Belanghebbende parkeerde op 17 april 2021 zijn auto in Den Haag zonder de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. De gemeente legde een naheffingsaanslag op van €67,30, bestaande uit €2 parkeerbelasting en €65,30 aan kosten voor het opleggen van de aanslag, gebaseerd op de Verordening parkeerbelastingen Den Haag 2021 en het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen.
Het geschil betrof de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag en de kostenberekening, met name of de publicatie van het maximumbedrag tijdig was en of kosten van parkeerautomaten en apps mochten worden doorberekend. Het Hof oordeelde dat de publicatie op 1 september 2020 niet tot onverbindendheid leidt en dat de kosten van parkeerautomaten en apps meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen en dus toerekenbaar zijn.
De Hoge Raad bevestigde deze oordelen, benadrukte dat de bekendmakingsdatum niet fataal is en dat de kosten die meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting mogen worden doorberekend. Ook de raming van het aantal naheffingsaanslagen door de gemeente werd als juist beoordeeld. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.