Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:643

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
UTR 25/616
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 7:2 AwbArt. 7:7 AwbWet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van arbeidsongeschiktheidsperiode en toekenning IVA-uitkering

Eiseres, voormalig werknemer bij een kinderopvangbedrijf, was sinds 2017 ziek gemeld en ontving vanaf 2019 een WIA-uitkering van 65,10%. Na een herbeoordeling op verzoek van de werkgeefster in april 2022 werd haar arbeidsongeschiktheid verlaagd naar 33,28%, waarna het UWV de uitkering beëindigde. Eiseres maakte bezwaar en het UWV wijzigde het besluit deels, waarbij zij tot 5 februari 2025 een gedeeltelijke uitkering ontving.

Eiseres stelde beroep in tegen dit bestreden besluit en voerde aan dat haar gezondheid eerder was verslechterd, waardoor de IVA-uitkering eerder had moeten ingaan. Tijdens de procedure overhandigde zij medische informatie waaruit een recidive bleek, waarop het UWV een nieuw besluit nam en de IVA-uitkering vanaf 5 februari 2025 toekende. De rechtbank betrekt dit nieuwe besluit bij de beoordeling, maar oordeelt dat het beroep tegen het bestreden besluit over de periode tot 5 februari 2025 ongegrond is.

De rechtbank overweegt dat het UWV de medische rapporten zorgvuldig heeft opgesteld en dat de beperkingen en belastbaarheid van eiseres adequaat zijn beoordeeld. De stelling van eiseres dat het WIA-systeem discrimineert op grond van inkomen wordt verworpen. Ook is geen schending van de hoorplicht vastgesteld. Verzoeken tot schadevergoeding en beoordeling van terugvorderingsbesluiten vallen buiten deze procedure. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit over de arbeidsongeschiktheid van 8 april 2022 tot 5 februari 2025 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/616

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. B. Boom),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,
(gemachtigde: J. Voorn)

Procesverloop

1. Eiseres was werkzaam als [functie] voor ongeveer 22 uur per week bij haar voormalige werkgeefster, een kinderopvangbedrijf (hierna: de werkgeefster). Zij meldde zich per 4 augustus 2017 ziek wegens gezondheidsklachten. Per 2 augustus 2019 is aan eiseres een uitkering op grond van de Wet WIA [1] toegekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 65,10%.
1.1
De werkgeefster heeft aan het Uwv op 8 april 2022 verzocht om de gezondheidssituatie van eiseres opnieuw te beoordelen. Naar aanleiding dat verzoek is eiseres per 8 april 2022 voor 33,28% arbeidsongeschikt bevonden. Het Uwv heeft daarom bij besluit van 10 november 2023 (het primaire besluit) de WIA-uitkering van eiseres met een uitlooptermijn per 11 januari 2024 beëindigd. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing. Het Uwv heeft bij besluit van 5 december 2024 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en bepaald dat eiseres tot 1 september 2023 voor 65,10% arbeidsongeschikt blijft en per 1 september 2023 voor 41,94% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het Uwv heeft de verlaging geëffectueerd per 5 februari 2025.
1.2
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Nadien hebben partijen nog aanvullende reacties ingediend.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 4 september 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van het Uwv. Tijdens de zitting heeft eiseres medische informatie overgelegd van haar behandelaar van 27 augustus 2025. Hieruit blijkt dat bij eiseres sprake is van een recidive van haar ziekte. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het Uwv gelegenheid gegeven om te beoordelen in hoeverre deze nieuwe informatie reden geeft om een ander standpunt in te nemen.
1.4
Het Uwv heeft gebruik gemaakt van deze gelegenheid. Op 9 oktober 2025 heeft het Uwv gedeeltelijk een nieuw besluit (hierna: het nieuwe besluit) genomen en aan eiseres per 5 februari 2025 een IVA-uitkering toegekend. Het nieuwe besluit is volgens het Uwv gedeeltelijk in de plaats getreden van het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de verlaging van de uitkering per 5 februari 2025. Voor het overige wordt het bestreden besluit gehandhaafd. Op grond van artikel 6:19, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal de rechtbank het nieuwe besluit bij het beroep betrekken [2] .
1.5
Eiseres heeft op 17 oktober 2025 een zienswijze ingediend. Op 19 november 2025 heeft het Uwv hierop gereageerd, waarna eiseres aanvullende reacties heeft ingediend.
1.6
Nadat partijen daartoe in de gelegenheid zijn gesteld, heeft eiseres verzocht om een nadere zitting. De behandeling van de zaak is voortgezet op de zitting van 5 februari 2026. Eiseres was hierbij aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. De gemachtigde van het Uwv was ook aanwezig. Na afloop heeft de rechter het onderzoek gesloten en met toestemming van partijen bepaald dat de uitspraak zo snel mogelijk en uiterlijk 19 maart 2026 zal worden gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

De betekenis van het nieuwe besluit van 9 oktober 2025.
2. De rechtbank stelt vast dat eiseres het eens is met de toekenning van een IVA-uitkering zoals is beslist in het nieuwe besluit van 9 oktober 2025. Daartegen zijn geen gronden gericht. Dat betekent dat de rechtbank geen oordeel zal geven over dit besluit. Het gevolg van het nieuwe besluit is dat het bestreden besluit (van 5 december 2024) nu nog ziet op de periode van 8 april 2022 tot 5 februari 2025. Dit is de periode vanaf het verzoek om een herbeoordeling door de werkgeefster tot de datum waarop de IVA-uitkering is toegekend.
2.1
Eiseres heeft te kennen gegeven dat zij het oneens blijft met het bestreden besluit van 5 december 2024. Eiseres vindt dat de verslechtering van haar gezondheid zich al eerder manifesteerde. Daarmee moet volgens eiseres de ingangsdatum van de IVA-uitkering ook eerder zijn, in ieder geval met ingang van 10 november 2023. Dat betekent dat de rechtbank zal beoordelen of dit besluit op goede gronden is genomen en daarbij de beroepsgronden betrekken die eiseres daartegen heeft aangevoerd. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De systematiek van de WIA is discriminatoir voor mensen met een laag inkomen.
3. Eiseres voert aan dat het systeem van de WIA-uitkering mensen met een laag inkomen discrimineert.
3.1
De rechtbank stelt voorop dat in de systematiek van de Wet WIA het arbeidsongeschiktheidspercentage wordt bepaald door het inkomen dat de verzekerde zou hebben kunnen verdienen als hij of zij niet arbeidsongeschikt was (het maatmaninkomen) af te zetten tegen wat hij of zij op dit moment zou kunnen verdienen (de restverdiencapaciteit). Voor het antwoord op de vraag of deze systematiek leidt tot (ongeoorloofde) discriminatie op grond van inkomen is het volgende van belang. Bij het bepalen van de restverdiencapaciteit wordt, kort gezegd, gekeken naar de middelste van de drie functies met het hoogste loon die de verzekerde met zijn mogelijkheden en beperkingen kan verrichten. In het algemeen zal degene met een hoger maatmaninkomen meer opleiding en ervaring hebben dan personen met een lager inkomen. Doorgaans zal degene met een hoger maatmaninkomen als gevolg daarvan ook eerder geschikt worden geacht voor functies met een hoger loon, waardoor de restverdiencapaciteit hoger wordt en het arbeidsongeschiktheidspercentage lager. Er bestaat dan ook geen reden om aan te nemen dat het huidige systeem van de Wet WIA leidt tot discriminatie naar inkomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Beoordelingskader arbeidsongeschiktheid
4. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel aan de volgende drie voorwaarden voldoen. De rapporten:
- zijn op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;
- bevatten geen tegenstrijdigheden;
- zijn voldoende begrijpelijk.
4.1
De rapporten en de besluiten die daarop gebaseerd zijn, zijn in beroep wel aanvechtbaar. Het is echter aan de eisende partij om aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat de rapporten niet aan de drie genoemde voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de drie genoemde voorwaarden is voldaan. Voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dit brengt mee dat de manier waarop eiseres zelf haar gezondheidsklachten ervaart, hiervoor onvoldoende is.
Is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen?
5. Eiseres vindt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen. Het Uwv gaat onvoldoende in op haar in bezwaar aangevoerde argumenten. Verder is het Uwv tekort geschoten in het toepassen van de menselijke maat. De persoonlijke omstandigheden van eiseres zijn niet op een zorgvuldige wijze meegewogen. Op de zitting van 5 februari 2026 hebben eiseres en haar gemachtigde daaraan toegevoegd dat haar ziekte nooit is weggeweest. De klachten zijn in de loop van 2024 (in de zomer) toegenomen en hebben uiteindelijk begin 2025 geresulteerd in de conclusie dat er sprake is van uitzaaiingen.
5.1
De rechtbank gaat niet mee in het standpunt van eiseres dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. De primaire verzekeringsarts heeft eiseres op 1 september 2023 fysiek op een spreekuur gezien. Daarbij is dossieronderzoek verricht waarbij kennis is genomen van de voorgeschiedenis van eiseres, er is een anamnese afgenomen en psychisch onderzoek verricht. Omdat eiseres aangaf dat zij de mededeling heeft gekregen dat zij na vijf jaar kankervrij is verklaard, heeft de primaire arts geen aanleiding gezien medische informatie op te vragen. In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dossieronderzoek verricht en op 3 oktober 2024 gerapporteerd. Omdat er genoeg medische informatie aanwezig werd geacht heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden gezien voor een fysiek onderzoek. De rechtbank kan die uitleg in dit geval volgen, omdat er op dat moment geen aanleiding was te veronderstellen dat de medische situatie van eiseres was verslechterd. De rechtbank betrekt daarbij dat eiseres zelf eerst in maart 2025 een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft gedaan. Daarbij komt dat de informatie die op de hoorzitting van 4 december 2024 naar voren is gekomen en gedeeld is met de arts van het Uwv evenmin noopte tot een aanvullende medisch onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kon daarom afzien van een eigen aanvullend onderzoek. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist?
6. Eiseres vindt dat zij ook over de periode voorafgaand aan 5 februari 2025 volledig arbeidsongeschikt is en recht heeft op een IVA-uitkering. In de schriftelijke aanvulling van 2 december 2025 stelt zij dat vanaf 10 november 2023 sprake was volledige arbeidsongeschiktheid die duurzaam is. Bij eiseres is in maart 2025 vastgesteld dat sprake is van recidive van haar ziekte met uitzaaiingen. Dit blijkt uit de medische informatie die zij tijdens de zitting heeft overgelegd. Volgens eiseres waren die uitzaaiingen er dus al eerder. De ziekte is volgens haar nooit weggeweest. De datum 5 februari 2025 is volgens eiseres arbitrair. Het Uwv had de hele periode vanaf 10 november 2023 moeten betrekken in haar beoordeling.
6.1
Het Uwv ziet in de verslechtering van de gezondheid van eiseres, hoe verdrietig ook, geen aanleiding om van een vroegere datum dan 5 februari 2025 uit te gaan. Hij verwijst naar het rapport van de primaire verzekeringsarts van 7 september 2023 en het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 oktober 2024.
6.2
De rechtbank stelt voorop dat in de beslissing op het bezwaar de ingangsdatum van de wijziging van het arbeidsongeschiktheidspercentage is gewijzigd naar 1 september 2023. Dat betekent dat de beoordeling gaat over de situatie op dat moment. De primaire verzekeringsarts concludeert in het rapport van 7 september 2023 dat de belastbaarheid van eiseres is toegenomen in vergelijking met de eerdere beoordeling per einde wachttijd. De gegevens zoals die naar voren komen uit de voorliggende informatie, anamnese, het eigen onderzoek op 1 september 2023 en het dagverhaal vormen een consistent en plausibel geheel. Eiseres is niet ADL-afhankelijk of bedlegerig, is niet langdurig opgenomen in een WLZ - erkende instelling, er is geen sprake van een onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren op alle drie de niveaus (zelfverzorging, functioneren in samenlevingsverband, sociale contacten buiten het gezin) op basis van een ernstige psychische stoornis en er is geen sprake van de situatie waarin naar verwachting eiseres haar mogelijkheden op korte termijn zal verliezen. Zij valt dus niet in één van de uitzonderingscategorieën van de standaard Geen benutbare Mogelijkheden (GBM) conform het schattingsbesluit. Er zijn daarom benutbare mogelijkheden aan te nemen, maar er gelden wel beperkingen als rechtstreeks gevolg van ziekte en/of gebrek. [3] De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschrijft in het rapport van 3 oktober 2024 dat bij eiseres geen sprake is van GBM. De verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft aan dat in de primaire fase geen aandacht is geweest voor de medische situatie van eiseres vóór 1 september 2023 (datum onderzoek). Daarom is het volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep reëel om de belastbaarheid tot 1 september 2023 gelijk te stellen aan de belastbaarheid per einde wachttijd. Verder is volgens deze verzekeringsarts in voldoende mate rekening gehouden met de verminderde energie en de noodzaak om te recupereren na een inspanning met de aangenomen beperkingen en de urenbeperking van 4 uur per dag, 20 uur per week. Daarbij is betrokken dat de primaire verzekeringsarts een psychisch onderzoek heeft verricht waarbij er sprake was van geen bijzonderheden. Dit past volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook bij het gegeven dat eiseres niet meer in behandeling is en werkt als coach als zzp-er. Het gegeven dat eiseres als zzp-er als coach werkt bewijst impliciet een zekere belastbaarheid in weerwil van de claim van eiseres om geen benutbare mogelijkheden te hebben. Eiseres is ook uit controle voor de doorgemaakte maligniteit ontslagen en zij is kankervrij verklaard. Verder is betrokken dat eiseres een medicatie gebruikt voor hormoon substitutie wat past bij de ondergane behandeling. De rechtbank kan de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen en ziet geen aanknopingspunten om met ingang van 1 september 2023 op basis van beschikbare informatie meer beperkingen aan te nemen dan de beperkingen die zijn aangenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst opgesteld door de verzekeringsarts van 3 oktober 2024. De medische stukken die eiseres tijdens de zitting van 4 september 2025 heeft overgelegd, zien op een latere periode dan 1 september 2023 en laten zien dat eiseres zich in februari 2025 opnieuw met (luchtweg)klachten bij de longarts heeft gemeld. Eiseres stelt dat haar ziekte nooit is weggeweest. De rechtbank snapt dat eiseres dit zo ervaart. Daarentegen heeft zij in de afgelopen jaren, weliswaar met veel beperkingen, wel gefunctioneerd. Dat een eerdere ingangsdatum voor een IVA-uitkering aangewezen zou zijn, sluit niet aan bij de overgelegde medische informatie en de melding toegenomen arbeidsongeschiktheid in maart 2025 van eiseres. De conclusie is dat het Uwv het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 oktober 2024 ten grondslag mocht leggen aan het bestreden besluit. Verder merkt de rechtbank op dat in het rapport van 3 oktober 2024 uitgebreid is weergegeven welke beperkingen deze verzekeringsarts in aanmerking heeft genomen die zien op de datum 1 september 2023. Daarmee is de conclusie dat het Uwv de FML van 3 oktober 2024 ten grondslag kon leggen aan het bestreden besluit.
6.3
Tegen het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 11 oktober 2024 heeft eiseres geen specifieke gronden gericht. De arbeidsdeskundige heeft voldoende toegelicht dat eiseres met de aangenomen beperkingen per 1 september 2023 in staat geacht kan worden om de geduide functies te verrichten waarmee zij 41,94% minder kan verdienen dan het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Met toepassing van een uitlooptermijn is eiseres tot 5 februari 2025 onveranderd arbeidsongeschikt geacht voor 65,10%. De rechtbank acht dit standpunt juist. De beroepsgrond slaagt niet.
Hoorplicht en verslag hoorzitting
7. Eiseres stelt dat de hoorplicht is geschonden, omdat bij de hoorzitting geen verzekeringsarts en arbeidsdeskundige aanwezig waren.
7.1
De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt. Artikel 7:2 van Pro de Awb legt de gestelde verplichting niet op. Verder is het Uwv verplicht een verslag te maken van de horen op grond van artikel 7:7 van Pro de Awb. Een verplichting tot toezending van het hoorverslag in de bezwaarfase biedt de Awb niet. De beroepsgrond slaagt niet.
Schadevergoeding
8. Eiseres stelt dat het Uwv haar uitkering over 2024 pas in 2025 heeft nabetaald. Dit heeft geleid tot nadelige financiële gevolgen. Aangezien deze periode samenhangt met de gevolgen van het bestreden besluit, dienen deze gevolgen te worden meegenomen in deze procedure. Eiseres verzoekt aan haar een schadevergoeding toe te kennen.
8.1
Zoals ook op de zitting is besproken, stelt de rechtbank vast dat dit verzoek buiten de omvang van deze zaak gaat. Eiseres kan hierover een apart schadeverzoek indienen bij het Uwv, waarna het Uwv daarover een besluit zal nemen. Eiseres heeft verklaard dat zij dat zal doen. De rechtbank zal dit punt verder buiten beschouwing laten.
Terugvorderingsbeslissing.
9. Eiseres heeft gesteld dat zij inmiddels een terugvordering beslissing heeft ontvangen van het Uwv. Zij verzoekt ook dit besluit bij deze beoordeling te betrekken.
9.1
Ook dit punt is op de zitting besproken. Omdat het terugvorderingsbesluit ook buiten de omvang van deze zaak valt, zal de rechtbank ook dit punt buiten beschouwing laten.

Conclusie en gevolgen

10. Omdat het Uwv tijdens de beroepsprocedure een gewijzigd besluit heeft genomen, moet het Uwv het griffierecht aan eiseres vergoeden.
10.1
De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten van eiseres af. De gemachtigde is ook de partner van eiseres en zij vormen een huishouden. Daarmee kan niet worden gesproken van rechtsbijstand die op zakelijke basis is verleend. [4]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van
mr.R. van Manen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
2.Op grond van artikel 6:19, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
3.De beperkingen gelden ten aanzien van frequente deadlines, hoog handelingstempo bij complexe taken, langdurig focussen en drukke omgeving (visueel en auditief). Gelet op de energetische impact en recuperatiebehoefte is volgens de verzekeringsarts 20 uur per week, 4 uur per dag, het maximaal haalbare.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:48.