Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:591

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
11973552 \ AE VERZ 25-68
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 onder e BWArt. 7:671b lid 2 BWArt. 7:671b lid 6 BWArt. 7:671b lid 9 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens doorrijden na aanrijding zonder melding

De werknemer, sinds 1999 in dienst als allround chauffeur bij RMN, was betrokken bij een aanrijding met een 9-jarig meisje op de fiets op 6 oktober 2025. Hij reed door zonder te stoppen of het incident te melden, in strijd met de bedrijfsregels. RMN startte een onderzoek en constateerde dat de werknemer niet was gestopt, wat hij deels betwistte.

RMN verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen. De werknemer voerde aan dat het meisje de aanrijding veroorzaakte, dat hij niet kon stoppen op de plek van het incident en dat hij het niet melden verklaarde door een mentale blokkade. De kantonrechter oordeelde dat de werknemer zijn verantwoordelijkheid niet heeft genomen, direct had moeten stoppen en het incident had moeten melden. De mentale blokkade werd niet aannemelijk geacht.

Hoewel het doorrijden een strafbaar feit is en het vertrouwen ernstig is geschaad, was er geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen, mede gezien het lange dienstverband en de lichamelijke beperking van de werknemer. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 april 2026, met toekenning van een transitievergoeding van €41.169,62 bruto, exclusief billijke vergoeding. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 april 2026 wegens verwijtbaar handelen, met toekenning van een transitievergoeding.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer / rekestnummer: 11973552 \ AE VERZ 25-68
Beschikking van 12 februari 2026
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
REINIGINGSBEDRIJF MIDDEN NEDERLAND,
kantoorhoudende te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: RMN,
gemachtigde: mr. D.G. van der Mark,
tegen
[verweerder],
wonende te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. C.J.F. van Rijswick.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt RMN om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] . De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten verwijtbaar handelen van [verweerder] . De arbeidsovereenkomst wordt per 1 april 2026 ontbonden. De werkgever moet de werknemer een transitievergoeding betalen omdat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 18 producties, bij de griffie ingekomen op 14 november 2025
- het verweerschrift met 4 producties
- de aanvullende producties 19 tot en met 24, behorende bij het verzoekschrift
- de pleitnota van de gemachtigde van RMN
- de mondelinge behandeling van 15 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026. Namens RMN waren aanwezig [persoon1] , teamleider inzameling, en [persoon2] , HR-adviseur, bijgestaan door mr. D.G. van der Mark, gemachtigde. [verweerder] was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. C.J.F. van Rijswick. Aan het einde van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag een beschikking wordt gegeven.

2.De achtergrond van de zaak

2.1.
[verweerder] , 46 jaar oud, is sinds 1 oktober 1999 in dienst bij (de rechtsvoorgangster van) RMN. De functie van [verweerder] is allround chauffeur met een loon van € 3.499,00 bruto per maand bij een arbeidsomvang van 36 uur per week. Op de arbeidsovereenkomst is onder meer van toepassing de cao Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties (cao), de Ambtenarenwet 2017, het Personeelshandboek en de Gedragscode Integriteitsbeleid van RMN.
2.2.
RMN is verantwoordelijk voor de inzameling en bewerking van huishoudelijk afval en voor het beheer van de recyclingstations in de gemeenten Baarn, Bunnik, Nieuwegein, [plaats] , IJsselstein en Zeist.
2.3.
De direct leidinggevende van [verweerder] is teamcoach/assistent-teamleider [persoon3] . Ook teamleider [persoon1] is leidinggevende van [verweerder] . [verweerder] woont in een huurwoning van de gemeente [plaats] , op het terrein van RMN.
2.4.
Op 9 oktober 2025 heeft RMN een klacht gekregen van een inwoner over de betrokkenheid van een vrachtwagen van RMN bij een incident op 6 oktober 2025, omstreeks 14:10 uur, op de Emmalaan in Amersfoort, bij de kruising met de Anna Palownalaan. Volgens de inwoner fietste zijn 9-jarige dochter achter haar 11-jarige zus, toen zij aan de zijkant werd geschampt door een achterop komende vrachtwagen. Daarbij kwam haar hand bekneld te zitten tussen de vrachtwagen en de stuur van haar fiets. Het meisje had daardoor een wond aan haar arm. te zien Op de foto van de arm van het meisje die met de melding is meegestuurd is een schaafwond op hand en onderarm te zien. Volgens de vader van het meisje is zij heel erg geschrokken van het ongeluk en nog steeds bang bij het fietsen. Verder was haar fiets beschadigd. RMN heeft ter compensatie van deze schade het meisje een nieuwe fiets gegeven.
2.5.
Omdat RMN intern niet bekend was met dit incident, is zij een onderzoek gestart naar de betrokken vrachtwagen. Daaruit bleek dat het om een vrachtwagen ging die op
6 oktober 2025 door [verweerder] is bestuurd.
2.6.
Teamcoach [persoon3] heeft op 15 oktober 2025 met [verweerder] over het incident gesproken, waarvan een schriftelijk verslag is opgemaakt. [verweerder] heeft verklaard dat hij betrokken was bij de aanrijding op 6 oktober 2025, dat hij het contact tussen de vrachtwagen en de fietser wel heeft opgemerkt, maar dat hij heeft besloten door te rijden omdat er geen veilige plek was om direct te stoppen. [verweerder] is doorgereden tot de rotonde waar hij de tweede afslag richting Koningin Wilhelminalaan heeft genomen waarna hij bij een bushalte is gestopt. Omdat [verweerder] tijdens de aanrijding telefonisch contact had met zijn collega
[persoon4] , die in een vrachtwagen achter hem reed, heeft [verweerder] na de aanrijding telefonisch aan [persoon4] gevraagd of de fietsers nog zichtbaar waren. Volgens [persoon4] waren de fietsers weggefietst, richting de Prins Frederiklaan. Daarop is [verweerder] doorgereden. [verweerder] heeft na het incident daarvan geen melding gemaakt bij zijn leidinggevende of op de werklocatie.
2.7.
[persoon3] heeft daarna, op 16 oktober 2025, met collega [persoon4] over het incident gesproken. Uit het verslag van dit gesprek blijkt dat [persoon4] [verweerder] tijdens het telefoongesprek met hem hoorde zeggen: ‘Shit, er fietst er een tegen mijn voertuig aan’. Verder blijkt uit de verklaring van [persoon4] dat [verweerder] bij hem aangaf dat hij op dat moment niet kon stoppen en dat hij zijn weg vervolgde.
2.8.
RMN heeft besloten nader onderzoek te doen omdat de verklaringen van [verweerder] en [persoon4] volgens RMN niet met elkaar strookten op het punt of [verweerder] na het incident was gestopt. In afwachting van het nadere onderzoek is [verweerder] geschorst.
2.9.
RMN heeft op basis van uitdraaien van het volgsysteem van de vrachtwagen van [verweerder] geconstateerd dat hij tijdens en na het incident niet is gestopt en dat de vrachtwagen voortdurend in beweging is geweest.
2.10.
In het verantwoordingsgesprek op 24 oktober 2025 met [persoon1] , de P&O-adviseur en de directeur van RMN, [persoon5] , is [verweerder] geconfronteerd met de onderzoeksbevindingen van RMN. [verweerder] heeft blijkens het verslag van dit gesprek het grootste deel van deze bevindingen bevestigd, maar uitdrukkelijk weersproken dat hij niet is gestopt: “Ik ben echt stil gaan staan bij de bushalte, misschien niet lang, max. tien seconden. [persoon4] [ [persoon4] , rb] zei toen: ze fietsen weg, anders was ik omgedraaid.” Aan het einde van het gesprek heeft RMN meegedeeld dat zij het dienstverband met [verweerder] wil beëindigen.
2.11.
[verweerder] heeft zich op 30 oktober 2025 ziekgemeld.
2.12.
RMN verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair vanwege verwijtbaar handelen, subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding, meer subsidiair vanwege een combinatie van deze gronden. RMN heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat [verweerder] betrokken is geweest bij een verkeersongeval met een fietser en is doorgereden, ook al had hij gemerkt dat zijn vrachtwagen het meisje had geraakt. [verweerder] heeft niet onderzocht of het meisje hulp nodig had en heeft geen melding gemaakt van het ongeval. [verweerder] heeft daarmee gehandeld in strijd met de interne regels van RMN over integriteit en veiligheid en zich niet als goed werknemer gedragen. Bovendien heeft [verweerder] gelogen over het stopzetten van de vrachtwagen. RMN heeft hierdoor ook het vertrouwen verloren dat [verweerder] zijn werk goed kan verrichten. Door de gedragingen van [verweerder] is ook de reputatie van RMN geschaad. Verder is vaker geklaagd over de manier waarop [verweerder] communiceert en is het rijgedrag van [verweerder] onstuimig. Door het ernstig verwijtbaar handelen en nalaten van [verweerder] is de vertrouwensrelatie met RMN ook zodanig verstoord dat niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
2.13.
[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [verweerder] voert aan – samengevat – dat niet hij, maar het meisje, de veroorzaakster is van het ongeval. [verweerder] stelt dat hij op de plek van het ongeval niet is gestopt omdat het daar geen veilige plek was om te stoppen. [verweerder] betwist dat hij kort na de plek van het ongeval niet meer is gestopt en dat hij daarover heeft gelogen. Uit alleen de GPS-gegevens kan niet worden geconcludeerd dat [verweerder] niet is gestopt. [verweerder] erkent dat hij het voorval niet heeft gemeld bij zijn leidinggevende, maar dat kwam omdat hij bij terugkeer op het terrein van RMN niemand aantrof, en door zijn mentale toestand. [verweerder] heeft op het gebied van collegialiteit, omgang met burgers en samenwerking steeds voldoende tot goed gefunctioneerd. RMN heeft bij haar ontbindingsverzoek geen belangafweging gemaakt van alle omstandigheden van het geval en niet gekeken naar de mogelijkheid van een minder zware sanctie op grond van haar sanctiebeleid. Verder is volgens [verweerder] geen sprake van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding en niet gebleken van inspanningen door RMN om de verstoorde arbeidsverhouding te herstellen.
2.14.
Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om toekenning van een billijke vergoeding en een transitievergoeding. Omdat volgens [verweerder] geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen, verzoekt hij bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst rekening te houden met de voor hem geldende opzegtermijn van vier maanden.

3.De beoordeling

3.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden en zo ja, of aan [verweerder] een vergoeding moet worden toegekend.
Ontbinding arbeidsovereenkomst
3.2.
Een arbeidsovereenkomst kan op verzoek van de werkgever alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [1] Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. [2]
3.3.
Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door RMN naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een redelijke grond op voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder Pro e BW. Dat wordt als volgt toegelicht.
3.4.
Nadat [verweerder] met een vrachtwagen van RMN betrokken was geraakt bij een aanrijding met een jonge fietser is hij niet gestopt om te kijken of het meisje hulp nodig had. Vaststaat dat [verweerder] vanuit zijn vrachtwagen de aanrijding heeft gezien. Het spreekt voor zich dat [verweerder] als beroepsmatig chauffeur na een aanrijding zijn verantwoordelijkheid neemt, door op de plaats van de aanrijding te stoppen en om te kijken of er hulp nodig is en of er materiële schade is. Dat heeft [verweerder] niet gedaan. Tijdens de zitting heeft [verweerder] erkend dat sprake is van risicoaansprakelijkheid als een bestuurder van een gemotoriseerd voertuig betrokken raakt bij een aanrijding met een zwakkere verkeersdeelnemer, zoals in deze zaak een negenjarig meisje op de fiets. Wat [verweerder] heeft gedaan is doorrijden na een aanrijding, dat is een strafbaar feit [3] . Dit gedrag is daarom al in strijd met wat een werkgever van een goed handelend werknemer en ambtenaar mag verwachten. De omstandigheid dat [verweerder] na de aanrijding, voorbij een rotonde wel zou zijn gestopt bij een bushalte, wat door RMN gemotiveerd is weersproken aan de hand van GPS-gegevens, maakt de gedraging van [verweerder] niet minder verwijtbaar. [verweerder] had direct nadat hij de aanrijding had opgemerkt, moeten stoppen. Volgens [verweerder] was het op die plek, een smalle voorrangsweg met aan beide kanten fietsstroken, niet veilig om te stoppen. De kantonrechter volgt dit niet. De ernst van de gebeurtenis, een aanrijding met een fietser, maakte het noodzakelijk dat [verweerder] meteen, en dus op die plaats, was gestopt. Het verweer van [verweerder] dat niet hij maar de fietser de aanrijding heeft veroorzaakt, doordat zij tegen de achterkant van de vrachtwagen is gereden, is daarbij niet van belang. De verantwoordelijkheid om te stoppen op de plaats van de aanrijding staat los van de vraag wie deze aanrijding heeft veroorzaakt.
3.5.
[verweerder] heeft de aanrijding ook niet gemeld bij zijn leidinggevenden. [verweerder] was bekend met de bedrijfsregels van RMN dat hij een incident tijdens het werk moet melden bij zijn leidinggevende. In het Personeelshandboek staat dat de werknemer de verantwoordelijkheid draagt om ongevallen en bijna-ongevallen altijd te melden [4] . RMN heeft deze meldplicht regelmatig bij haar medewerkers onder de aandacht gebracht, zo blijkt uit de door RMN overgelegde verslagen van maandelijks gehouden werkoverleggen. [verweerder] heeft zowel in het verweerschrift als op de zitting bevestigd dat hij hiervan op de hoogte is en dat hij eerdere incidenten met inwoners of bij schade, wel altijd meldde. Tijdens de zitting heeft [persoon1] dit ook bevestigd. Door de aanrijding met de jonge fietser niet te melden, heeft [verweerder] gehandeld in strijd met de bedrijfsregels. Pas in het verweerschrift heeft [verweerder] gesteld dat hij na de aanrijding bij terugkeer op het RMN-terrein niemand op kantoor aantrof om de aanrijding te kunnen melden en dat geen sprake was van opzet maar van een mentale blokkade, mede als gevolg van ernstige privékwesties. RMN heeft gemotiveerd weersproken dat er op de dag van de aanrijding niemand was om de aanrijding te melden. Uit de schriftelijke verklaring van [persoon1] [5] blijkt dat hij die dag op de locatie van RMN in [plaats] aanwezig was en dat hij ook telefonisch bereikbaar was op zijn directe 06-nummer, waar alle chauffeurs van RMN over beschikken. Tijdens de zitting heeft RMN onweersproken gesteld dat er op de locatie in [plaats] die dag ook andere personeelsleden aanwezig waren aan wie het incident gemeld had kunnen worden. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [verweerder] de aanrijding niet heeft gemeld terwijl er wel leidinggevenden bij RMN beschikbaar waren aan wie hij dit had kunnen melden. De stelling van [verweerder] dat hij hiervoor een mentale blokkade had, komt de kantonrechter niet aannemelijk voor. [verweerder] heeft dit pas in het verweerschrift als reden genoemd. Niet duidelijk is waarom [verweerder] dit in de eerdere gesprekken met RMN niet heeft genoemd.
3.6.
Uit artikel 7:671b lid 2 BW volgt dat een verzoek tot ontbinding in beginsel niet kan worden toegewezen als er een opzegverbod geldt. In dit geval is er sprake van een opzegverbod, omdat [verweerder] arbeidsongeschikt is. [verweerder] erkent in zijn verweerschrift dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met een opzegverbod, ook al is hij op het moment van indiening van het verzoekschrift arbeidsongeschikt.
3.7.
De kantonrechter kan de arbeidsovereenkomst alleen ontbinden als het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop dat opzegverbod betrekking heeft [6] . De kantonrechter moet daarom beoordelen of de gronden voor het verzoek volledig losstaan van de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] .
3.8.
Tijdens de zitting heeft [verweerder] laten weten dat hij niet kan verklaren waarom hij na de aanrijding niet meteen is gestopt en het daarna niet heeft gemeld. Hij denkt dat dit te maken heeft met een mentale blokkade, door een ptss als gevolg van een vuurwerkongeval. Volgens [verweerder] is dit recent door zijn behandelend psycholoog vastgesteld en blijkt hij daarmee al 20 jaar te lopen. Dat maakt dat de kantonrechter, hoewel daar dus geen beroep op is gedaan in het verweerschrift, ambtshalve zal moeten onderzoeken of de ziekte van [verweerder] verband houdt met de hem verweten gedragingen. Die noodzaak voelt de kantonrechter te meer omdat tijdens de zitting duidelijk is geworden dat de mentale problemen die [verweerder] ervaart hem lichamelijk ook kunnen ontregelen. De ontploffing die op 15 januari 2026 plaatsvond in het centrum van Utrecht was namelijk in het gerechtsgebouw duidelijk hoor- en voelbaar. Daarna kwamen veel auto’s met sirenes langs. [verweerder] reageerde daar fysiek op, hij begon te trillen en kreeg ademhalingsproblemen. De kantonrechter heeft de zitting daarom geschorst en de bedrijfshulpverlening ingeschakeld. Mede op verzoek van [verweerder] is de zitting na een kwartier hervat.
3.9.
De kantonrechter komt tot de conclusie dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn dat de ziekte van [verweerder] verband houdt met de hem verweten gedragingen om de volgende reden. De waargenomen fysieke ontregeling kan op zichzelf niet als een bewijs worden gezien van een oorzakelijk verband tussen de gedragingen die hebben geleid tot het voornemen tot ontslag en de ziekte daarna. Voor het optreden van fysieke klachten na het aangezegde ontslag kunnen namelijk meer oorzaken zijn aan te wijzen die niet zonder meer verband houden met het verweten gedrag. Dat volgt ook uit het feit dat de behandelaar van [verweerder] geweigerd heeft op verzoek van [verweerder] een verklaring op te stellen waaruit zijn gedrag na de aanrijding kan worden verklaard, omdat zij [verweerder] op dat moment nog niet behandelde. Een aantoonbaar verband is vereist omdat anders de uitkomst van iedere ontslagzaak waarin een werknemer zich ziek heeft gemeld een onvoorspelbare uitkomst zou krijgen. Dat is niet de bedoeling van de wetgever geweest bij de inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid waarbij artikel 7:671b BW is ingevoerd. Het opzegverbod staat dus niet aan de ontbinding in de weg.
3.10.
Het doorrijden na de aanrijding en het nalaten dit te melden, kunnen aan [verweerder] verweten worden. Wat het gedrag van [verweerder] zo ernstig maakt is volgens RMN dat [verweerder] voor zijn handelen geen verantwoordelijkheid heeft genomen, zowel op het moment van de aanrijding als daarna. Dat is terecht. De kantonrechter motiveert dit als volgt.
3.10.1.
[verweerder] heeft in het verweerschrift een beschrijving gegeven van de toedracht van de aanrijding waaraan hij de conclusie verbindt dat hij de aanrijding niet had kunnen voorkomen. Volgens [verweerder] is het meisje met haar zus om wachtende fietsers voor de voorrangsweg heen gereden en tegen de achterkant van zijn vrachtwagen gefietst. Die uitleg staat haaks op de beschrijving van de vader van het meisje. Ook is die uitleg van [verweerder] niet aannemelijk omdat moeilijk voorstelbaar is dat een fietser tegen de achterkant van een rijdende vrachtwagen zal ‘aanrijden’ en [verweerder] zowel in het gesprek op 15 oktober 2025 als tijdens de zitting heeft erkend dat de fietser tegen de ‘fietsenvanger’, die is bevestigd aan de zijkant van de vrachtwagen, is aangereden. Bovendien verklaart dit niet waarom het kleine zusje met de zijkant van de vrachtwagen is geraakt en haar oudere zusje die pal daarvoor reed niet. Bij alle scenario’s ligt ten slotte voor de hand dat [verweerder] zijn rijgedrag zou hebben aangepast aan de verkeerssituatie ter plaatse (meerdere kwetsbare verkeersdeelnemers bij een kruising op een smalle weg) en daarmee een mogelijke aanrijding zou hebben kunnen voorkomen. Het lijkt er dus op dat [verweerder] geneigd is zijn rol in de aanrijding kleiner te maken dan die in werkelijkheid was.
3.10.2.
Ook de verklaring van [verweerder] waarom hij niet meteen is gestopt op de plaats van de aanrijding acht de kantonrechter niet aannemelijk. Zoals hiervoor al is geoordeeld is [verweerder] verplicht om na een aanrijding meteen te stoppen. [verweerder] heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat de situatie op de voorrangsweg zo druk of gevaarlijk was, dat hij daar niet veilig kon stoppen. Het was bovendien voor hem eenvoudig geweest om bij de rotonde rechtsomkeert te maken en persoonlijk te verifiëren hoe het met het meisje was, waarvan hij wist dat hij haar had geraakt. Ook hieruit volgt dat [verweerder] vooral een excuus zoekt voor zijn gedrag in plaats van eerlijk zijn fout te erkennen.
3.10.3.
Ditzelfde geldt ook voor de reden die [verweerder] opgeeft om de aanrijding niet bij zijn leidinggevende te melden. Ook al beschikte hij over het telefoonnummer van [persoon1] en was [persoon1] aanwezig op de locatie van RMN, [verweerder] blijft volhouden dat hij het voorval niet kon melden. Ook dit wijst op het zoeken naar een excuus door [verweerder] in plaats van toegeven dat hij heeft nagelaten wat hij had moeten doen.
3.11.
Juist van een beroepschauffeur mag verwacht worden dat hij de plicht vervult die van hem als verkeersdeelnemer verwacht en daarbij handelt zoals van een goed werknemer mag worden verwacht. Op grond van de bedrijfsregels wist [verweerder] dat hij de aanrijding direct had moeten melden. Dit alles heeft [verweerder] niet gedaan. Daarmee heeft [verweerder] het vertrouwen van RMN ernstig geschaad. Het gedrag van [verweerder] is zo ernstig dat van RMN in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Hiermee is sprake van een redelijke grond voor opzegging, en daarmee voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen.
Herplaatsing
3.12.
Herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn ligt bij verwijtbaar handelen niet in de rede. Het verzoek wordt daarom ingewilligd.
Ernstig verwijtbaar handelen
3.13.
In beginsel heeft de werknemer van wie de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever wordt ontbonden recht op een transitievergoeding en dat de opzegtermijn in acht wordt genomen. RMN heeft een beroep gedaan op de uitzonderingssituaties die hiervoor gelden, namelijk dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] (artikel 7:673 lid 7 sub c BW Pro en artikel 7:671b lid 9 sub b BW).
3.14.
Wat precies moet worden verstaan onder ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, is in de wetsgeschiedenis niet nader omschreven. Wel zijn in de wetsgeschiedenis een aantal voorbeelden gegeven van situaties waarin sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer. Het gaat dan om het door de werknemer schuldig maken aan een misdrijf of het structureel niet naleven van instructies of verplichtingen nadat de werknemer er uitdrukkelijk voor is gewaarschuwd dat zijn handelen of nalaten niet geoorloofd is. Van deze in de wetsgeschiedenis gegeven voorbeelden is in het onderhavige geval in beginsel sprake omdat [verweerder] is doorgereden na een aanrijding. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten echter alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. [7] In dit geval is de kantonrechter van oordeel dat het verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] niet zodanig ernstig verwijtbaar is, dat hem geen transitievergoeding toe zou moeten komen. Dat wordt als volgt toegelicht.
3.14.1.
Het is niet komen vast te staan dat [verweerder] tijdens zijn dienstverband vaker betrokken is geweest bij incidenten of dat hij al langere tijd onvoldoende heeft gefunctioneerd. RMN stelt dat er meerdere incidenten met [verweerder] hebben plaatsgevonden, maar de kantonrechter ziet hiervoor geen onderbouwing. [verweerder] heeft tijdens zijn dienstverband van ruim 25 jaar één keer eerder – in 2020 - een formele klacht van een inwoner gekregen. RMN stelt dat de houding en omgang tegenover burgers en met collega’s sindsdien nog steeds aansturing en begeleiding behoeven, maar dit blijkt niet uit de verslagen van de voortgangsgesprekken in 2024 en 2025. In die verslagen staat dat de samenwerking van [verweerder] met collega’s en zijn houding en gedrag ten opzichte van inwoners als goed respectievelijk als voldoende zijn beoordeeld. Ook de stelling van RMN dat [verweerder] een onstuimige rijstijl heeft, is onvoldoende onderbouwd. Uit de gespreksverslagen waar RMN naar heeft verwezen blijkt dat routes regelmatig onstuimig worden achtergelaten, namelijk dat containers omver liggen of de deksels openstaan. [verweerder] heeft hierover toegelicht dat het omvallen van de geleegde bakken werd veroorzaakt door een defect aan de zijarm van de vrachtwagen. RMN heeft dit niet weersproken. Als bij [verweerder] eerder sprake was geweest van ernstige incidenten, dan had dit uit gespreksverslagen moeten blijken, wat niet het geval is. [verweerder] meldde in het verleden incidenten wel altijd, zoals ook door RMN tijdens de zitting is bevestigd. Dat sprake zou zijn van een patroon aan incidenten kan daarom niet worden gevolgd. Verder weegt mee dat het verweten gedrag plaatsvond na een verkeerssituatie, waarbij [verweerder] door niet te handelen zoals hij had moeten doen, verkeerde keuzes heeft gemaakt.
3.14.2.
De kantonrechter gaat er dus vanuit dat dit het eerste ernstige voorval is geweest waarmee [verweerder] tijdens de looptijd van zijn dienstverband te maken heeft gehad en dat zijn gedragingen niet te rijmen zijn met eerder gedrag. [verweerder] heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij éénzijdige werkervaring heeft als chauffeur voor (de rechtsvoorganger van) RMN en maar met één oog zicht heeft, waardoor hij als chauffeur beperktere mogelijkheden heeft om vergelijkbaar ander werk te vinden (hij mag maximaal in een straal van 30 tot 50 kilometer beroepsmatig rijden). Het is dus voorstelbaar dat [verweerder] zeer geschrokken is van de aanrijding met het meisje en uit vrees voor de gevolgen daarvan voor zijn werk in een vluchtmodus is geschoten en in eerste instantie geprobeerd heeft het voorval te negeren toen duidelijk was dat de meisjes in staat waren door te fietsen. Dat maakt het gedrag niet minder ernstig, maar zwakt wel de ernst van de verwijtbaarheid af.
Datum einde arbeidsovereenkomst
3.15.
Op grond van artikel 7:671b lid 9 aanhef en sub a BW is bij een gegrond verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst uitgangspunt dat bij de bepaling van de datum van ontbinding de opzegtermijn in acht wordt genomen.
3.16.
Nu het verzoek tot ontbinding wordt ingewilligd, dient het einde van de arbeidsovereenkomst te worden bepaald. Omdat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer wijst de kantonrechter het verzoek van RMN om geen rekening te houden met de opzegtermijn, af. De kantonrechter bepaalt het einde op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd (volgens partijen bedraagt de opzegtermijn 4 maanden), waarbij – nu de ontbinding niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van RMN – de duur van de periode die aanvangt op de datum van ontvangst van het verzoek (14 november 2025) en eindigt op de datum van dagtekening van de ontbindingsbeslissing (12 februari 2026) in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat een termijn van minstens een maand resteert. In dit geval brengt dit met zich dat het einde van de arbeidsovereenkomst wordt bepaald op 1 april 2026.
Transitievergoeding
3.17.
Uit het voorgaande volgt dat [verweerder] recht heeft op een transitievergoeding.
Aanvankelijk vorderde [verweerder] een vergoeding van € 41.770,33 bruto bij een datum uit dienst van 1 juni 2026 bij een vast loon van € 3.534,-, verhoogd met onder meer € 602,55 aan IKB. RMN heeft hiertegen als verweer gevoerd dat [verweerder] het gehele percentage IKB van 17,05% meeneemt waar componenten in zitten die niet vallen onder de berekening van de transitievergoeding, namelijk levensloop en bovenwettelijke vakantiedagen. RMN gaat daarom uit van een rekenloon van € 4.660,23 bruto. [verweerder] heeft dit niet weersproken. De kantonrechter zal voor de berekening van de transitievergoeding daarom van dat rekenloon uitgaan. Dit leidt tot een transitievergoeding, bij een datum uit dienst op 1 april 2026, van |
€ 41.169,62 bruto, dat wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
1 mei 2026.
Billijke vergoeding
3.18.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. [8] Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt.
3.19.
RMN hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden.
Proceskosten
3.20.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 april 2026,
4.2.
veroordeelt RMN om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 41.169,62 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
4.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
40160

Voetnoten

1.Artikel 7:669 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 7:669 lid 1 BW Pro.
3.Artikel 7 Wegenverkeerswet1994.
4.Productie 4 verzoekschrift, hoofdstuk 6, blz. 31.
5.Productie 22 verzoekschrift.
6.Artikel 7:671b lid 6 BW.
7.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 21 januari 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2022:63 (
8.Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW.