ECLI:NL:RBNHO:2015:4489
Rechtbank Noord-Holland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij intrekking bijstandsuitkering wegens onduidelijkheid hoofdverblijf
Verzoekster kreeg vanaf 9 april 2012 een bijstandsuitkering toegekend. Vanaf 8 oktober 2014 stond zij ingeschreven op een adres. Na een rechtmatigheidsonderzoek en meerdere onaangekondigde huisbezoeken waarbij verzoekster niet werd aangetroffen, concludeerde verweerder dat verzoekster haar hoofdverblijf niet op het opgegeven adres had. Op 16 februari 2015 werd verzoekster betrapt op het verlaten van het adres van een andere man met wie zij eerder een gezamenlijke huishouding zou hebben gevoerd.
Verzoekster betwistte de bevindingen en stelde dat zij haar hoofdverblijf op het opgegeven adres had en dat zij ziek was tijdens de huisbezoeken. Zij gaf aan psychische en financiële problemen te hebben en wees op een verklaring van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam dat er geen gezamenlijke huishouding was. Verzoekster vorderde een voorlopige voorziening vanwege het wegvallen van haar inkomen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster tegenstrijdige en onvolledige verklaringen had afgelegd over haar verblijfplaats en dat haar woning nauwelijks gemeubileerd was. De waarnemingen en verklaringen van verzoekster sloten niet op elkaar aan, waardoor niet kon worden vastgesteld dat zij haar hoofdverblijf had waar zij stelde. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar hoofdverblijf heeft waar zij stelt.