Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2015 in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Texel, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
19 december 2013.
Ten tijde van de aanvraag was op de locatie [adres 2] het bestemmingsplan ‘Buitengebied Texel 1996’ en het bestemmingsplan ‘Buitengebied Texel Herziening ex artikel 30 W.R.O.’ van juli 1998 van toepassing. Op 12 juni 2013 is het nieuwe bestemmingsplan ‘Buitengebied Texel 2013’ vastgesteld, dat vervolgens op
11 februari 2014 in werking is getreden. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7470) geldt als uitgangspunt dat bij het nemen van een besluit op bezwaar het recht moet worden toegepast zoals het op dat moment geldt. Bij wijze van uitzondering mag een bouwaanvraag worden getoetst aan het ten tijde van de indiening ervan nog wel, maar ten tijde van het besluit op de aanvraag, dan wel het besluit op een daartegen ingediend bezwaar niet meer geldend bestemmingsplan, doch slechts indien ten tijde van de indiening van de aanvraag het daarin vervatte bouwplan in overeenstemming was met het toen geldende bestemmingsplan en er op dat moment nog geen voorbereidingsbesluit van kracht was geworden voor een nieuw bestemmingsplan dan wel een ontwerp voor een nieuw bestemmingsplan ter inzage was gelegd waarmee dat bouwplan in strijd was. Deze uitzondering doet zich hier niet voor, omdat het bouwplan van eiseres in strijd is met het ten tijde van de indiening van de aanvraag geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Texel 1996’ en het bestemmingsplan ‘Buitengebied Texel Herziening ex artikel 30 W.R.O.’ van juli 1998. Het bestreden besluit wordt daarom getoetst aan het nieuwe bestemmingsplan ‘Buitengebied Texel 2013’.
In het nieuwe bestemmingsplan zijn voor het perceel [adres 2] twee verschillende bestemmingen opgenomen. Het betreft de bestemmingen ‘recreatie – recreatief opstal’ met vijf slaapplaatsen, en ‘recreatie – verblijfsrecreatieve gebouwen’ met 45 slaapplaatsen. Binnen deze bestemmingen zijn bouwvlakken opgenomen. Op het perceel [adres 3] ligt een bouwvlak voor een recreatief opstal en op het perceel [adres 4] ligt een bouwvlak voor verblijfsrecreatieve gebouwen. In het bouwvlak [adres 2] zijn de vijf slaapplaatsen opgenomen komende vanaf [adres 1], daarmee is het maximum aantal recreatieve slaapplaatsen in het bouwvlak [adres 2] in het nieuwe bestemmingsplan verhoogd met vijf slaapplaatsen. Voor zover de aanvraag van eiseres om een omgevingsvergunning ziet op het verplaatsen van een recreatieve opstal (vijf slaapplaatsen) van [adres 1] naar [adres 2], stelt de rechtbank vast dat daaraan met het nieuwe bestemmingsplan tegemoet is gekomen.
(nieuw-)bouw van een zomerhuis aan [adres 2], staat vast dat dit strijdig is met het nieuwe bestemmingsplan, omdat eiseres buiten het op de plankaart aangegeven bouwvlak voor verblijfsrecreatieve gebouwen wil bouwen.