ECLI:NL:RBNHO:2014:12947

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 augustus 2014
Publicatiedatum
19 februari 2015
Zaaknummer
15/860072-14
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor handel in cocaïne en MDMA met vrijspraak voor witwassen

In deze strafzaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 1 augustus 2014 uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van de handel in cocaïne en MDMA, alsook van witwassen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte, in de periode van 1 augustus 2013 tot en met 12 april 2014, samen met anderen opzettelijk cocaïne heeft verkocht en vervoerd in Volendam, Edam en elders in Nederland. De verdachte werd ook beschuldigd van het voorhanden hebben van cocaïne en MDMA op 12 april 2014 in Hoorn. Tijdens de rechtszitting op 18 juli 2014 heeft de officier van justitie, mr. G. Visser, gevorderd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, terwijl de verdediging, vertegenwoordigd door mr. A.A. Bloemberg, pleitte voor vrijspraak van de handel in cocaïne en het witwassen. De rechtbank heeft de bewijsvoering van de officier van justitie beoordeeld, waarbij onder andere afgeluisterde telefoongesprekken en getuigenverklaringen zijn meegenomen. De rechtbank oordeelde dat er voldoende bewijs was voor de handel in cocaïne en MDMA, maar sprak de verdachte vrij van het witwassen van een geldbedrag van € 15.222,80, omdat de herkomst van dit bedrag niet overtuigend kon worden bewezen. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast zijn er voorwaarden verbonden aan de voorwaardelijke straf, waaronder verplicht contact met de reclassering en deelname aan een gedragsinterventie. De rechtbank heeft ook beslist over de in beslag genomen voorwerpen, waarbij de telefoon, weegschaal en blender zijn verbeurd verklaard, terwijl het geldbedrag aan de verdachte is teruggegeven.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/860072-14
Uitspraakdatum: 1 augustus 2014
Tegenspraak
Promisvonnis
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 juli 2014 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres
[adres],
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Amsterdam Over-Amstel, locatie Demersluis.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. G. Visser en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.A. Bloemberg, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
onder feit 1:
hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2013 tot en met 12 april 2014 te Volendam en/of Edam en/of Monnickendam en/of Hoorn en/of (elders in Nederland), (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een hoeveelheid cocaïne en/of MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
onder feit 2:
hij op of omstreeks 12 april 2014 te Hoorn opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid cocaïne en/of MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
onder feit 3:
hij op of omstreeks 12 april 2014, te Hoorn, althans in Nederland, een geldbedrag van 15.222 euro, althans een groot geldbedrag , heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Bewijs

3.1
Inleiding
In november 2013 en februari 2014 is bij de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) van de Nationale Politie informatie binnengekomen, waarin werd gesteld dat een man, genaamd Oscar, zich samen met Boed(d)ha bezighield met het dealen van cocaïne in Volendam. Op 27 januari 2014 was er op het politiebureau te Volendam reeds een melding ontvangen, waarin twee mannen, tevens genaamd Oscar en Boedha, in verband werden gebracht met de handel in cocaïne. Naar aanleiding van voornoemde informatie is de politie onder de naam Astoria een onderzoek gestart naar vermeende drugshandel door Oscar en Boedha. In de CIE-informatie werd melding gemaakt van een telefoonnummer, waarvan Oscar en Boedha gebruik zouden maken. De politie heeft op dit nummer en op het imeinummer van het bij het telefoonnummer gebruikte telefoontoestel een tap aangesloten. Uit de tapgesprekken bleek dat het telefoontoestel en het nummer gebruikt werden door Oscar. De inhoud van de tapgesprekken bevestigde het vermoeden van de politie dat Oscar zich schuldig maakte aan de handel in verdovende middelen. Met gebruikmaking van de informatie uit de tapgesprekken is de politie vervolgens een observatie gestart. Tijdens deze observatie werden foto’s van Oscar en het kenteken van de scooter van Oscar gemaakt. Het aan de hand van deze foto’s verrichte onderzoek leidde tot de verdenking dat Oscar in werkelijkheid [medeverdachte], vader van verdachte en medeverdachte in de onderhavige zaak, betrof. Uit de afgetapte gesprekken bleek de politie voorts dat Oscar zeer waarschijnlijk in zijn handelsvoorraad verdovende middelen werd voorzien door een persoon, genaamd [naam 3] of [naam 4]. Na onderzoek naar de identiteit van deze [naam 3] of [naam 4] bleek het hier vermoedelijk te gaan om verdachte. Bij een doorzoeking in de woning van verdachte werden wikkels, poeder, kristallen, een grote hoeveelheid pillen en € 15.222,80 aan contanten aangetroffen. Het telefoonnummer van Boedha werd door de politie verkregen, doordat Oscar een tekstbericht met het telefoonnummer van Boedha naar een vermoedelijke klant stuurde. Ook op dit nummer sloot de politie vervolgens een tap aan. De inhoud van de tapgesprekken versterkten het vermoeden van de politie dat Boedha zich eveneens schuldig maakte aan de handel in verdovende middelen.
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich, samen met een ander of anderen, heeft schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne en MDMA. Voorts dient de rechtbank te beoordelen of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van cocaïne en MDMA en het witwassen van een groot geldbedrag.
3.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten en voor feit 3 ontslag van alle rechtsvervolging gevorderd.
3.3.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. In het procesdossier bevindt zich onvoldoende bewijs voor betrokkenheid van verdachte bij het dealen in harddrugs om tot een bewezenverklaring van het medeplegen te kunnen komen. Verdachte ontkent pertinent zich bezig te hebben gehouden met de handel in harddrugs. Voorts wordt verdachtes betrokkenheid noch door zijn vader [naam medeverdachte] noch door ‘Boedha’ noch door de door de politie gehoorde getuigen genoemd. Bovendien kan uit de in het procesdossier weergegeven tapgesprekken tussen verdachte en zijn vader niet worden afgeleid dat hij harddrugs aan zijn vader ter beschikking stelde. Immers, in de in het procesdossier weergegeven telefoongesprekken en tekstberichten tussen verdachte en [medeverdachte] wordt geen enkele maal concreet over drugs gesproken. Het in de woning van verdachte aangetroffen geldbedrag heeft een legale herkomst en kan derhalve ook niet aan het bewijs bijdragen. Daarnaast kan slechts bewezen worden dat verdachte MDMA voorhanden heeft gehad. Nu voor de verkoop van MDMA door medeverdachte [naam medeverdachte] en ‘Boedha’ in het procesdossier geen steun te vinden is, kan ook deze omstandigheid niet bijdragen aan enig bewijs van medeplegen. Ook indien de rechtbank oordeelt dat verdachte op de hoogte was van de activiteiten van zijn vader dient vrijspraak te volgen. De enkele omstandigheid dat verdachte wetenschap had van de drugshandel is onvoldoende om tot bewezenverklaring van een nauwe en bewuste samenwerking te komen.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het voorhanden hebben van cocaïne niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het Sporen Identificatie Nummer AAGI7377NL in het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 4 juni 2014 (dossierpagina 333 e.v.) is gekoppeld aan het Sporen Identificatie Nummer AAGJ5116NL in het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 13 mei 2014 (dossierpagina 316 e.v.). De omschrijving van de onderzochte substantie onder beide Sporen Identificatie Nummers wijkt echter significant af. Voorts is het Sporen Identificatie Nummer AAGI6504NL in voornoemd rapport van het Nederlands Forensisch Instituut gerelateerd aan het Sporen Identificatie Nummer AAGJ5100NL in bovenvermeld proces-verbaal onderzoek verdovende middelen. De geteste substantie onder deze Sporen Identificatie Nummers komt zowel qua gewicht als qua kleur van de substantie niet overeen.
Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw primair bepleit dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken, omdat verdachte een voldoende concrete, min of meer verifieerbare verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het geldbedrag. Deze verklaring is niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te noemen. De raadsvrouw heeft subsidiair bepleit dat vrijspraak van onder 3 ten laste gelegde feit dient te volgen, omdat geen sprake is van gedragingen gericht op het verhullen/verbergen van het geldbedrag. Het merendeel van het aangetroffen geld lag in een kluis in de woning van verdachte. Dit is een gebruikelijke plaats om geld te bewaren.
3.4.
Integrale vrijspraak feit 3Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 3 ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte heeft verklaard dat het in de woning van verdachte aangetroffen geldbedrag een legale herkomst heeft. De daarover door verdachte afgelegde verklaring is voldoende concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand onaannemelijk te noemen. Het door de politie opgestelde proces-verbaal bevindingen witwassen [verdachte] brengt naar het oordeel van de rechtbank geen verandering in de geloofwaardigheid van de verklaring van verdachte. De inhoud van voormeld proces-verbaal is te summier om daaraan enig bewijs te ontlenen.
3.5.
Partiële vrijspraak feit 1
Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat zich voor het dealen van MDMA door verdachte, zoals ten laste gelegd onder feit 1, geen steun in het procesdossier bevindt. Verdachte dient daarom van dit onderdeel te worden vrijgesproken.
3.6.
Redengevende feiten en omstandigheden [1]
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het overigens onder feit 1 en onder feit 2 ten laste gelegde op grond van het volgende.
De gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] spreekt in de periode van 25 februari 2014 tot en met 12 april 2014 onder de naam Oscar met diverse personen ontmoetingen af in Edam, Volendam en elders in Nederland. [2] Het nummer is in die periode bij medeverdachte [naam medeverdachte] in gebruik. [3] Hij bedient zich daarbij van de naam ‘Oscar’. Hij heeft zich gedurende enige tijd beziggehouden met drugshandel. Hij werd door klanten op de telefoon gebeld. [4] Op 12 april 2014 heeft verdachte in ieder geval aan een tweetal personen, te weten [getuige 1] en [getuige 2], cocaïne verkocht. [5] [Getuige 1] en [getuige 2], beiden gebruikers van cocaïne, hebben de verdachte als ‘Oscar’ herkend. [6] [7] [Getuige 1] kocht sinds de bouwvak 2013 nagenoeg wekelijks cocaïne bij Oscar. [8] Hij belde Oscar op en sprak met hem een plaats af, waar de transactie plaatsvond. Oscar verplaatste zich op een scooter naar de ontmoetingsplek. [9] Een andere gebruiker, [getuige 3], van wie het telefoonnummer tussen 21 februari 2014 en 12 april 2014 74 maal op de printlijsten van het telefoonnummer van [medeverdachte] voorkwam [10] , herkende [medeverdachte] als de Oscar van wie hij cocaïne kocht. Hij kocht bij Oscar cocaïne vanaf het moment dat hij over het nummer van Oscar beschikte. Het zou volgens hem heel goed kunnen dat hij sinds augustus 2013 telefonisch contact met Oscar heeft gehad. [11] Het nummer van Oscar dat hij in zijn bezit had, was [telefoonnummer 1]. [Getuige 3] en een vierde gebruiker, [getuige 4], kochten behalve van Oscar ook cocaïne van Boedha [12] , die gebruik maakte van het nummer [telefoonnummer 2]. [13] [Getuige 2] kocht geen cocaïne van Boedha, maar had wel diens nummer van Oscar gekregen voor het geval dat Oscar niet zou kunnen leveren. [14] Ook stuurde[medeverdachte] op 23 maart 2014 naar een klant het tekstbericht
‘Als ik niet bereikbaar ben kan je me maat boedha blln [telefoonnummer 2], vice versa! Grt oscar’. [15] Op 27 maart 2014 wordt naar de telefoon van [medeverdachte] een tekstbericht verzonden met de inhoud:
‘Had je tijd? Boedha staat uit’. [16] Op 25 maart 2014 verstuurt [medeverdachte] naar het telefoonnummer [telefoonnummer 3] een tekstbericht:
‘Ik ben nu deze wk bezig b is ziek’. [17] Ook heeft [medeverdachte] (hierna ook: O) in de periode van 25 februari 2014 tot 12 april 2014 diverse contacten met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] (hierna ook: N). [18] Op 28 februari 2014 worden tussen O en N de volgende gesprekken gevoerd: ‘
(..) N: had je nog wat te doen van de week? O: Ja, ik heb wel wat gedaan hoor, maar heb je wel nodig hoor vanmiddag, vanavond. N: Jij bent aan het venten toch vandaag? O: Ja. (..) [19] en ‘
(..) O: Hee, ik sta zo goed als droog. N: Oké, nou ik kan eh, kom zo snel mogelijk an. (..) [20] . Op 2 maart 2014 vindt het volgende gesprek tussen N en O plaats: ‘
(..) O: Nah, het is toch wel goed gegaan, hoor. N: Ja? O: Ja. Ik zit eh, bij tegen de laatste sok an, dus eh, dat is wel goed. Ben d’r net ook al uit geweest. (..). [21] Op 21 maart 2014 wordt een tekstbericht door O naar N gestuurd:
‘Zijn dat 2 sok.’ [22] Op 22 maart 2014 luidt het gesprek tussen O en N: ‘
N: Je houdt het wel tot morgen toch? O: eh, ik denk het wel. [23] En op 28 maart 2014: ‘
(..) N: Ben jij aan het venten? O: Ja, tuurlijk, de hele week toch. Ik had je toch een briefje gestuurd toch. N: Ja. Is die bolle ziek? O: He? Ja,ja. Hij is alweer redelijk beter, maar ik maak het af nu natuurlijk. N: Oke. Hoe gaat het? O: Ja. Rustig man. N: Ja? Niks te doen? O: Ja, ja, ik heb wel wat gedaan, maar het is wel rustig. N: Oke. O: Ik ben open dus uuuh. N: (..) Tot hoe laat red je het denk je? O: (..) Nou ik laat het je wel weten, in de loop van de avond of ik weet niet dat ik zo meteen uuh.. Ik ben klaar dus uuu.. Ik uuh. N: Oke, maar wil je me het me effentjes dan een uurtje als je wil, een uurtje of anderhalf uur van te voren laten weten. O: Ja.. jaja. (..) N: Hij zet trouwens heel vaak zijn telefoon uit hè. O: Uuu. Dat was alleen op maandag toch. (..) N: O heb die dat verteld. O: Ja. N: Had tie gezegd dat ik daar wat over gezegd had. O: Ja, maar hij was bezig.. maar ja.. ik moet eerlijk zeggen maandag is het helemaal niks hoor, nooit geweest. N: Nee maar ik wil gewoon dat die telefoon aanblijft. (..) O: Ja, maar je ken hem niet altijd aanlaten. N: Wel als je aan het werk bent. O: Ja, tuurlijk, dan wel ja. Hij kan hem wel eerder aanzetten ofzo. Rond een uurtje of 12 ofzo. Het is wel de bedoeling dat het om 12 uur opengaat. (..). [24] Op 29 maart 2014 stuurt N naar O de volgende tekstberichten: ‘
Ik gooi dadelijk wat door je brievenbus ik moet gelijk door [25] en ‘
Wat heb ik daar aan skrabbes [26] . Op 30 maart 2014 stuurt O naar N het volgende tekstbericht: ‘
Je skrabbes licht klaar in m. [27] Op 12 april 2014 voeren O en N het volgende gesprek: ‘
(..) O: Kun je voor de zekerheid wat afgooien in uuh m. N: Is het nodig dan? O: Nou ja… als het vanavond gaat aanzetten wel. N: Ik ben al langs geweest gisteren hè. (..). [28] N wordt in een tweetal gesprekken ‘[naam 3]’ of ‘[naam 4]’ genoemd. [29] Het blijkt te gaan om verdachte, de zoon van [medeverdachte]. [30] Verdachte had pillen XTC en cocaïne in zijn woning liggen. [31] Bij een doorzoeking van de woning van verdachte worden zakjes met een totaal nettogewicht van 113,95 gram cocaïne en 88 tabletten met MDMA aangetroffen. [32] [33] Naast de cocaïne en de MDMA is in de woning levamisol [34] , een keukenweegschaal en een koffiemolen aangetroffen. Een test op aanwezige sporen op de keukenweegschaal en de koffiemolen gaf de indicatie dat er sporen van cocaïne aanwezig waren. [35]
3.7.
Bewijsoverweging
Medeplegen
De rechtbank is van oordeel dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit in nauwe en bewuste samenwerking met anderen, te weten met medeverdachte [naam medeverdachte] en ‘Boedha’, heeft gepleegd. In de onderschepte telefoongesprekken en tekstberichten tussen verdachte en zijn vader [naam medeverdachte] in dit dossier wordt niet ondubbelzinnig gesproken over cocaïne. In zijn uitspraak van 14 december 2012 (onderzoek Alpamayo) [36] heeft het Gerechtshof Amsterdam overwogen dat wanneer in weerwil van de letterlijk gebezigde bewoordingen de betekenis en strekking van onderschepte gesprekken niettemin worden geduid als betrekking hebbende op cocaïne, bij de bewijslevering de nodige behoedzaamheid dient te worden betracht. Het risico op een verkeerd begrip is immers aanwezig als de betekenis van het gesproken en geschreven woord moet worden uitgelegd en geïnterpreteerd. De rechtbank heeft daarom na te gaan of de voor het bewijs te bezigen verslagen van – in het onderhavige geval – telefoongesprekken en tekstberichten, bezien naar hun inhoud, de chronologie en de kring van deelnemers aan die gesprekken, in een met het oog op de bewijslevering betekenisvolle samenhang kunnen worden geplaatst. Bij dat onderzoek kan betekenis worden toegekend aan hetgeen overigens ten aanzien van één of meer van die deelnemers is gebleken, meer in het bijzonder over diens betrokkenheid op één of andere wijze bij de stof die in de beschuldiging centraal staat, te weten cocaïne.
De rechtbank overweegt dat de inhoud van de telefoongesprekken en tekstberichten, waarin versluierd taalgebruik als venten, sok, scrabbes en m wordt gebezigd en waarbij over voorraad, het klaar liggen en afgooien wordt gesproken, in samenhang met het gegeven dat de gesprekken met medeverdachte [naam medeverdachte] met de dealtelefoon van [medeverdachte] worden gevoerd en het feit dat bij verdachte cocaïne, versnijdingsmiddel, een weegschaal en een koffiemolen met sporen van vermoedelijk cocaïne zijn aangetroffen, tot geen ander oordeel kunnen leiden dan dat de communicatie ziet op cocaïne.
De rechtbank heeft in haar oordeelsvorming tot slot betrokken dat verdachte geen verklaring heeft willen afleggen over de inhoud van de telefoongesprekken en tekstberichten, terwijl het in deze telefoongesprekken en tekstberichten gebezigde taalgebruik schreeuwt om een verklaring. Dat verdachte desondanks ervoor kiest te zwijgen, kan naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad meewegen voor het bewijs.
De rechtbank acht op grond van de inhoud van voornoemde afgetapte telefoongesprekken en tekstberichten, het zwijgen van verdachte en op grond van het gegeven dat bij verdachte cocaïne, versnijdingsmiddel, een weegschaal en een koffiemolen met sporen van vermoedelijk cocaïne zijn aangetroffen bewezen dat sprake was van meer dan loutere wetenschap van verdachte met betrekking tot het dealen van verdovende middelen door zijn vader. Verdachte had hierin een actieve rol en was klaarblijkelijk verantwoordelijk voor de coördinatie en bevoorrading. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank tevens in relatie tot ‘Boedha’, gezien het tussen verdachte en [medeverdachte] gevoerde telefoongesprek van 28 maart 2014, de verklaringen van getuigen dat Boedha cocaïne verkocht en het doorverwijzen van klanten door [medeverdachte] naar Boedha en omgekeerd.
Onderzoek verdovende middelen
De rechtbank verwerpt het met betrekking tot het onder feit 2 tenlastegelegde door de raadsvrouw gevoerde verweer. Het Sporen Identificatie Nummer AAGI7377NL in het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 4 juni 2014 (dossierpagina 333 e.v.) correspondeert met het Sporen Identificatie Nummer onder een tweetal in het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 13 mei 2014 (dossierpagina 316 e.v.) weergegeven Sporen Identificatie Nummers, namelijk AAGJ5102NL en AAGJ5116NL. Gelet op de omschrijving en het gewicht van de stof dient naar het oordeel van de rechtbank het Sporen Identificatie Nummer AAGI7377NL in voornoemd rapport van het Nederlands Forensisch Instituut kennelijk uitsluitend gelinkt te worden aan het Sporen Identificatie Nummer AAGJ5102NL in het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, zodat voor het voorhanden hebben van cocaïne wettig en overtuigend bewijs beschikbaar is. Overigens heeft verdachte ter terechtzitting een bekennende verklaring afgelegd met betrekking tot de aanwezigheid van cocaïne in zijn woning.
3.8.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
feit 1:
hij in de periode van 1 augustus 2013 tot en met 12 april 2014 te Volendam, Edam en elders in Nederland telkens tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd en vervoerd een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
feit 2:
hij op 12 april 2014 te Hoorn opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid cocaïne en MDMA, zijnde cocaïne en MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6.Motivering van de hoofdstaf

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 en feit 2 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair een straf bepleit die maximaal gelijk is aan de duur van het voorarrest. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit in combinatie met een gevangenisstraf van voornoemde duur een werkstraf op te leggen. Verdachte kan via een uitzendbureau als sloper aan het werk bij een mogelijk langdurig sloopproject. Een gevangenisstraf van een langere duur zal dit doorkruisen. Zowel de maatschappij als verdachte hebben daar geen belang bij.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en het aldaar besproken rapport van de Reclassering van 2 juni 2014 is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft over een lange periode, tezamen met anderen, gehandeld in cocaïne. Uit het dossier komt naar voren dat verdachte en zijn mededaders stelselmatig dealden, waarbij een grote kring van afnemers in Purmerend en Volendam en omstreken op bestelling van harddrugs werd voorzien. Cocaïne is een stof die zeer schadelijk is voor de gebruikers ervan. Het gebruik van en de handel in dergelijke verdovende middelen leiden bovendien direct en indirect tot vele andere vormen van criminaliteit en vormen aldus een groot maatschappelijk probleem. Verdachte heeft door zijn handelen hieraan bijgedragen.
De rechtbank beoordeelt de rol van verdachte ten opzichte van die van zijn mededaders als dominant, nu verdachte kennelijk de coördinatie en bevoorrading in handen had en de anderen als koerier dienst deden. Voorts rekent de rechtbank het verdachte zwaar aan dat hij zijn eigen vader, om wiens gezondheid verdachte op zitting heeft verklaard zich grote zorgen te maken, als koerier voor zijn handel heeft ingezet.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 16 april 2014, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet.
De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 2 juni 2014 van GGZ Inforsa JVz. Hieruit blijkt dat verdachte bereid is tot gedragsverandering.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.
Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met GGZ Inforsa JVz noodzakelijk. Voorwaarden van die strekking zullen aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

7.Beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

7.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder verdachte in beslag genomen telefoon, de weegschaal en de blender en het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag à € 15.222,80 zullen worden verbeurd verklaard. Ten aanzien van het onder verdachte in beslag genomen valmes heeft de officier van justitie gevorderd dat dit zal worden onttrokken aan het verkeer.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat de onder verdachte in beslag genomen telefoon en het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag à € 15.220,80 dienen te worden teruggegeven aan verdachte. Ten aanzien van de overige onder verdachte in beslag genomen voorwerpen refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
Verbeurdverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een telefoon van het merk Nokia, een weegschaal en een blender, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat
het onder 1 bewezen verklaarde feit met behulp van die voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, is begaan of voorbereid.
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een valmes, dient te worden onttrokken aan het verkeer. Dit voorwerp behoort verdachte toe en is aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten waarvan hij wordt verdacht. Het ongecontroleerde bezit van voormeld in beslag genomen voorwerp is in strijd met de wet en het algemeen belang.
Teruggave aan verdachte
De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag, groot € 15.220,80dient te worden teruggegeven aan verdachte. Van enig rechtstreeks verband met de bewezen verklaarde feiten is niet gebleken.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
2 en 10 van de Opiumwet.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.8. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIJFTIEN (15) MAANDEN.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot vijf (5) maanden
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt daarbij als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:
  • zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Stelt daarbij als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
  • zich na beëindiging van zijn detentie meldt bij GGZ Inforsa JVz te Amsterdam, en zich hierna zal blijven melden zo vaak en zolang de Reclassering dat nodig acht;
  • zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een training Cognitieve Vaardigheden.
De Reclassering wordt opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd:
  • een telefoon van het merk Nokia;
  • een weegschaal;
  • een blender.
Onttrekt aan het verkeer:
- een valmes.
Gelast de teruggave aan verdachte van:
- € 15.220,80 € 15.220,80 aan contanten.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. N. Cuvelier, voorzitter,
mr. A.F. van Hoorn en mr. K.G. Witteman, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.M. Wagenaar,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 augustus 2014.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
2.Uitwerkingen van afgeluisterde telefoongesprekken en tekstberichten (dossierpagina’s 23, 24, 26-28, 30, 32-46, 48, 49, 51-67, 69-72, 74-78, 81-83, 86, 87, 89-98, 103, 104-106, 109-114, 116-121, 124-127, 131-134, 136, 140-147, 149-151, 153, 155-158).
3.Het proces-verbaal vaststellen identiteit verdachte [naam medeverdachte] d.d. 1 april 2014 (dossierpagina 448).
4.Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam medeverdachte] d.d. 13 april 2014 (dossierpagina 444).
5.Het proces-verbaal van bevindingen actiedag d.d. 14 april 2014 (dossierpagina 228).
6.Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [getuige 1] d.d. 12 april 2014 (dossierpagina 261),
7.Het proces-verbaal vaststellen identiteit verdachte [naam medeverdachte] d.d. 1 april 2014 (dossierpagina’s 448 en 449).
8.Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [getuige 1] d.d. 12 april 2014 (dossierpagina 261).
9.Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [getuige 1] d.d. 12 april 2014 (dossierpagina 261).
10.Het proces-verbaal van onderzoek koopperiode [getuige 3] d.d. 16 april 2014 (dossierpagina 342).
11.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 15 april 2014 (dossierpagina 288).
12.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 15 april 2014 (dossierpagina 288);
13.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 15 april 2014 (dossierpagina 288) met bijbehorende fotobijlage; het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] d.d. 13 april 2014 (dossierpagina 274) met bijbehorende fotobijlage (dossierpagina 277).
14.Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [getuige 2] d.d. 12 april 2014 (dossierpagina 253).
15.Het tekstbericht d.d. 23 maart 2014 (dossierpagina 477).
16.Het tekstbericht d.d. 27 maart 2014 (dossierpagina 105).
17.Het tekstbericht d.d. 25 maart 2014 (dossierpagina 174).
18.Verslagen van afgeluisterde telefoongesprekken en tekstberichten (dossierpagina’s 161-166, 167-185).
19.Verslag van een telefoongesprek van 28 februari 2014 (dossierpagina 161).
20.Verslag van een telefoongesprek van 28 februari 2014 (dossierpagina 162).
21.Verslag van een telefoongesprek van 2 maart 2014 (dossierpagina 166).
22.Het tekstbericht d.d. 21 maart 2014.
23.Verslag van een telefoongesprek van 22 maart 2014 (dossierpagina 172).
24.Het tekstbericht d.d. 28 maart 2014 (dossierpagina’s 175 en 176).
25.Het tekstbericht d.d. 29 maart 2014 (dossierpagina 178).
26.Het tekstbericht d.d. 29 maart 2014 (dossierpagina 179).
27.Het tekstbericht d.d. 30 maart 2014 (dossierpagina 182).
28.Verslag van een telefoongesprek van 12 april 2014 (dossierpagina 185).
29.Tekstberichten d.d. 16 maart 2014 (dossierpagina’s 382 en 383).
30.Het proces-verbaal van onderzoek identiteit [verdachte] d.d. 10 april 2014 (dossierpagina 380).
31.De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 18 juli 2014 afgelegd.
32.Het proces-verbaal doorzoeking woning [adres verdachte] d.d. 15 april 2014 (dossierpagina’s 311 en 312); het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 13 mei 2014 (dossierpagina’s 316-318, 321 en 322).
33.Het door Ing. A.B.M. van Esch – de Bruin opgestelde deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut met zaaknummer 2014.05.23.069 d.d. 4 juni 2014 (dossierpagina 334).
34.Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 13 mei 2014 (dossierpagina’s 316, 317, 320 en 321); het door Ing. A.B.M. van Esch – de Bruin opgestelde deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut met zaaknummer 2014.05.23.069 d.d. 4 juni 2014 (dossierpagina 334).
35.Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 13 mei 2014 (dossierpagina’s 316-318 en 325).