Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van besluiten op meerdere bezwaarschriften inzake aanslagen inkomstenbelasting en premievolksverzekeringen over de jaren 2000 tot en met 2007. De rechtbank had deze beroepen aanvankelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijk late indiening. Na een arrest van de Hoge Raad is dit oordeel herzien en is het verzet van eiser gegrond verklaard.
De rechtbank oordeelt dat de beslistermijn ruimschoots was verstreken en dat verweerder onterecht geen uitspraak op bezwaar heeft gedaan, ook al verstrekte eiser niet alle gevraagde informatie. Er is geen sprake van misbruik van recht of calculerend gedrag. Verweerder wordt gelast binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog uitspraak op bezwaar te doen, onder dreiging van een dwangsom.
Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder reeds dwangsommen heeft verbeurd voor de jaren 2005 tot en met 2007 en legt zij de hoogte van deze dwangsommen vast. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht aan eiser vergoed. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.