook werden de kinderen die de workshops volgden, daarnaast al opgevangen door een gastouderbureau of een bso. Verder stelt eiser dat hij niet voldoet aan de definitie van kinderopvang. Van het bedrijfsmatig aanbieden van kinderopvang is geen sprake, want zijn bedrijfsvoering is daarop niet ingericht, de tarieven zijn lager dan de tarieven in de kinderopvang en ouders konden geen kinderopvangtoeslag aanvragen. Er was ook geen verplichte afname van een minimum aantal uren zoals gebruikelijk is in de kinderopvang en op de bso. Daarnaast is er geen sprake van verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van de kinderen. De kinderen werden, anders dan in de door het college genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 maart 2015 [2] , niet opgevangen, maar deden workshops. Daarnaast werd de kinderen geen eten aangeboden. Ze hadden slechts gelegenheid om voor aanvang van de workshop hun eigen eten op te eten. Dat sommige kinderen werden opgehaald van basisschool ‘ [basisschool] ’ is vanwege een morele verplichting die is ingegeven door veiligheidsoverwegingen. Ook hebben eisers aangetoond dat hun workshops zich niet beperken tot deelname van kinderen van maximaal 12 jaar.
5.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de Wko van toepassing is als de aangeboden activiteiten vallen onder de definitie van artikel 1.1, eerste lid, van de Wko. Zoals de voorzieningenrechter eerder al heeft vastgesteld, is de definitie in de Wko een ruime definitie, waarbij de ambities en intenties van eiser en de ouders niet relevant zijn, evenmin als de manier waarop eiser zijn activiteiten in de markt heeft gezet, de benaming daarvan en de inhoudelijke omschrijving of de kwalificatie daarvan door eiser of andere partijen. Of er daarnaast eventueel sprake is van informeel onderwijs is ook niet van invloed op de beoordeling of voldaan wordt aan de definitie van kinderopvang. Datzelfde geldt voor de vraag of de activiteiten als bso kwalificeren. De rechtbank moet toetsen of het college er terecht vanuit is gegaan dat eiser met het aanbod van de activiteiten voldeed aan de definitie van kinderopvang. Dat is het geval als er sprake is van (1) het bedrijfsmatig of anders dan om niet (2) verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen (3) tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint. Daarnaast blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat er sprake moet zijn van structurele opvang. [3]
5.2.
De rechtbank oordeelt dat eiser activiteiten aanbiedt ‘anders dan om niet’, omdat de ouders moeten betalen voor de workshops. Dat de tarieven anders zijn dan de tarieven die doorgaans voor kinderopvang wordt gevraagd, vindt de rechtbank evenals de voorzieningenrechter niet relevant. Het gaat er namelijk om dat er wordt betaald en niet hoeveel er wordt betaald. Hiermee wordt voldaan aan het eerste element.
5.3.
De rechtbank vindt daarnaast, evenals de voorzieningenrechter, dat de feiten in de inspectierapporten voldoende grondslag bieden voor het oordeel van het college dat er sprake is van verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van de kinderen. Dat de kinderen werden verzorgd blijkt onder meer uit het feit dat de workshop wordt gestart met een gezamenlijk moment van eten, waarbij als een kind geen eten bij zich had de andere kinderen gevraagd werd om te delen. Dit zijn elementen die passen bij verzorging. Dat het om zelf meegebracht eten ging, is daarbij niet relevant. Daarnaast is er sprake van opvoeding. De kinderen werden regelmatig gecorrigeerd op ongewenst gedrag en ze konden punten halen voor gewenst gedrag. Dit zijn elementen die passen bij het opvoeden van kinderen. Ook dragen de activiteiten bij aan de ontwikkeling van kinderen, zoals ook door eiser wordt benadrukt. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de Afdeling gaat tot slot niet op. Het kan zo zijn dat de omstandigheden bij eiser afwijken van de omstandigheden als genoemd in die uitspraak, maar dat betekent niet dat er dan bij eiser geen sprake is van verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van de kinderen. Er moet worden gekeken naar de feitelijke situatie in het individuele geval. Gelet op het voorgaande wordt ook aan het tweede element voldaan.
5.4.
Tot slot oordeelt de rechtbank dat ook aan het derde element wordt voldaan. Uit het inspectierapport blijkt namelijk dat de activiteiten werden aangeboden aan kinderen jonger dan 12 jaar. Dat eiser ook cursussen aanbiedt aan oudere kinderen doet niet af aan deze constatering.
5.5.
De activiteiten van eiser vallen dus binnen de definitie van kinderopvang in artikel 1:1 van Pro de Wko. Daarnaast heeft het aanbod een structureel karakter. Zo bood eiser het hele jaar door workshops aan waar een min of meer vaste groep schoolgaande kinderen zich voor inschreven en aan deelnamen. Dat de kinderen niet elke dag van de week en tijdens vakanties en feestdagen werden opvangen, betekent niet dat de opvang niet structureel is.
5.6.
Omdat de aangeboden activiteiten door eiser zijn aan te merken als kinderopvang en er niet voorafgaand aan het exploiteren daarvan een onderzoek door de toezichthouder heeft plaatsgevonden, heeft eiser artikel 1.45, derde lid, van de Wko overtreden. De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht het college handhavend optreden?
6. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt, dat als er een overtreding wordt geconstateerd, een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, omdat dit het algemeen belang dient. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien, kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. [4]
6.1.
Aan de hand van de beroepsgronden van eiser hierover bespreekt de rechtbank hierna of het college de last onder dwangsom mocht opleggen.
Onrechtmatige situatie
6.2.
Eiser voert aan dat er geen aanleiding bestond voor het opleggen van een last onder dwangsom, omdat direct na de eerste inspectie alle activiteiten zijn gestaakt en eiser heeft aangegeven de activiteiten gestaakt te houden.
6.3.
De rechtbank volgt eiser niet. Anders dan eiser stelt, zijn de activiteiten niet per direct gestaakt. Dit blijkt uit het inspectierapport van 28 maart 2024.
Détournement de pouvoir
6.4.
Volgens eiser is met de last – mede gelet op de door de gemeente gevraagde media-aandacht – leedtoevoeging beoogd. Eiser zegt ook dat sprake is van misbruik van bevoegdheid en détournement de pouvoir.
6.5.
Dit is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank ziet in de opgelegde last onder dwangsom geen beoogde leedtoevoeging. Door het alsnog staken van de activiteiten is de dwangsom niet verbeurd en de rechtbank heeft geen aanknopingspunt dat het college actief de openbaarheid heeft gezocht.
Evenredigheid
6.6.
Eiser vindt het disproportioneel dat direct een last onder dwangsom is opgelegd en niet is afgewacht tot er duidelijke kaders waren gesteld of door te volstaan met een waarschuwing. Er is hier sprake van een bijzondere situatie. Er is geen rekening gehouden met de belangen van eiser, de medewerkers, de kinderen en hun ouders. De kinderen waren niet in gevaar, omdat de toezichthouders constateerden dat er sprake was van een veilige omgeving voor de kinderen. Ook is de last disproportioneel hoog.
6.7.
De rechtbank oordeelt dat het handhavend optreden evenredig is. Het college heeft voldoende gemotiveerd dat er een einde moest worden gemaakt aan de niet-geregistreerde kinderopvang en dat daarom direct moest worden ingegrepen en ook niet met een waarschuwing kon worden volstaan. De rechtbank stelt daarnaast vast dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd waarom in zijn specifieke geval van handhavend optreden moest worden afgezien. Voor zover eiser de bijzondere omstandigheid ziet in het feit dat het besluit gevolgen heeft voor bijvoorbeeld de kinderen en de ouders, in de door haar ervaren gang van zaken in aanloop naar het bestreden besluit, of in het ontbreken van de intentie van het bieden van kinderopvang, volgt de rechtbank eiser daar niet in. De rechtbank vindt daarnaast dat het college de belangen van eiser en zijn medewerkers en de kinderen en hun ouders voldoende heeft meegewogen. Dat die belangen volgens het college niet opwegen tegen het algemene belang van handhaving, kan de rechtbank volgen. Verder stelt de rechtbank vast dat de hoogte van de dwangsom in overeenstemming is met de Beleidsregel toezicht & handhaving kwaliteit kinderopvang gemeente Utrecht en dat het college heeft toegelicht waarom voor deze overtreding het hoogste bedrag is opgenomen. Eisers enkele stelling zonder nadere toelichting, dat de last onevenredig hoog is, volgt de rechtbank daarom niet.
6.8.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de last onder dwangsom of de hoogte daarvan onevenredig is.
Rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel
7. Eiser voert aan dat het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel is geschonden. Hij staat al ruim acht jaar in nauw contact met ambtenaren van de gemeente, onder andere van de afdeling Onderwijs en Veiligheid, en de gemeente gaat regelmatig samenwerkingen aan met eiser. Eiser heeft in die tijd nooit signalen ontvangen dat hij zou handelen in strijd met de Wko. Vanwege deze samenwerking mocht er gerechtvaardigd op worden vertrouwd dat de aangeboden activiteiten niet gekwalificeerd worden als kinderopvang. Zeker nu er ook geen wijziging in activiteiten heeft plaatsgevonden. De ambtenaren en de wethouder waren op de hoogte van de workshops.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser een goede samenwerking heeft met de gemeente, een maatschappelijke taak vervult en goede contacten heeft met diverse ambtenaren van de gemeente. Eiser kan daaraan echter niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat alle door hem georganiseerde activiteiten buiten de definitie van kinderopvang vallen. Als eiser zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet hij aannemelijk maken dat van de kant van het college toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat zijn activiteiten niet onder de Wko vallen. De ambtenaren waar eiser mee in contact stond en mee samenwerkte, zijn niet verantwoordelijk voor het toezicht op de Wko en zijn daar ook niet in gespecialiseerd. Verder heeft eiser niet geconcretiseerd dat en zo ja, welke uitlatingen of gedragingen maken dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de activiteiten op de Laurierweg buiten de definitie van kinderopvang zouden vallen. Dat de daar door eiser aangeboden activiteiten na inspectie blijken te vallen onder de definitie kinderopvang is dan ook niet in strijd met het rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel.
Gelijkheidsbeginsel
8. Eiser voert ook aan dat hij ongelijk wordt behandeld. Dat zit in twee aspecten. In de eerste plaats wil eiser duidelijkheid over de kaders die gelden voor zijn activiteiten. Hij wil geen kinderopvang aanbieden en wil duidelijkheid over hoe hij de workshops kan aanbieden, zonder als kinderopvang te kwalificeren. Eiser heeft die kaders echter niet gekregen van de gemeente, maar andere ondernemingen met vergelijkbare activiteiten wel. In de tweede plaats heeft eiser een lijst overgelegd van diverse ondernemingen waartegen het college niet handhavend optreedt terwijl de activiteiten van die ondernemingen volgens hem wel vallen onder de definitie van kinderopvang. Onder andere The Voice of Anasheed (TVOA) staat op die lijst. Volgens eiser biedt TVOA hetzelfde aan als eiser en heeft het college bij die ondernemer niet handhavend opgetreden.
8.1.
De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om een beroep op het gelijkheidsbeginsel te onderbouwen met concrete gevallen die op relevante punten vergelijkbaar zijn met eisers situatie. Het overleggen van een lijst van ondernemers, met informatie over hun websites en sociale-media kanalen voldoet daaraan niet. Niettemin heeft het college onderzoek gedaan naar alle op de lijst genoemde ondernemers en uiteengezet wanneer er sprake was van activiteiten die onder de Wko vielen. Bij aanbieders waarbij sprake was van kinderopvang is vervolgens hetzelfde gehandeld als bij eiser. Die aanbieders zijn na het inspectiebezoek evenals eiser uitgenodigd voor een gesprek waarna zij, anders dan eiser, het aanbod direct hebben gestaakt of aangepast, zoals bijvoorbeeld TVOA . Eiser heeft niet onderbouwd dat dit anders zou liggen bij hem en er dus sprake is van gelijke gevallen die anders zijn behandeld. De rechtbank begrijpt tot slot dat eiser de behoefte heeft om te weten hoe hij zijn activiteiten moet vormgeven, maar dat ligt hier verder niet ter beoordeling voor. In dit geding is slechts de vraag aan de orde of het college een last onder dwangsom heeft mogen opleggen of dat dit in strijd met het gelijkheidsbeginsel is. Van die strijd is geen sprake.
Tussenconclusie
9. Het college mocht een last onder dwangsom opleggen. In wat eiser aanvoert, ligt geen reden om daarvan af te zien. De beroepsgronden slagen niet.
Overige gronden
10. Eiser voert tot slot nog aan dat het college hem in de gelegenheid had moeten stellen een zienswijze te geven en dat de reactie van het college in het bestreden besluit niet ingaat op de door hem aangevoerde gronden hierover. Ook is er sprake van de schijn van vooringenomenheid en/of ongeoorloofde beïnvloeding, omdat de teammanager van de Inspectie Kinderopvang betrokken was bij het onderzoek, het opleggen van de last onder dwangsom, de gevoerde voorlopige voorzieningenprocedure, de informele gesprekken en de bezwaarprocedure.
10.1.
De rechtbank is, evenals de voorzieningenrechter, van oordeel dat er voldoende aanleiding was voor het college om met spoed tot handhaving over te gaan, waardoor eiser op dat moment niet in de gelegenheid gesteld hoefde te worden om een zienswijze te geven. De rechtbank komt tot deze conclusie omdat eiser op 28 maart 2024 zijn activiteiten niet had gestaakt en schriftelijk had meegedeeld niet eerder dan na ontvangst van een rapport te willen reageren. Om die reden kan in het midden blijven of er al dan niet om een zienswijze is gevraagd en of de uitnodiging voor het gesprek daarvoor volstond.
10.2.
De rechtbank ziet verder geen grond om aan te nemen dat sprake is van de schijn van vooringenomenheid of een andere vorm van beïnvloeding door de teammanager. Dit blijkt niet uit het dossier. De rechtbank volgt dan ook het college in zijn uiteenzetting over de betrokkenheid van de teammanager bij bepaalde stappen in deze procedure en dat daaruit, noch uit de door eiser overgelegde correspondentie, vooringenomenheid of ongeoorloofde beïnvloeding volgt.
10.3.
Deze beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank concludeert dat het college op goede gronden een last onder dwangsom heeft opgelegd. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, voorzitter, en mr. R.C. Moed en mr. J.A.J. Woutersen, leden, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van deze rechtbank van 25 april 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:2529.
3.Regeling met betrekking tot tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang en waarborging van de kwaliteit van kinderopvang (Wet basisvoorziening kinderopvang), Kamerstukken II 2001/02, 28 447, nr. 3.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:678)