ECLI:NL:RBNHO:2013:CA0283
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beslissing tot achterwege laten van voorwaardelijke invrijheidstelling wegens ernstige misdragingen in detentie
De rechtbank Noord-Holland behandelde op 13 mei 2013 de vordering van de officier van justitie tot het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling van een veroordeelde die was veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden wegens medeplichtigheid aan afpersing en opzetheling.
Uit het advies van de vestigingsdirecteur van de Penitentiaire Inrichting bleek dat de veroordeelde zich tijdens detentie herhaaldelijk ernstig had misdragen, waaronder het negeren van aanwijzingen tijdens een alarmsituatie, bezit van een mobiele telefoon in de cel, vernieling van eigendommen en het aantreffen van contrabande. De Reclassering rapporteerde bovendien dat de veroordeelde onvoldoende gemotiveerd was voor begeleiding en dat eerdere gedragsinterventies waren mislukt.
De verdediging voerde aan dat de genoemde gedragingen niet als ernstig konden worden aangemerkt en dat de conclusies van de Reclassering voorbarig waren. De rechtbank verwierp deze verweren en oordeelde dat de disciplinaire straffen en gedragingen voldoende bewijs vormden voor ernstige misdragingen.
Op grond van artikel 15d lid 1 van het Wetboek van Strafrecht besloot de rechtbank de voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege te laten. De veroordeelde zal op 11 oktober 2013 in vrijheid worden gesteld zonder voorwaardelijke invrijheidstelling.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe vanwege ernstige misdragingen tijdens detentie.