ECLI:NL:RBNHO:2013:CA3935

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 juni 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12-5352
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 6:5 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging compensatievoorwaarde samenvoegingsvergunning wegens onzorgvuldige motivering

Eisers ontvingen een samenvoegingsvergunning onder de voorwaarde dat zij een financiële compensatie zouden betalen. Verweerder wees het bezwaar tegen deze voorwaarde af, waarna eisers beroep instelden bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelde in een tussenuitspraak dat het bestreden besluit onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd, in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder kreeg de gelegenheid om de gebreken te herstellen, maar maakte hier geen gebruik van.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit voor zover daarin de compensatievoorwaarde is opgenomen. De rechtbank overweegt dat verweerder onvoldoende heeft aangetoond dat het belang van de woonruimtevoorraad zwaarder weegt dan dat van eisers. Tevens wordt het door eisers betaalde griffierecht vergoed.

De uitspraak is gedaan door rechter W.J.A.M. van Brussel en griffier drs. A.F. Hermus-Zoetmulder op 5 juni 2013. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de compensatievoorwaarde bij de samenvoegingsvergunning wordt herroepen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 12 - 5352
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2013 in de zaak tussen
[eiser],
eiser,
[eiseres],
eiseres,
wonende te [woonplaats],
hierna gezamenlijk te noemen: eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van Velsen,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 22 mei 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een vergunning verleend voor het samenvoegen van de woningen aan de [adres] onder de voorwaarde dat door eiser een financiële compensatie wordt betaald.
Bij besluit van 12 oktober 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2013. Eisers zijn in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Dooijes.
Bij tussenuitspraak van deze rechtbank van 28 maart 2013 is verweerder in de gelegenheid gesteld binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
Verweerder heeft deze termijn ongebruikt laten verstrijken.
De rechtbank heeft vervolgens met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege kan blijven. Bij brief van 27 mei 2013 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat het onderzoek wordt gesloten en dat uitspraak zal worden gedaan.
Overwegingen
1. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en daarmee in strijd is met artikel 3:2 van Pro de Awb. Eveneens ontbreekt een deugdelijke motivering, waardoor artikel 7:12 van Pro de Awb is geschonden. De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder deze gebreken kan herstellen door alsnog af te zien van een compensatievergoeding, hetzij door de motivering voor de vaststelling van de compensatievergoeding aan te vullen.
2. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak verder overwogen dat indien verweerder de voorwaarde van een compensatievergoeding handhaaft, verweerder ter plekke in de woningen aan de [adres] onderzoek moet doen naar de staat van de samen te voegen woningen en de bouwkundige splitsing. Mede op basis van de uitkomsten van dit onderzoek dient verweerder een standpunt in te nemen over de vraag of de beoogde samenvoeging een bijdrage levert aan de verbetering van de kwaliteit van de woonruimtevoorraad. Met inachtneming hiervan zal verweerder opnieuw de belangenafweging als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de Huisvestingsverordening dienen te maken. Ten slotte dient verweerder nader te motiveren waarin de beoogde samenvoeging van de woningen van eiser verschilt van de samenvoeging van duplexwoningen in de gemeente Velsen, waarvoor geen compensatievergoeding is vastgesteld.
3. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet binnen de daartoe gestelde termijn van twee weken na verzending van de tussenuitspraak kenbaar heeft gemaakt of van de gelegenheid tot herstel gebruik zal worden gemaakt. Evenmin heeft verweerder verzocht om verlenging van deze termijn. De rechtbank heeft niets van verweerder vernomen en leidt daaruit af dat verweerder geen gebruik wenst te maken van de geboden gelegenheid tot herstel. Het beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Zoals in de tussenuitspraak is overwogen, wordt het bestreden besluit eveneens vernietigd wegens strijd met artikel 6:5 van Pro de Awb, omdat verweerder in strijd met de wet op het bezwaar van eiseres heeft beslist.
4. Gelet op de proceshouding van verweerder in samenhang met de omstandigheid dat het bestreden besluit op meerdere onderdelen wordt vernietigd en de gebreken niet eenvoudig kunnen worden hersteld, acht de rechtbank het niet opportuun om verweerder thans op te dragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
5. Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb (oud) zelf in de zaak voorzien. Zij overweegt daartoe als volgt. Uit artikel 24, vierde lid, van de Huisvestingsverordening Velsen 2011 volgt dat verweerder een compensatievergoeding kan opleggen indien hij heeft vastgesteld dat het belang van de aanvrager bij het verkrijgen van een samenvoegingsvergunning niet opweegt tegen het belang van behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad. Uit hetgeen in de tussenuitspraak reeds is overwogen volgt dat verweerder zijn standpunt dat het belang van de woonruimtevoorraad in het onderhavige geval zwaarder weegt dan het belang van eiser, onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Derhalve is niet vast komen te staan dat het belang van de woonruimtevoorraad dient te prevaleren, zodat er geen grond is voor de vastgestelde compensatievergoeding. Het bestreden besluit berust in zoverre op een ontoereikende feitelijke grondslag. De rechtbank herroept daarom het primaire besluit van 22 mei 2012 voor zover daarin is bepaald dat eiser een compensatievergoeding dient te betalen.
6. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 12 oktober 2012;
- herroept het primaire besluit van 22 mei 2012 voor zover daarin aan de verleende samenvoegingsvergunning de voorwaarde is verbonden dat eiser een financiële compensatie dient te betalen;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 156,00 aan hem te vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, rechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2013.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Let wel:
Gegrondverklaring van het beroep betekent niet dat eiser op alle onderdelen van het beroep gelijk heeft gekregen. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank onder overwegingen 5, 6, 11 en 12 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beroepsgronden verworpen. Als eiser het daarmee niet eens is, zal hij tegen de tussenuitspraak hoger beroep moeten instellen.