Uitspraak
Door de raadsvrouw van verdachte is gesteld dat het Openbaar Ministerie – door niet eerder strafrechtelijk handhavend op te treden – heeft gehandeld in strijd met de beginselplicht tot voortvarendheid in de strafrechtelijke handhaving. Prioriteit kan hierbij geen rol hebben gespeeld, nu verdachte reeds vanaf 2011 – in het onderzoek Vinson (de voorloper van onderzoek Everest) – onderwerp van onderzoek naar een of meer 12-jaars feit(en) was. Ook opsporings- en/of strategische overwegingen kunnen hierbij evenmin een rol hebben gespeeld. Reeds uit het onderzoek Vinson zijn gelet op de grote hoeveelheden verdovende middelen die in dat kader onderschept zijn, voldoende redenen gebleken om strafrechtelijk handhavend op te treden tegen verdachte. Voorts is [hoofdverdachte] de hoofdverdachte in het onderzoek Everest, zodat ook in de wens om de ‘grote vis’ te vangen geen reden gelegen kan zijn om niet eerder in te grijpen. Door doelbewust af te wachten om op een later tijdstip in te grijpen zijn er verdovende middelen in de samenleving terechtgekomen. Hiermee heeft het Openbaar Ministerie in strijd gehandeld met het doorlaatverbod van artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv) en is tevens sprake van een combinatie van schendingen waardoor een schending van de beginselen van de goede procesorde kan worden aangenomen.
De verdediging heeft opgemerkt dat het Openbaar Ministerie – in elk geval voor wat betreft feit 3 op de tenlastelegging – niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Verdachte was, blijkens het hem toegekende parketnummer, reeds in 2011 in onderzoek Vinson aangemerkt als verdachte. Daarna is het onderzoek Everest gestart. Diverse keren is door de verdediging verzocht om te kunnen beschikken over het volledige dossier Vinson, hetgeen niet mogelijk is gebleken. Hierdoor heeft de verdediging niet volledig kunnen toetsen of de start van het onderzoek naar verdachte en het verdere verloop rechtmatig is geweest. Ook mist de verdediging mogelijk ontlastende stukken uit het dossier Vinson. Dit geldt te meer nu de periode van feit 3 (de aan verdachte ten laste gelegde criminele organisatie) aanvangt in 2011, dus voor de start van onderzoek Everest.
Op 2 mei 2011 is het Schipholteam gestart met onderzoek Hazelaar. Vanaf 6 juni 2011 tot
2 april 2012 is het onderzoek projectmatig aangepakt en om die reden onder de naam Vinson overgenomen door de afdeling Zware Criminaliteit van de KMar. Het onderzoek richtte zich primair op een organisatie die zich bezig zou houden met de invoer van cocaïne via de luchthaven Schiphol met behulp van aldaar werkzame corrupte bagagemedewerkers. Tijdens onderzoek Vinson kwam onder andere als verdachte naar voren bagagemedewerker [hoofdverdachte] (hierna ook te noemen: [hoofdverdachte]).
[e-mailadres 1],
[e-mailadres 2]en
[e-mailadres 3]en is in de woning van [medeverdachte 1] een BlackBerry telefoontoestel gevonden met telefoonnummer [telefoonnummer 3 medeverdachte 1] waarvan het hoofdmenu via twee sneltoetsen toegang geeft tot de mailbox
surimaria@hotmail.com [5] , zodat de rechtbank ook de daarmee gevoerde e-mailconversaties aan verdachte zal toeschrijven. Een en ander voor zover in het navolgende geen andersluidend oordeel is gegeven.
[e-mailadres 1]:
[e-mailadres 3]waarin onder meer is geschreven dat het pakket verstuurd dient te worden aan afhandelingsadres [reisbureau], [adres reisbureau] te Amsterdam. Verder schrijft [medeverdachte 1] onder meer: ‘je moet de goederen doen in een grote kartonnen doos van tenminste 60 tot 70 cm. Het pakje breken in drie stukken en wikkelen in spijkerstof. De rest van de doos vullen met fruit en dergelijke. De drie stukken goed verpakken, vacumeren. Natuurlijk het geheel moet absoluut reukvrij zijn. Dat is alles. Kans op ontdekking erg klein.’ [57]
Dat, zoals [medeverdachte 1] heeft verklaard, ten aanzien van het eerste postpakket sprake was van een proefzending en dat er slechts organisch materiaal in het pakket zat, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Uit de weergegeven bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het gaat om de (opzettelijke) invoer van cocaïne. [medeverdachte 1] verklaart dat hij bezig is met cocaïnehandel. De wijze van aanpak en de moeite die verdachte en zijn medeverdachten doen om het pakket te verzenden en te onderscheppen wijzen niet op een test. Zo heeft [medeverdachte 1], nadat bleek dat het pakket bij een ander postorderbedrijf was aangekomen, een kopie van het paspoort van [betrokkene 2] nagemaakt teneinde het pakket alsnog te kunnen ophalen. Ook de gesprekken waarin gesproken wordt over bedragen en percentages en het feit dat [medeverdachte 1] € 8.500,- overhandigt aan [hoofdverdachte] wijzen op een geslaagde invoer. Dit geldt te meer nu daar waar gesproken wordt over de beloning, de inhoud hiervan overeenkomt met de marktprijzen voor één kilogram cocaïne op dat moment. Zo is 8½ exact 25% van € 34.000,-, de prijs die in een gesprek tussen [hoofdverdachte] en [medeverdachte 1] genoemd wordt. De inhoud van de door verdachte en zijn medeverdachten gevoerde gesprekken laat geen ruimte voor een andere conclusie dan dat er sprake is geweest van de invoer van ongeveer één kilogram cocaïne en dat verdachte en zijn medeverdachten dit wisten.
Tijdens het gesprek in de Mazda zegt [medeverdachte 8] aan [hoofdverdachte] ‘Wat is er nou de laatste keer gebeurd. Laatste keer hebben ze (..) waren ze al bezig geweest met omboeken van die ticket (..) Dus wat hebben hun gedaan, ze hebben hem omgeboekt naar Parijs. (..) Althans ze hebben hem niet omgeboekt, maar ze hebben het wel gezegd. Dus die reisbureau heeft het wel gedaan. Stond ie daar bij de gate, had ie twee boekingen. Eentje naar Parijs, eentje naar Madrid. (..) Dus toen hebben ze het risico niet genomen. (..) Toen hebben ze gisteren die ticket van Barcelona hebben ze omgeboekt.’ Op de vraag van [hoofdverdachte] ‘naar..’, antwoordt [medeverdachte 8] ‘Vandaag. [..] Dus vandaag vertrekken, morgen aankomen. [..] Dit is de drie dingen die ik al gehad heb he.Dit is de naam, denk ik toch. Hebben ze weer meer bij gedaan bij die van E, één koffer. [..] Vijftien.’ [hoofdverdachte] reageert: ‘Hoeveel?’ waarop [medeverdachte 8] nog eens zegt ‘Vijftien.’ [hoofdverdachte] zegt dat het niet uitmaakt en [medeverdachte 8] zegt dat het in één koffer zit en dat die foto’s van deze koffer waren, van deze. [hoofdverdachte] vraagt: ‘Drie tassen, drie in één toch?’ waarop [medeverdachte 8] hem antwoordt ‘Hmm, tas, en een kleine koffer in een grote koffer. [..] Ja. Met gewoon kleding op. (..) Deze was gister, een streep zo’n schuine streep.’ [hoofdverdachte] zegt hierop ‘Dit zit erin. [..] Met daarin een kleine koffer jongen, wat denk je nou wat voor ruimte hebben ze nog om kleren te zetten?’ [medeverdachte 8] reageert hierop met ‘Ze hebben, hij zegt dat hij nog kleren erbij heb gezet, dus eehh…’ [hoofdverdachte] zegt dat het oké is. Om 12:21 uur stapt [medeverdachte 8] weer uit de Mazda, waarna de Mazda en de Piaggio om 12:22 uur wegrijden. [285]