Uitspraak
[eiser] , uit [plaats] , eiser
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
€ 72,90 aan kosten is opgelegd.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr.D. Burggraaf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting inclusief een bedrag van €72,90 aan kosten, welke door de heffingsambtenaar was opgelegd. De rechtbank beoordeelde het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar, die het bezwaar ongegrond had verklaard.
De kern van het geschil betrof de juistheid van de raming van het aantal naheffingsaanslagen waarop de kosten per naheffing zijn gebaseerd, en de vraag of kosten voor het vergunningensysteem, belparkeren en parkeerautomaten terecht via de naheffingsaanslag in rekening zijn gebracht. Eiser stelde dat de gebruikte ramingen achterhaald en te laag waren en dat bepaalde kostenposten niet aan de naheffingsaanslag toegerekend mochten worden.
De rechtbank oordeelde dat de raming van het aantal naheffingsaanslagen gebaseerd is op de meest recente beschikbare cijfers ten tijde van de besluitvorming en dat een schatting vooraf is toegestaan. Ook bij een hogere werkelijke naheffingsaanslag zou het maximumtarief van €72,90 niet worden overschreden. Daarnaast achtte de rechtbank de kosten voor vergunningensysteem, belparkeren en parkeerautomaten gerechtvaardigd omdat deze onlosmakelijk verbonden zijn met het vaststellen van niet betaalde parkeerbelastingen, conform het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2026.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiser geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting en de kosten van €72,90 wordt ongegrond verklaard.