ECLI:NL:RBMNE:2026:987

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
12024157 AE VERZ 25-77 CFd/63200
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 7:669 lid 3 sub g BWArt. 7:669 lid 3 sub e BWArt. 7:669 lid 3 sub i BWArt. 7:699 lid 3 sub d BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst afgewezen wegens ontbreken verstoorde arbeidsrelatie

Fort33 verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op grond van een verstoorde arbeidsrelatie en ernstig verwijtbaar handelen. [verweerder] betwistte dit en diende een tegenverzoek in voor transitie- en billijke vergoeding.

De kantonrechter oordeelde dat Fort33 onvoldoende had onderbouwd dat sprake was van disfunctioneren of een duurzame vertrouwensbreuk. [verweerder] had geen gelegenheid gekregen om zijn functioneren te verbeteren, ook niet tijdens zijn arbeidsongeschiktheid. De bedrijfsarts had hem medisch inzetbaar verklaard, maar Fort33 had hem niet opgeroepen.

Ook was er geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder]. De door Fort33 genoemde tekortkomingen waren onvoldoende ernstig en niet onderbouwd. Het verzoek tot ontbinding werd daarom afgewezen. Het tegenverzoek tot teruggave van persoonlijke eigendommen werd eveneens afgewezen omdat de arbeidsovereenkomst nog niet was geëindigd.

Fort33 werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan [verweerder]. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard voor zover het de proceskosten betreft.

Uitkomst: Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen wegens het ontbreken van een verstoorde arbeidsrelatie en ernstig verwijtbaar handelen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 12024157 AE VERZ 25-77 CFd/63200
Beschikking van 4 maart 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
Stichting Fort33 Cultuurpodium Leusden,
vestigingsplaats: Leusden,
verzoekster,
verweerster in het tegenverzoek,
hierna te noemen: Fort33,
gemachtigde: mr. M.C. Jilderda,
tegen
[verweerder] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
verweerder,
verzoeker in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. A.J. Verweij.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van Fort33, met bijlagen;
  • het verweerschrift van [verweerder] met een (voorwaardelijk) tegenverzoek en bijlagen.
  • een brief van Fort33 van 5 februari 2026, met bijlagen
  • een brief van [verweerder] van 6 februari 2026, met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van Fort33;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [verweerder] .
1.2.
Op 11 februari 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Namens Fort33 zijn verschenen, de heer [A] ( [functie 1] ) en de heer [B] ( [functie 2] ) met mr. M.C. Jilderda. [verweerder] was aanwezig met mr. A.J. Verweij.
1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De beoordeling

Geen schending van waarheidsplicht of ‘obscuur libel’
2.1.
Het meest verstrekkende verweer van [verweerder] is dat Fort33 de waarheidsplicht van artikel 21 Rv Pro heeft geschonden. De kantonrechter verwerpt dat verweer. Er is namelijk niet gebleken dat Fort33 feiten heeft gesteld waarvan zij weet dat die feiten niet juist zijn of niet juist kunnen zijn. Ook is niet gebleken dat zij feiten heeft achtergehouden waardoor de rechter en de wederpartij op het verkeerde been zijn gezet.
2.2.
Van een ‘obscuur libel’ is evenmin sprake. [verweerder] heeft naar voren gebracht dat het verzoekschrift geen duidelijke omschrijving omvat van het verzoek en de gronden waarop het verzoek berust. Naar het oordeel van de kantonrechter had het verzoekschrift weliswaar duidelijker kunnen zijn, maar is het niet zo dat [verweerder] onvoldoende adequaat op het verzoekschrift heeft kunnen reageren. Integendeel, [verweerder] heeft een uitgebreid verweerschrift van 39 pagina’s (exclusief bijlagen) ingediend. De kantonrechter concludeert dan ook dat [verweerder] niet in zijn belangen is geschaad en gaat over tot inhoudelijke behandeling van het verzoek.
Achtergrond van de zaak
2.3.
Fort33 is een cultuurpodium, waar verschillende (concert)zalen, een opnamestudio en werkplekken met elkaar zijn verbonden. Fort33 is een kleine organisatie bestaande uit 2,11 fte. [verweerder] is binnen Fort33 verantwoordelijk voor het coördineren en efficiënt laten verlopen van interne processen en werkzaamheden binnen Fort33. Hij ondersteunt en assisteert het bestuur. [1] [verweerder] is werkzaam voor 32 uur per week tegen een bruto salaris van € 4.732,48. Sinds 1 januari 2024 is er een (geheel) nieuw bestuur aangetreden.
2.4.
Op 11 april 2025 heeft [verweerder] zich ziekgemeld. Het bestuur was daardoor genoodzaakt om dichter op de bedrijfsvoering te zitten. Volgens eigen zeggen kwam zij er toen achter dat er sprake was van ernstige tekortkomingen in het functioneren van [verweerder] . Fort33 is daardoor al het vertrouwen in [verweerder] verloren. Dat heeft geleid tot een verstoorde arbeidsrelatie, aldus Fort33.
Wat willen partijen?
2.5.
Fort33 verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden. Primair omdat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie (g-grond) Subsidiair omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen (e-grond). Meer subsidiair omdat sprake is van een combinatie van de hiervoor genoemde gronden waardoor het niet redelijk is dat de arbeidsovereenkomst blijft bestaan (i-grond).
2.6.
[verweerder] is het niet eens met het verzoek en vindt dat het moet worden afgewezen. Als de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt, verzoekt [verweerder] Fort33 te veroordelen om een transitievergoeding van € 11.010,59 bruto te betalen. Ook verzoekt [verweerder] in dat geval om een billijke vergoeding van € 75.000,-. Volgens [verweerder] is de ontbinding namelijk het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Fort33. Daarnaast stelt [verweerder] dat er nog een aantal persoonlijke eigendommen van hem op kantoor liggen. [verweerder] eist dat Fort33 deze eigendommen aan hem teruggeeft.
Opzegverbod?
2.7.
De kantonrechter mag niet ontbinden als er een opzegverbod geldt, tenzij het ontbindingsverzoek geen verband houdt met het opzegverbod of als het eindigen van de arbeidsovereenkomst ook in het belang van de werknemer is. [verweerder] is sinds 11 april 2025 arbeidsongeschikt en doet een beroep op dit opzegverbod. Fort33 stelt dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met de ziekte van [verweerder] .
2.8.
De kantonrechter laat hier in het midden of het verzoek verband houdt met de ziekte van [verweerder] . Fort33 heeft namelijk geen redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het verzoek tot ontbinding wordt daarom afgewezen. De beslissing wordt hierna toegelicht.
Geen sprake van een verstoorde arbeidsrelatie (artikel 7:669 lid 3 sub g BW Pro)
2.9.
Omdat Fort33 aan de door haar gestelde vertrouwensbreuk disfunctioneren ten grondslag legt, kan alleen worden aangenomen dat niet van haar kan worden verwacht de arbeidsovereenkomst voort te zetten, indien (ook) is voldaan aan de vereisten van artikel 7:699 lid 3 sub d BW Pro (disfunctioneren). Daaraan is niet voldaan. Fort33 heeft [verweerder] op 25 juni 2025 medegedeeld dat hij niet functioneert en ernstig heeft gefaald als [functie 3] . Volgens Fort33 handelt [verweerder] buiten zijn bevoegdheden, veroorzaakt hij ernstige financiële problemen, negeert hij opdrachten van het bestuur en veronachtzaamd hij zijn taken met betrekking tot sponsoring, fondsenwerving en subsidies. [verweerder] betwist dat.
2.10.
De kantonrechter begrijpt dat Fort33 tijdens de afwezigheid van [verweerder] meer zicht kreeg op de operationele taken binnen Fort33. Het zou zo kunnen zijn dat daardoor zaken aan het licht kwamen die in haar ogen beter hadden gekund. Dat betekent echter niet meteen dat [verweerder] heeft gefaald in zijn werkzaamheden of ernstig tekortschiet. Fort33 heeft dat onvoldoende onderbouwd. [verweerder] heeft bovendien geen enkele gelegenheid gekregen om verbetering te laten zien. [verweerder] is pas voor het eerst na zijn ziekte geconfronteerd met de mededeling dat hij volgens Fort33 in zijn functioneren ernstig te kort schiet. Een werkgever is verplicht om een werknemer in voldoende mate in de gelegenheid te stellen zijn functioneren te verbeteren. Dat vereiste geldt, anders dan Fort33 kennelijk meent, ook in de periode dat een werknemer arbeidsongeschikt is. [verweerder] was ook geschikt voor re-integratie. De bedrijfsarts heeft namelijk op 6 mei 2025 al aangegeven dat [verweerder] medisch inzetbaar was. Fort33 heeft hem desondanks niet opgeroepen voor werkzaamheden en [verweerder] de toegang tot Fort33 ontzegt. Daardoor heeft zij onzorgvuldig gehandeld en de verhoudingen tussen partijen onnodig op scherp gezet. Voor zover de arbeidsrelatie verstoort is ligt het op de weg van Fort33 om die relatie te herstellen. Bijvoorbeeld door de eerder gestarte mediation weer op te pakken. Voorafgaand aan de periode van arbeidsongeschiktheid waren er geen problemen. Op dit moment is dan ook onvoldoende aannemelijk dat er sprake is van een duurzaam verstoorde arbeidsrelatie.
Geen sprake van (ernstig) verwijtbaar handelen (artikel 7:669 lid 3 sub e BW Pro)
2.11.
Van (ernstig) verwijtbaar handelen van [verweerder] is evenmin sprake. Dat Fort33 door toedoen van [verweerder] in financieel zwaar weer terecht is gekomen wordt betwist en Fort33 heeft dat op geen enkele manier onderbouwd. Fort33 voert aan dat zij onderzoek heeft laten doen naar het functioneren van [verweerder] en dat daaruit een aantal ernstige tekortkomingen naar voren zijn gekomen. Zij verwijst naar punt 14 tot en met punt 22 van het verzoekschrift. Dat na de ziekmelding van [verweerder] zou zijn gebleken dat een vergunningaanvraag voor een evenement ( [.] ) niet volledig was, mails aan serviceclubs niet zouden zijn verstuurd of een subsidie niet zou zijn geclaimd, kan niet worden beschouwd als (ernstig) verwijtbaar handelen. Ook de andere door Fort33 genoemde voorbeelden kunnen niet worden gekwalificeerd als (ernstig) verwijtbaar handelen.
Er is geen sprake van de combinatiegrond
2.12.
Omdat geen sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding en ook niet van verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] , is ook geen sprake van een combinatie van omstandigheden als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub i BW Pro.
Het verzoek tot ontbinding wordt afgewezen
2.13.
De conclusie is dat het verzoek tot ontbinding wordt afgewezen. Omdat de verzochte ontbinding wordt afgewezen, hoeven de voorwaardelijke tegenverzoeken niet meer besproken te worden.
Zelfstandig tegenverzoek
2.14.
[verweerder] stelt dat er bij Fort33 op kantoor een aantal persoonlijke eigendommen van hem liggen. Fort33 heeft dat niet betwist. [verweerder] stelt dat Fort33 bij het einde van zijn arbeidsovereenkomst die persoonlijke eigendommen moet afgeven. Er is geen sprake van een einde van de arbeidsovereenkomst en het is daarom onduidelijk welk belang [verweerder] op dit moment bij dit verzoek heeft. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
2.15.
Fort33 moet de proceskosten betalen omdat haar verzoek wordt afgewezen. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [verweerder] tot vandaag vast op € 865,- aan salaris voor de gemachtigde. Voor kosten die [verweerder] maakt na deze uitspraak moet Fort33 een bedrag betalen van € 144,-. In totaal moet Fort33 € 1.009,- aan [verweerder] betalen. In het tegenverzoek wordt [verweerder] veroordeeld in de proceskosten, die aan de kant van Fort33 worden vastgesteld op nihil.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.16.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard voor zover het de proceskostenveroordeling betreft.

3.De beslissing

De kantonrechter:
In het verzoek
3.1.
wijst het verzoek af;
3.2.
veroordeelt Fort33 in de proceskosten, die aan de kant van [verweerder] tot vandaag worden vastgesteld op € 1.009,-;
3.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
In het zelfstandig tegenverzoek
3.4.
wijst het verzoek af;
3.5.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, die aan de kant van Fort33 worden vastgesteld op nihil.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

Voetnoten

1.Zoals blijkt uit zijn functieprofiel (productie 5 bij dagvaarding).