ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ8975
Rechtbank Noord-Holland
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring bezwaarschrift tegen afwijzing verzoek schouw in mini-instructie
Klager had een verzoek ingediend bij de rechter-commissaris om een schouw te verrichten in het kader van een mini-instructie, gericht op het vaststellen van afstanden die relevant zijn voor de strafzaak. Dit verzoek werd op 3 januari 2013 afgewezen door de rechter-commissaris. Klager maakte bezwaar tegen deze afwijzing, waarbij het geschil zich richtte op de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift en de noodzaak van de schouw.
De officier van justitie stelde dat klager niet ontvankelijk was omdat het verzoek was gedaan vóór de inwerkingtreding van de Wet versterking positie rechter-commissaris, maar de beslissing na de inwerkingtreding was genomen. De raadsvrouw betoogde dat klager wel ontvankelijk was omdat het bezwaar na de wetswijziging was ingediend en de overgangsbepalingen niet op mini-instructies van toepassing zijn. De rechtbank oordeelde dat het nieuwe artikel 182 lid 6 Sv Pro directe werking heeft op verzoeken tot mini-instructie en verklaarde klager ontvankelijk.
Inhoudelijk overwoog de rechtbank dat de rechter-commissaris terecht het verzoek tot schouw had afgewezen omdat de schouw niet van belang is voor enige beslissing in de strafzaak. De verklaringen van de verbalisant en getuige werden als voldoende betrouwbaar beoordeeld, ook al betwist klager de afstandsschattingen. De rechtbank stelde vast dat het verrichten van een schouw hooguit aanvullende informatie zou opleveren over de afstand, maar dit zou de kern van de verklaringen niet aantasten.
De rechtbank concludeerde dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot haar beslissing kon komen en verklaarde het bezwaarschrift ongegrond. De beschikking werd uitgesproken door een meervoudige raadkamer op 25 maart 2013.
Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen de afwijzing van het verzoek tot schouw is ongegrond verklaard.