Eiseres, voormalig werknemer bij een kinderopvangbedrijf, was sinds 2017 ziek gemeld en ontving vanaf 2019 een WIA-uitkering van 65,10%. Na een herbeoordeling op verzoek van de werkgeefster in april 2022 werd haar arbeidsongeschiktheid verlaagd naar 33,28%, waarna het UWV de uitkering beëindigde. Eiseres maakte bezwaar en het UWV wijzigde het besluit deels, waarbij zij tot 5 februari 2025 een gedeeltelijke uitkering ontving.
Eiseres stelde beroep in tegen dit bestreden besluit en voerde aan dat haar gezondheid eerder was verslechterd, waardoor de IVA-uitkering eerder had moeten ingaan. Tijdens de procedure overhandigde zij medische informatie waaruit een recidive bleek, waarop het UWV een nieuw besluit nam en de IVA-uitkering vanaf 5 februari 2025 toekende. De rechtbank betrekt dit nieuwe besluit bij de beoordeling, maar oordeelt dat het beroep tegen het bestreden besluit over de periode tot 5 februari 2025 ongegrond is.
De rechtbank overweegt dat het UWV de medische rapporten zorgvuldig heeft opgesteld en dat de beperkingen en belastbaarheid van eiseres adequaat zijn beoordeeld. De stelling van eiseres dat het WIA-systeem discrimineert op grond van inkomen wordt verworpen. Ook is geen schending van de hoorplicht vastgesteld. Verzoeken tot schadevergoeding en beoordeling van terugvorderingsbesluiten vallen buiten deze procedure. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht.