ECLI:NL:RBNHO:2015:1341

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 februari 2015
Publicatiedatum
20 februari 2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 699
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Wet werk en bijstandArt. 17 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenArt. 30c Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenArt. 475b Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 475c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijke aansprakelijkheid verzwegen partner voor ten onrechte betaalde bijstand

De rechtbank Noord-Holland behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar, waarin eiser hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld voor ten onrechte betaalde bijstand aan zijn verzwegen partner over de periode van 23 september 2010 tot en met 31 juli 2013.

Eiser erkende de gezamenlijke huishouding maar voerde aan dat hem geen verwijt valt te maken omdat hij beperkte verstandelijke vermogens heeft en geen ervaring met uitkeringen. De rechtbank oordeelde dat voor terugvordering niet vereist is dat eiser op de hoogte was van de bijstandsverlening en dat de stelling van geringe verstandelijke vermogens onvoldoende onderbouwd was.

Verder stelde eiser dat recht op aanvullende bijstand bestond en dat verweerder nader onderzoek had moeten doen, maar de rechtbank stelde vast dat eiser geen concrete en verifieerbare gegevens had aangeleverd. Ook wees de rechtbank het beroep af dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien, omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat er bijzondere omstandigheden waren die onaanvaardbare sociale of financiële consequenties opleverden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de hoofdelijke aansprakelijkheid voor ten onrechte betaalde bijstand wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: ALK 14/699

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 februari 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.J. van Velzen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de ten onrechte aan [naam] (hierna: [naam] ) betaalde bijstand over de periode van 23 september 2010 tot en met 31 juli 2013, zijnde een bedrag van € 30.961,52 (bruto) en € 4.796,60 (netto), alsmede een bedrag van € 6.092,79 aan ten onrechte betaalde bijzondere bijstand.
Bij besluit van 26 februari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van het beroep van [naam] , met zaaknummer 14/874, op 6 november 2014. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser aanvaardt dat er rechtens sprake is van een gezamenlijke huishouding met [naam] . Dit standpunt is in overeenstemming met de uitspraak van de rechtbank in zaak 14/874, eveneens heden gedaan.
2.1
Eiser heeft echter aangevoerd dat hem geen verwijt valt te maken van de omstandigheid dat [naam] de gezamenlijke huishouding niet heeft gemeld. Er is bij eiser sprake van geringe verstandelijke vermogens en hij heeft geen enkele ervaring met uitkeringen.
Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat in het kader van artikel 59 van Pro de Wet werk en bijstand (Wwb) niet relevant is of eiser een verwijt kan worden gemaakt.
2.2
Artikel 59 van Pro de Wwb luidt:
“1. Onverminderd artikel 58 kunnen Pro kosten van bijstand, indien de bijstand aan een gezin wordt verleend, van alle gezinsleden worden teruggevorderd.
2. Indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van kosten van bijstand die worden teruggevorderd.”
2.3
De rechtbank overweegt dat voor terugvordering van de aan [naam] verleende bijstand van eiser, zoals verweerder terecht stelt, niet is vereist dat eiser op de hoogte was van de schending van de inlichtingenplicht. Of hem al dan niet een verwijt te maken valt van die schending door [naam] doet dan ook niet ter zake. De stelling dat eiser geringe verstandelijke vermogens heeft is niet nader onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.
3.1
Eiser heeft vervolgens aangevoerd dat recht op aanvullende bijstand zou hebben bestaan, omdat zijn inkomsten in ieder geval schattenderwijs zijn vast te stellen. Volgens eiser had verweerder hier nader onderzoek naar dienen te verrichten.
Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd concrete en verifieerbare gegevens te verschaffen over de inkomenssituatie.
3.2
De rechtbank stelt voorop dat de hoogte van de terugvordering in deze procedure niet voorligt, nu het uitsluitend gaat om de vraag of eiser terecht als verzwegen partner is aangemerkt. De (hoogte van de) terugvordering is in de procedure van [naam] aan de orde geweest en daarover heeft de rechtbank geoordeeld dat geen reden bestaat tot matiging van het bedrag. Ten overvloede merkt de rechtbank hierbij nog op dat het in een geval als dit, waarbij te veel bijstand is betaald als gevolg van het schenden van de inlichtingenverplichting, het aan betrokkenen is aan te tonen dat zij ondanks die schending recht zouden hebben gehad op aanvullende bijstand indien wel alle informatie was verstrekt. De enkele verklaring van eiser dat hij tussen € 70,-- en € 200,-- per week ontving, is in dit verband volstrekt onvoldoende. De beroepsgrond treft geen doel.
4.1
Eiser heeft verder aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om van hoofdelijk verhaal af te zien. Hij wijst daartoe enerzijds op zijn persoonlijke achtergrond en afhankelijkheid van anderen en anderzijds op de afwezigheid van verwijtbaarheid en de onmogelijke positie waarin hij op zo jonge leeftijd en met een zo lage verdiencapaciteit door de terugvordering komt te verkeren.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden.
4.2
De rechtbank overweegt als volgt. Bij dringende redenen wordt gedacht aan onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarvan in deze zaak sprake is. De rechtbank merkt daarbij nog op dat de financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering zich in het algemeen pas voordoen indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft de betrokkene als schuldenaar bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De beroepsgrond treft geen doel.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzitter, en mr. M. Kraefft en mr. M.J.C. Beerse, leden, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2015.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.