Eiseres, handelend namens een bedrijf, betwistte de oplegging van antidumpingrechten door de Belastingdienst/Douane wegens vermeende oorsprongsfraude van silicium uit Taiwan. De rechtbank onderzocht of het recht van verdediging was geschonden, of voldoende bewijs bestond voor afwijking van de aangiften, en de geldigheid van Verordening (EG) 398/2004.
De rechtbank oordeelde dat het recht van verdediging niet was geschonden omdat eiseres voldoende gelegenheid had gekregen om te reageren op het voornemen tot oplegging van de rechten. Ook was er geen grond voor het betoog dat eiseres geen opheldering kon vragen aan haar opdrachtgever.
Met betrekking tot het bewijs concludeerde de rechtbank dat de Douane voldoende bewijs had geleverd dat de oorsprong van het silicium China was, mede op basis van OLAF-rapporten, Taiwanese autoriteitenschema's en facturen. De rechtbank verwierp het standpunt van eiseres dat het bewijs onvoldoende was. Daarnaast werd het subsidiaire standpunt dat Verordening (EG) 398/2004 niet geldig zou zijn, verworpen; de rechtbank oordeelde dat Noorwegen als referentieland terecht was gekozen.
Ten slotte werd het beroep op artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW afgewezen omdat geen sprake was van preferentiële oorsprong en de certificaten van oorsprong niet door bevoegde douaneautoriteiten waren afgegeven. De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.