Bewoners van een appartement boven een winkelruimte dagvaarden de eigenaar en exploitanten van een trattoria in de winkelruimte wegens overtreding van het horecaverbod in het splitsingsreglement. De winkelruimte is gesplitst als winkelbestemming, terwijl de bewoners stellen dat het horecaverbod in het splitsingsreglement overtreden wordt door de trattoria die lichte horeca exploiteert.
De rechter bevestigt dat de trattoria als horeca moet worden aangemerkt en dat het horecaverbod in het splitsingsreglement algemeen is geformuleerd, zonder onderscheid tussen lichte of zware horeca. De exploitanten handelen daarmee in beginsel onrechtmatig jegens de bewoners.
Echter, de bewoners maken onvoldoende aannemelijk dat de overlast door de trattoria zwaarder is dan die van een winkel, mede door investeringen in geluids- en geurbeperkende voorzieningen. De belangenafweging leidt tot afwijzing van de vordering tot staking van de horeca-activiteiten. De bewoners worden veroordeeld in de proceskosten.