Uitspraak
1.De procedure
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 25
- het verweerschrift, met producties 1 tot en met 5 en een voorwaardelijk tegenverzoek
- de akte van [verzoekster] met aanvullende producties 26 tot en met 30
- de akte van [verweerder] met aanvullende producties 6 tot en met 8
- de mondelinge behandeling van 21 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van een pleitnota/zittingsaantekeningen, die zij tijdens de mondelinge behandeling hebben overhandigd.
2.De kern van de zaak
3.De achtergrond van de zaak
4.De beoordeling
als voorwaarde voorhet bieden van zijn veiligheid en uiteindelijke oplossing van de situatie die tussen partijen is ontstaan, herhaald dat het incident door [verzoekster] als discriminatie moet worden gekwalificeerd en dat conform trede 4 moet worden gehandeld. Eerst daarna kon worden gesproken over wat nodig is voor zijn terugkeer naar de werkvloer. Zoals onder 4.13. is overwogen en geoordeeld, was [verzoekster] daartoe niet gehouden. Door ten onrechte aan deze voorwaarde te blijven vasthouden in alle gesprekken die [verzoekster] met hem heeft willen voeren over wat voor [verweerder] nodig is om op een verantwoorde wijze terug te keren naar de werkvloer, heeft [verweerder] de verhouding tussen hem en [verzoekster] op de spits gedreven en de impasse doen ontstaan. Van [verweerder] mocht worden verlangd dat hij wél met zijn werkgever in gesprek zou gaan over wat hij nodig heeft om op een verantwoorde wijze naar de werkvloer terug te keren, naast de maatregelen die [verzoekster] al had genomen. Zie ter nadere motivering hiervan wat hierna staat. [verweerder] is ten onrechte het gesprek hierover uit de weg gegaan.
- gesprekken gevoerd met beide leerlingen [A] en [B] en hun ouders over hun gedrag;
- is [B] voor de duur van een dag (op 12 november 2024) geschorst vanwege haar onacceptabele gedrag op 6 november 2024,
- de leerlingen [A] en [B] uit elkaar gehaald (in andere klassen geplaatst);
- bij de GSA onderzocht wat het incident met de leerlingen op school heeft gedaan en zo nodig maatregelen te treffen; en
- telefonisch advies gevraagd over de juiste handelswijze na het incident aan meerdere externe instanties, waaronder Scholl & Veiligheid en de vertrouwensinspecteur bij de Onderwijsinspectie. Die instanties bevestigden dat [verzoekster] op een correcte wijze invulling heeft gegeven aan het Veiligheidsbeleid en dat het doen van aangifte bij de politie tegen [B] niet nodig was.
- Erkenning van discriminatie bij het schelden met ‘kankerhomo’;
- Open informatie over wat er is gezegd en afgesproken met beide leerlingen;
- Dat de kwesties rondom deze twee leerlingen niet los van elkaar gezien en afgehandeld [verweerder] worden.
[verweerder] heeft weliswaar verzocht om het verzoek om ontbinding af te wijzen en aangegeven dat een terugkeer naar school voor hem tot de mogelijkheden behoort, maar daar gaat de kantonrechter niet in mee. Op de mondelinge behandeling bleek dat het gesprek tussen partijen ook steeds terugkomt op de kwalificatie van het incident en de stempel wel of geen discriminatie. Verder heeft wat er op de mondeling behandeling over en weer naar voren is gebracht niet bijgedragen aan wederzijds begrip, laat staan aan een begin van herstel van het onderling vertrouwen. De discussie over, bijvoorbeeld, de authenticiteit van de verklaringen en mededelingen van [verzoekster] over de afhandeling van het incident en de ongefundeerde stelling van [verweerder] dat de schorsingsbrief aan [B] achteraf gefabriceerd zou zijn heeft dit naar het oordeel van de kantonrechter pijnlijk duidelijk gemaakt. De conclusie is dan ook dat de arbeidsrelatie tussen partijen ernstig en duurzaam is verstoord en daarmee is sprake van een redelijke grond voor ontbinding.