Uitspraak
Ontstaan en loop van de gedingen
Rechtbank Noord-Holland
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen voorlopige aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2007, 2008 en 2009, die door verweerder waren opgelegd op basis van een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk €48.842 en €84.790 voor 2007 en 2008. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd de zaak meerdere malen terugverwezen en herbeoordeeld, waarbij de voorlopige aanslagen werden verminderd.
De rechtbank heeft vastgesteld dat verweerder tijdig en voldoende stukken heeft overgelegd die de hoogte van de voorlopige aanslagen onderbouwen, waaronder een relaas van bevindingen met meldingen van gebreken in de administratie en onverklaarde stortingen. Dit gaf voldoende grondslag om de voorlopige aanslagen op het opgelegde niveau te handhaven.
Hoewel eiser hoger beroep heeft ingesteld tegen de definitieve aanslagen, die lager zijn vastgesteld, betreft het huidige geschil alleen de voorlopige aanslagen. De rechtbank oordeelt dat eiser geen ander belang heeft dan de hoogte van de belastingschuld en verklaart het beroep tegen de voorlopige aanslagen ongegrond. De procedurekosten worden niet toegewezen.
Het hoger beroep over de definitieve aanslagen is nog aanhangig bij het Hof Amsterdam, dat een oordeel zal geven over de definitieve belastingschuld na verrekening van de voorlopige aanslagen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de voorlopige aanslagen inkomstenbelasting 2007 en 2008 ongegrond.