ECLI:NL:RBMNE:2026:790

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
UTR 24/4922
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 1 Besluit proceskosten bestuursrechtWet waardering onroerende zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing proceskostenvergoeding bij WOZ-waarde woning ongegrond verklaard

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen een besluit van de heffingsambtenaar waarin de WOZ-waarde van zijn woning was vastgesteld en een proceskostenvergoeding was afgewezen.

De heffingsambtenaar had de WOZ-waarde van de woning vastgesteld op € 685.000,- en deze later bij uitspraak op bezwaar verlaagd naar € 628.000,-. Eiser richtte zijn beroep uitsluitend op het niet toekennen van een proceskostenvergoeding. De rechtbank oordeelt dat de proceskostenvergoeding terecht is afgewezen omdat niet is gebleken dat de gemachtigde van eiser meer dan incidenteel rechtsbijstand verleent, wat vereist is voor beroepsmatige rechtsbijstand.

Daarnaast heeft eiser in een later stadium nieuwe beroepsgronden over de WOZ-waarde ingebracht, wat in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank laat deze nieuwe gronden buiten beschouwing.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af. Partijen is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de proceskostenvergoeding wordt terecht afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4922
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: A. Mulder),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente], verweerder,
(gemachtigde: M. Boerlage).

Procesverloop

1. In de aanslag van 28 februari 2023 (het primaire besluit) heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de aan de [adres] in [plaats] (de woning) vastgesteld op € 685.000,-. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2022 en geldt voor het belastingjaar 2023. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd, waarbij de WOZwaarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
1.1
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 10 juni 2024 (het bestreden besluit) het bezwaar (deels) gegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning verminderd tot € 628.000,-.
1.2
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en aanvullende gronden ingediend. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 2 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de Heffingsambtenaar, vergezeld door [taxateur] , taxateur. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

3. De enige beroepsgrond in het beroepschrift houdt in dat de heffingsambtenaar ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar terecht aan eiser geen proceskostenvergoeding heeft toegekend in het bestreden besluit. Artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt dat een vergoeding van de (bezwaar)kosten als bedoeld in artikel 7:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitsluitend betrekking kan hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Volgens de Nota van toelichting is sprake van ‘beroepsmatig verleende bijstand’ als het verlenen van rechtsbijstand tot de beroepsmatige taak van de gemachtigde behoort. [1] Voor het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand is van belang dat deze werkzaamheid een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van een inkomen gerichte taakuitoefening. Dat betekent dat de rechtsbijstand meer dan incidenteel moet zijn verricht. [2] De aard en omvang van de werkzaamheden is daarbij doorslaggevend. In dit geval is niet gebleken van aanknopingspunten dat de gemachtigde van eiser meer dan incidenteel rechtsbijstand aan derden verleent, zodat niet kan worden aangenomen dat het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakoefening van de gemachtigde.
4. De rechtbank is voorts van oordeel dat de gang van zaken waarbij eiser, in een veel later stadium van de procedure, geheel nieuwe beroepsgronden (over de WOZ-waarde van de woning) heeft aangevoerd, in strijd is met een goede procesorde. Tijdens de bezwaarfase heeft onderling overleg plaatsgevonden tussen partijen en dit heeft ertoe geleid dat in de uitspraak op bezwaar de WOZ-waarde van de woning is verlaagd. In het beroepschrift en aanvullend beroepschrift voert eiser aan dat het enige geschilpunt de proceskostenvergoeding is. Daarmee heeft eiser het geschil expliciet beperkt. Als eiser dan maanden later ook de WOZ-waarde in het geschil wil betrekken, is dat in strijd met een goede procesorde. De rechtbank laat deze beroepsgronden daarom buiten beschouwing.
5. Gelet op het voorgaande is het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. van Manen, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 2 maart 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Stb. 1993, 763, p.6.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3310 en de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3161.