ECLI:NL:RBNHO:2015:1087

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 februari 2015
Publicatiedatum
16 februari 2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 1531
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 5 WhtArt. 8 Awir
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit huurtoeslag 2011 wegens ondeugdelijke motivering met instandhouding rechtsgevolgen

Eiseres maakte bezwaar tegen de nihilstelling en terugvordering van haar huurtoeslag over 2011. De Belastingdienst/Toeslagen verklaarde haar bezwaar gegrond, maar stelde later de huurtoeslag definitief op nul en vorderde het voorschot van €504,- terug. Eiseres stelde beroep in tegen de brief van 30 juli 2014 waarin de terugvordering werd bevestigd.

De rechtbank oordeelde dat de brief van 30 juli 2014 een besluit op bezwaar vormde en daarom ontvankelijk was. De eerdere besluiten van 18 maart en 14 april 2014 waren onvoldoende gemotiveerd en vormden geen volledige afdoening. De motivering van het bestreden besluit was ondeugdelijk omdat niet duidelijk werd gemaakt waarom de huurtoeslag op nul werd gesteld en de terugvordering gehandhaafd bleef.

Inhoudelijk stelde de rechtbank vast dat eiseres bij de definitieve berekening een hoger toetsingsinkomen had dan bij het voorschot was opgegeven, waardoor de basishuur hoger was dan de rekenhuur, wat volgens de wet tot nihiltoeslag leidt. De terugvordering van het voorschot was daarom terecht. Vertrouwen op eerdere berichten gaf geen recht op kwijtschelding. De rechtbank vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand en veroordeelde de Belastingdienst tot vergoeding van het griffierecht.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: ALK 14/1531

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2015 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: J.L. Linskens).

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen de nihilstelling en daaruit voortvloeiende terugbetaling van de voorschotten huurtoeslag 2011 gegrond verklaard. Bij besluit van 11 april 2014 heeft verweerder de definitieve berekening herzien en de huurtoeslag 2011 op € 0,- bepaald.
Bij brief van 30 juli 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen eiseres medegedeeld dat haar bezwaar is behandeld, zij hierover al bericht heeft gekregen en dat zij een bedrag van € 504,- in één keer of in termijnen kan terugbetalen.
Eiseres heeft tegen het bericht van 30 juli 2014 beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2015.
Eiseres is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De ontvankelijkheid van het beroep.
1.1.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 21 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:128: overwogen dat een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan strekkende tot afdoening van een bezwaarschrift als zodanig een publiekrechtelijke rechtshandeling behelst en daarmee een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet op deze uitspraak moet geoordeeld worden dat de brief van de Belastingdienst/Toeslagen van 30 juli 2014 strekt tot afdoening van het bezwaar van eiseres van 9 januari 2014. Dit betekent dat die brief is aan te merken als een voor beroep vatbaar besluit op bezwaar.
1.2.
De rechtbank volgt verweerder niet in de stelling dat, vanwege het besluit van 14 april 2014, eiseres wegens overschrijding van de beroepstermijn niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar beroep. Naar aanleiding van het bezwaarschrift van eiseres heeft verweerder bij besluit van 18 maart 2014 (slechts) aan eiseres bericht dat haar bezwaar gegrond wordt verklaard en dat een nieuwe beschikking zal worden gegeven. Vervolgens is bij het besluit van 14 april 2014 de huurtoeslag 2011 wederom op € 0,- bepaald, zonder dat daarbij een toelichting is gegeven en zonder dat is ingegaan op de door eiseres ook aangevochten terugbetaling van het voorschot. Daarover is eerst met het thans bestreden besluit van 30 juli 2014 een beslissing (op bezwaar) gegeven. De rechtbank stelt dan ook vast dat verweerders (getrapte) besluitvorming ten aanzien van het bezwaarschrift van eiseres pas is voltooid met het nemen van het besluit van 30 juli 2014.
1.3.
Eiseres kan daarom worden ontvangen in haar beroep.
De motivering van het bestreden besluit.
2.1.
Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder haar geen duidelijkheid heeft verschaft over de reden van de nihilstelling van de huurtoeslag, de terugvordering van het voorschot en waarom die, nadat aan haar bezwaar geheel is tegemoetgekomen, toch zijn gehandhaafd.
2.2.
De rechtbank stelt vast dat, zoals hiervoor is overwogen, de besluiten van 18 maart 2014 en 14 april 2014 geen inhoudelijke beoordeling bevatten, terwijl evenmin uit het thans bestreden besluit van 30 juli 2014 blijkt op grond waarvan verweerder de vaststelling van de huurtoeslag op € 0,- bepaalt en de terugvordering handhaaft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit berust op een ondeugdelijke motivering. Het bestreden besluit komt wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.
2.3.
Omdat verweerder in het verweerschrift van 26 november 2014 wel een motivering en toelichting heeft gegeven, zal de rechtbank bezien of aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.
Het inhoudelijke geschil.
3.1.
Eiseres meent dat zij in 2011 wel aan alle voorwaarden voor het verkrijgen van huurtoeslag voldeed. Eiseres vindt het daarom onacceptabel dat zij het voorschot van € 504,- moet terugbetalen. Zij acht dit in strijd met de eerdere berichten die zij naar aanleiding van haar bezwaar heeft ontvangen.
3.2.
Ingevolge artikel 8 van Pro de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) is het toetsingsinkomen het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven.
Ingevolge artikel 5 van Pro de Wet op de huurtoeslag (Wht) wordt, voor zover relevant, onder rekenhuur verstaan: de huurprijs die de huurder per maand is verschuldigd.
Ingevolge artikel 16 van Pro de Wht is de basishuur het gedeelte van de rekenhuur dat voor rekening van de huurder blijft.
Uit artikel 21 van Pro de Wht volgt dat geen recht op huurtoeslag als de basishuur meer bedraagt dan de rekenhuur.
3.3.
De rechtbank stelt vast dat aan eiseres bij besluit van 4 mei 2011 als voorschot huurtoeslag een bedrag van € 504,- is toegekend. Bij die voorschotberekening is uitgegaan van het door eiseres opgegeven – geschatte - toetsingsinkomen van € 19.500,-. Bij een dergelijk inkomen hoort een basishuur van € 315,-. Bij de definitieve berekening van huurtoeslag is uitgegaan van het werkelijk toetsingsinkomen van eiseres, € 21.319,-.
Bij dat inkomen hoort een basishuur van € 369,-. De door eiseres daadwerkelijk betaalde (reken-) huur bedroeg € 357,- per maand.
3.4.
Omdat de basishuur meer bedraagt dan de rekenhuur, heeft verweerder, gezien artikel 21 van Pro de Wht, op goede gronden de huurtoeslag op € 0,- bepaald. Voor zover eiseres stelt dat haar uit informatie op de website van de belastingdienst en een door haar gemaakte proefberekening bleek dat zij wel in aanmerking kwam voor huurtoeslag, heeft te gelden dat aan die informatie geen rechten ontleend kunnen worden.
3.5.
Het voorgaande betekent dat eiseres ten onrechte een voorschot van € 504,- heeft ontvangen. Nu de huurtoeslag over 2011 aan eiseres als aanvrager en belanghebbende is toegekend en de toeslag is uitbetaald op het door haar in de aanvraag opgegeven bankrekeningnummer, heeft de Belastingdienst/Toeslagen de te veel betaalde voorschotten terecht van haar teruggevorderd. In artikel 26 van Pro de Awir is dwingend bepaald dat indien een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel is verschuldigd. In de Awir is geen bepaling opgenomen op grond waarvan de Belastingdienst/Toeslagen van terugvordering kan afzien. Wel kan eiseres de dienst verzoeken om een betalingsregeling, indien zij door de terugvordering in financiële problemen raakt.
3.6.
Voorover eiseres stelt dat zij op grond van de (bewoordingen van de) besluiten van 18 maart 2014 en 14 april 2014 er op mocht vertrouwen dat het voorschot niet meer van haar zou worden teruggevorderd, constateert de rechtbank dat uit die besluiten – hoe ongelukkig geformuleerd ook - niet blijkt dat verweerder over die terugvordering een besluit heeft genomen, noch dat verweerder daarin de indruk wekt dat het voorschot niet hoeft te worden terugbetaald. Ook het enkele tijdsverloop levert geen reden tot kwijtschelding op.
4. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht de huurtoeslag over het berekeningsjaar 2011 op € 0,- gesteld en het voorschot van eiseres teruggevorderd.
De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit kunnen daarom geheel in stand blijven.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Wel dient verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van C.H. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2015.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.