Uitspraak
1.De procedure
2.De kern van de zaak
3.De beoordeling
.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
Rechtbank Midden-Nederland
De huurder sloot op 1 juli 2024 een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd met een overeengekomen minimumduur van 12 maanden. De huurder zegde de overeenkomst op per 30 april 2025, maar de verhuurder stelde dat opzegging voor 1 juli 2025 niet mogelijk was vanwege de minimumduur. De verhuurder verrekende vervolgens de waarborgsom en een boete met de huur voor mei en juni 2025.
De kantonrechter oordeelde dat de bepaling over de minimumduur in strijd is met artikel 7:271 lid 6 sub a BW Pro, dat bepaalt dat de huurder een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd kan opzeggen met een opzegtermijn van minimaal een maand. Elke langere opzegtermijn is nietig. De minimumduur is daarmee nietig en de huurder mocht de overeenkomst eerder opzeggen.
De verhuurder moest de waarborgsom en de onverschuldigd betaalde boete terugbetalen, vermeerderd met wettelijke rente. De vordering tot incassokosten werd afgewezen omdat geen incassowerkzaamheden waren gesteld. De verhuurder werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De overeengekomen minimumduur van 12 maanden is nietig, huurder mocht de huurovereenkomst eerder opzeggen en verhuurder moet onverschuldigde bedragen terugbetalen.